Als Christus nu langs komt > De dood van Christus, het leven van de christen > Hst 10
95

Homilie gehouden op 15 april 1960 (Goede Vrijdag)

Deze week, die naar oud gebruik de Goede Week wordt genoemd, geeft ons opnieuw de gelegenheid de gebeurtenissen die het leven van Jezus voltooien te beschouwen en mee te beleven. Alles wat de vele uitingen van vroomheid in deze dagen in ons oproepen, is op de verrijzenis gericht, die, zoals sint Paulus schrijft (vgl. 1 Kor. 15, 14), de grondslag van ons geloof is. Maar laten we die weg niet te haastig gaan. We mogen een zeer eenvoudige waarheid, die misschien soms aan onze aandacht ontsnapt, niet uit het oog verliezen: namelijk dat wij aan de verrijzenis van de Heer geen deel kunnen hebben als wij ons niet verenigen met zijn lijden en dood (vgl. Rom. 8, 17). Om Christus op het eind van de Goede Week in zijn glorie te kunnen vergezellen, is het noodzakelijk dat wij dieper doordringen in zijn levensoffer, dat wij ons één voelen met Hem, die heden dood hangt aan een Kruis.

Tegenover de edelmoedige overgave van Christus staat de zonde, die werkelijkheid die moeilijk te accepteren is maar die we toch niet kunnen ontkennen: het mysterium iniquitatis, de onverklaarbare slechtheid van het schepsel dat zich uit trots tegen God verheft. Die geschiedenis is even oud als de mensheid zelf. Denken we maar aan de val van onze eerste ouders, daarna aan heel die keten van bederf die de gang van de mensheid markeert, en ten slotte aan onze persoonlijke opstandigheid. Het is niet gemakkelijk de slechtheid die de zonde veroorzaakt te peilen en alles te begrijpen wat het geloof ons zegt. Wij moeten beseffen dat, zelfs op het menselijk vlak, de zwaarte van de belediging evenredig is aan de rang van de beledigde, aan de waarde van zijn persoon, zijn stand en kwaliteiten. Welnu, door de zonde beledigt de mens God. Het schepsel verloochent zijn Schepper.

Maar God is Liefde (1 Joh. 4, 8). De afgrond van boosheid, door de zonde teweeggebracht, is overwonnen door een oneindige Liefde. God laat de mensen niet in de steek. Volgens Gods heilsplan waren de offers van het Oude Verbond ontoereikend om onze zonden uit te boeten, om de verloren eenheid te herstellen. Nodig was de overgave van een mens die God was. Om enigszins dat onpeilbaar mysterie te benaderen, kunnen wij ons voorstellen dat de heilige Drie-eenheid in beraad gaat, steunend op haar onverbrekelijke en intieme liefdesband; en dat van eeuwigheid besloten werd, dat de Enige Zoon van God ons menselijk bestaan aanneemt, met al onze ellende en smarten, om met spijkers aan een stuk hout genageld te sterven.

Het vurige verlangen om het reddend besluit van God de Vader uit te voeren, vervulde heel het leven van Christus, vanaf zijn geboorte in Betlehem. Tijdens de drie jaar waarin de leerlingen met Hem leefden, hoorden zij Hem zonder ophouden zeggen dat het zijn voedsel was de wil te doen van Degene die Hem zond (vgl. 4, 34), totdat zijn offer voltooid was op de middag van de eerste Goede Vrijdag. Toen boog Hij zijn hoofd en gaf de geest (Joh. 19, 30). Met die woorden beschrijft de apostel Johannes ons de dood van Christus. Onder het gewicht van het Kruis en de schuld van alle mensen sterft Jezus voor onze zware en schandelijke zonden.

Ik vraag u te mediteren over onze Heer, van hoofd tot voeten gewond uit liefde tot ons. Met een zin die de werkelijkheid benadert, kunnen wij met een geestelijke schrijver van eeuwen geleden zeggen: Het Lichaam van Jezus is een toonbeeld van smarten. Bij het zien van de Christus in zijn verscheurdheid, wiens Lichaam levenloos van het Kruis wordt afgenomen en toevertrouwd aan zijn Moeder; bij het zien van die vernietigde Jezus zou men tot de conclusie kunnen komen dat dit tafereel het duidelijkste bewijs van een nederlaag is. Waar zijn de massa's die Hem volgden, waar het Koninkrijk dat Hij had aangekondigd? En toch is het geen nederlaag, maar een overwinning. Nu is het ogenblik van de verrijzenis dichterbij dan ooit; het ogenblik waarop de heerlijkheid zich openbaart die Hij door zijn gehoorzaamheid heeft veroverd.


96

De dood van Christus roept ons tot de volheid van het christelijk leven

Wij hebben ons het drama op Kalvarië weer voor de geest geroepen, het drama dat ik de eerste en oorspronkelijke Mis zou durven noemen, opgedragen door Jezus Christus zelf. God de Vader levert zijn Zoon uit aan de dood. Jezus, de eniggeboren Zoon, omarmt het hout waaraan men Hem terechtstelt en zijn offer wordt door de Vader aangenomen. Als vrucht van het Kruis stort de heilige Geest zich uit over de mensheid (vgl. Rom. 3, 24 ev.; Hebr. 10, 5 ev.; Joh. 7, 39).

In de tragedie van de Passie komen ons eigen leven en de geschiedenis van heel de mensheid tot vervulling. De Goede Week kan niet worden teruggebracht tot een simpele herinnering, want zij brengt ons het mysterie van Jezus Christus voor de geest dat zich voortzet in onze zielen. De christen is verplicht om alter Christus, ipse Christus, een andere Christus, Christus zelf te zijn. Door het doopsel zijn we allen aangesteld tot priesters van ons eigen bestaan om geestelijke offers te brengen, aangenaam aan God door Jezus Christus (1 Petr. 2, 5), zodat wij al onze daden verrichten in de geest van gehoorzaamheid aan Gods wil. Op deze wijze zetten wij de zending van de God-Mens voort.

Juist tegen deze achtergrond wordt de slechtheid van onze zonden bijzonder duidelijk. Toch mag de overweging hiervan ons niet ontmoedigen en ons ook niet brengen tot de sceptische houding van hen die hun idealen hebben prijsgegeven. Want de Heer wil ons zoals we zijn, opdat we deelnemen aan zijn leven, strijdend om heilig te worden. Heiligheid: hoe vaak spreken wij dat woord niet uit als was het een leeg omhulsel! Voor veel mensen is zij zelfs een onbereikbaar ideaal, een loze kreet van de ascetiek, maar geen concreet doel, geen levende werkelijkheid. Heel anders dachten de eerste christenen, die elkaar vaak en heel vanzelfsprekend met “heiligen” aanspraken: alle heiligen groeten u (Rom. 16, 15), groet alle heiligen in Christus Jezus (Fil. 4, 21).

Met de Calvarieberg voor ogen, nu Jezus al gestorven is maar de heerlijkheid van zijn overwinning nog niet heeft getoond, nu hebben wij een goede gelegenheid ons dieper te bezinnen op ons verlangen naar christelijk leven en heiligheid. Nu kunnen wij door een akte van geloof reageren op onze zwakheden en, vertrouwend op de macht van God, het besluit nemen om met liefde onze dagelijkse bezigheden uit te voeren.

De ervaring van de zonde moet ons brengen tot berouw, tot een meer doordacht en vast besluit om trouw te zijn en ons echt met Christus te vereenzelvigen en ook om kost wat kost de priesterlijke zending ten uitvoer te brengen, die Hij aan al zijn leerlingen zonder uitzondering heeft toevertrouwd en die ons ertoe aanzet om zout en licht voor de wereld te zijn (vgl. Mt. 5, 13-14).


97

Denken aan de dood van Christus moet uitlopen op het voornemen onze dagelijkse plichten met uiterste eerlijkheid op ons te nemen en het geloof dat we belijden ernstig te nemen. De Goede Week kan dus geen gewijde onderbreking zijn van een leven, dat als geheel slechts wordt bepaald door aardse motieven. De Goede Week hoort een gelegenheid te zijn om door te dringen in de diepste diepte van Gods Liefde, om die Liefde door ons woord en door ons werk aan de mensen te laten zien.

Maar de Heer stelt voorwaarden. Zo tekent sint Lucas een van Zijn verklaringen op, waaraan men niet zonder meer voorbij kan gaan: als iemand tot Mij komt zonder zijn vader, zijn moeder, zijn vrouw, zijn kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven te haten, dan kan hij mijn leerling niet zijn (Lc. 14, 26). Dat zijn harde woorden. Zeker, noch het werkwoord “haten”, noch het werkwoord “verafschuwen” drukken de eigenlijke gedachte van Jezus goed uit. De woorden van de Heer zijn in elk geval duidelijk en hard; ze kunnen niet worden teruggebracht tot een minder beminnen, zoals ze soms, verzacht en gemachtigd, worden geïnterpreteerd. Deze strenge woorden doen ons schrikken, niet omdat ze een negatieve of harde houding inhouden (want Christus die hier spreekt is dezelfde die beveelt de anderen te beminnen als onszelf, en die zijn leven geeft voor ons, mensen); maar omdat ze uitdrukken dat God niet met halfslachtigheid tevreden is. Men zou de woorden van Christus kunnen vertalen door: meer, beter beminnen. Ze eisen dat wij niet beminnen met een egoïstische liefde, met een liefde op afbetaling. Wij moeten beminnen met de liefde van God.

Daar gaat het om. Bezinnen we ons op de laatste eis van Christus: et animam suam. Het leven, de ziel zelf, dát vraagt de Heer. Als wij dwaas zijn, slechts bedacht op ons persoonlijk gemak, als wij het bestaan van de ander, zelfs van de hele wereld om ons heen alleen maar op onszelf richten, dan hebben wij niet het recht om ons christen te noemen, ons voor leerlingen van Christus te houden. Het gaat om een inzet metterdaad en in waarheid en niet om fraaie woorden (vgl. 1 Joh. 3, 18). De liefde tot God eist dat we het Kruis op ons nemen, de last van de hele mensheid op onze schouders voelen, in de omstandigheden van eigen situatie en eigen werkkring de duidelijke liefdesplannen van de Vader uitvoeren. In de passage waarop wij commentaar geven gaat Jezus verder: wie zijn kruis niet draagt en Mij niet volgt, kan mijn leerling niet zijn (Lc. 14, 27).

Laten we zonder vrees de wil van God aanvaarden. Laten we zonder aarzeling besluiten heel ons leven op te bouwen in overeenstemming met wat het geloof ons leert en van ons eist. Laten wij ervan overtuigd zijn dat wij in zo'n leven strijd moeten voeren, lijden en smart ondervinden, maar dat wij, als wij het geloof werkelijk bezitten, nooit ongelukkig zullen zijn. In het lijden, zelfs als wij belasterd worden, zullen wij een geluk proeven dat ons ertoe brengt anderen in liefde te dienen, om hen zo deelachtig te doen worden aan onze bovennatuurlijke vreugde.


98

De christen en de geschiedenis van de mensheid

Christen zijn is geen titel voor een zuiver persoonlijke voldoening: naam en inhoud wijzen naar een zending. Hierboven memoreerden we al, dat de Heer alle christenen uitnodigt om het zout en het licht van de wereld te zijn. De heilige Petrus herhaalt deze opdracht en beschrijft hem met woorden die hij ontleent aan het Oude Testament: gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk, bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht (1 Petr. 2, 9).

Christen zijn is niet iets bijkomstigs; het is een goddelijke werkelijkheid die in het diepst van ons leven verankerd is, die ons een heldere visie geeft en de vaste wil om te handelen zoals God het wil. Zo begrijpen we dat de pelgrimstocht van de christen in de wereld een voortdurende dienst moet worden die steeds verschillend is naar gelang ieders omstandigheden, maar altijd uit liefde tot God en tot de naaste. Christen zijn is handelen zonder kleingeestig te denken aan eigen prestige of eerzucht, noch aan doelstellingen die meer nobel zouden kunnen zijn, zoals liefdadigheid of medelijden met de ellende van anderen. Christen zijn is: tot de laatste, radicale consequentie gaan van de liefde die Jezus Christus heeft getoond door te sterven voor ons.

Meer dan eens laat iemands levenshouding zien dat hij nog niet doorgedrongen is in dit mysterie van Jezus. Bijvoorbeeld de houding van hen die het christendom beleven als een verzameling vrome praktijken of daden, zonder verband met de situaties van het dagelijks leven, zonder in te gaan op de dringende noodzaak tegemoet te komen aan de behoeften van de ander en te trachten paal en perk te stellen aan het onrecht dat die ander lijdt.

Ik moet zeggen dat mensen met deze mentaliteit nog niet begrijpen wat het zeggen wil dat de Zoon van God mens geworden is, dat Hij een lichaam heeft aangenomen, een menselijke ziel en een menselijke stem. Zo iemand heeft nog niet begrepen dat Hij heeft deelgenomen aan ons lot, zelfs zozeer dat Hij de laatste vernietiging, die van de dood, heeft willen ondergaan. Sommige mensen beschouwen Christus, misschien zonder het te weten, als een vreemdeling onder de mensen.

Anderen daarentegen neigen tot de mening dat, om menselijk te zijn, men sommige centrale aspecten van het christelijk dogma moet afzwakken. Zij doen alsof gebedsleven en voortdurende omgang met God een vlucht zijn voor hun eigen verantwoordelijkheid, een verlaten van de wereld. Zij vergeten dat het juist Jezus is, die ons de maat van de liefde en de dienstbaarheid doet kennen. Pas als wij proberen de geheimen van Gods liefde, een liefde die tot de dood gaat, te begrijpen, zullen wij ons helemaal aan anderen kunnen geven, zonder ons te laten meeslepen door moeilijkheden of onverschilligheid.


99

Het geloof in de gestorven en verrezen Christus, die aanwezig is in alle omstandigheden en ieder ogenblik van ons leven, verlicht ons geweten en zet ons ertoe aan met alle kracht deel te nemen aan de opgaven en problemen van de menselijke geschiedenis. In die geschiedenis, begonnen met de schepping van de wereld en eindigend bij de voltooiing van de eeuwen, is de christen geen zwerver zonder vaderland. Hij is een burger van de stad der mensen. met een ziel vol verlangen naar God, wiens liefde hij nu al begint te ontwaren. In die liefde herkent hij het doel, waartoe alle mensen geroepen zijn.

Als mijn persoonlijk getuigenis enig belang heeft, kan ik zeggen dat ik mijn werk van priester en zielenherder altijd heb opgevat als de opdracht ieder mens afzonderlijk de eisen van zijn leven volledig onder ogen te brengen, door hem te helpen ontdekken wat God concreet van hem vraagt. Hierbij heb ik ervoor gewaakt nooit ofte nimmer de onafhankelijkheid en de individuele verantwoordelijkheid aan te tasten, die de kenmerken zijn van een christelijk geweten. Deze handelwijze komt voort uit het respect voor de draagkracht van de geopenbaarde waarheid en uit liefde voor de menselijke vrijheid. Ik kan eraan toevoegen dat die handelwijze ook gebaseerd is op de zekerheid dat de geschiedenis niet vastligt, maar openstaat voor velerlei mogelijkheden die God niet wil inperken.

Christus volgen betekent niet wegvluchten in de kerk en zijn schouders ophalen voor de ontwikkeling van de maatschappij, voor de successen en afdwalingen van mensen en volken. Integendeel, het christelijk geloof brengt ons ertoe de wereld te zien als een schepping van de Heer en dus alles wat edel en mooi is te waarderen. Het brengt ons tot de erkenning van de waardigheid van elke mens afzonderlijk als beeld van God. Het brengt ons tot bewondering voor die heel bijzondere gave van de vrijheid, waardoor wij meester zijn van onze eigen daden en met de hulp van de hemel ons eeuwig heil kunnen verwerkelijken.

Zwaaien met een politiek-religieuze vlag om in naam van wie weet welke goddelijke opdracht allen te veroordelen die niet hetzelfde denken als wij over problemen die van nature voor vele en uiteenlopende oplossingen vatbaar zijn, zou betekenen dat het geloof verengd werd, gereduceerd tot een aardse ideologie.


100

De diepere zin van Christus' dood

Met mijn uitweiding van zoëven wil ik niets anders dan een centrale waarheid in het volle licht stellen: de waarheid dat het christelijk leven zijn zin in God vindt. De mensen zijn niet alleen geschapen om een rechtvaardige wereld op te bouwen. Wij zijn ook op de aarde geplaatst om in gemeenschap te treden met God zelf. Jezus heeft ons noch het aards gemak noch de aardse glorie beloofd, maar het huis van God de Vader, die op ons wacht op het einde van de weg (vgl. Joh. 14, 2).

In de liturgie van Goede Vrijdag vinden wij een prachtige hymne: Crux fidelis. Deze hymne nodigt ons uit de glorierijke strijd van de Heer, de overwinning van het Kruis, de triomf van Christus te bezingen en te vieren. De Verlosser van het heelal overwint door zijn offer. God, de Heer van al het geschapene, maakt ons zeker van zijn aanwezigheid, niet door de kracht van wapenen noch door de aardse macht van de zijnen, maar door de grootheid van zijn oneindige liefde.

De Heer vernietigt de vrijheid van de mens niet. Integendeel, Hij heeft ons juist vrijgemaakt. Daarom wil Hij geen gedwongen antwoorden, maar beslissingen die voortkomen uit het diepst van ons hart. En Hij verwacht van ons, christenen, dat wij zó leven dat zij die ons kennen, boven onze armzaligheden, dwalingen en gebreken uit, de echo vernemen van het liefdesdrama van Kalvarië. Alles wat wij bezitten hebben wij van God ontvangen om zout te zijn dat smaak geeft, licht dat de mensen de Blijde Boodschap brengt van Hem die onze Vader is en ons bovenmate liefheeft. De christen is zout en licht voor de wereld, niet omdat hij zal overwinnen of triomferen, maar door zijn getuigenis van Gods liefde. Hij zal geen zout zijn als hij niet deugt om te zouten, geen licht als hij door woord en voorbeeld geen getuigenis aflegt van Jezus, als hij dus verliest wat voor hem de reden van zijn bestaan is.


101

Het is nu de tijd om goed tot ons door te laten dringen wat Christus' dood ons openbaart, zonder te blijven staan bij uiterlijke vormen of gemeenplaatsen. Wij moeten werkelijk trachten door te dringen tot de diepste betekenis van de taferelen die wij in deze dagen opnieuw doorleven: de smart van Jezus, de tranen van zijn Moeder, de vlucht van de leerlingen, de moed van de heilige vrouwen, de durf van Jozef van Arimatea en Nicodemus, die Pilatus om het Lichaam van de Heer vragen.

Kortom, laten wij dichterbij komen bij de gestorven Jezus, bij het Kruis dat tegen de hemel afsteekt op de top van Golgota. Maar laten wij oprecht en ingekeerd naderen wat een teken van christelijke rijpheid is. Zo zullen de gebeurtenissen van het Lijden - zo goddelijk en menselijk tegelijk - dóórdringen in onze ziel als woorden die God tot ons richt om in ons binnenste te openbaren, wat Hij van ons verwacht.

Jaren geleden heb ik een schilderij gezien dat diep in mijn herinnering gegrift gebleven is. Het stelde het Kruis van Christus voor met drie engelen ernaast. De ene weende bittere tranen, de andere had een spijker in zijn hand, alsof hij er zich van wilde overtuigen dat dit alles werkelijkheid was, de derde was in gebed verzonken. Een altijd actueel programma voor ieder van ons: wenen, geloven en bidden.

Laten wij aan de voet van het Kruis berouw hebben over onze zonden, over de zonden van de mensheid, die Jezus naar de dood voerden. Laten wij ons geloof verlevendigen om door te dringen in die sublieme waarheid die alle begrip te boven gaat en om ons te verwonderen over de liefde van God. Laten we bidden, opdat het leven en de dood van Christus het model en de stimulans mogen worden van ons leven en onze edelmoedigheid. Zo alleen zullen wij ons overwinnaars kunnen noemen, omdat de verrezen Christus in ons zal overwinnen en de dood zal veranderen in leven.


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende