Als Christus nu langs komt > Christus' tegenwoordigheid in de Christenen > Hst 11
102

Homilie gehouden op 26 maart 1967 (Paaszondag)

Christus leeft. Dat is de waarheid die ons geloof inhoud geeft. Jezus, die aan het kruis stierf, is verrezen. Hij heeft de dood overwonnen, heeft gezegevierd over de machten van de duisternis, over de pijn en de angst. Weest niet bevreesd. Deze groet richtte de engel aan de vrouwen die naar het graf gingen: weest niet bevreesd! Gij zoekt Jezus van Nazaret, de gekruisigde. Hij is verrezen, Hij is niet hier (Mc. 16, 6, Evangelie van de Mis van Paaszondag). Haec est dies quam fecit Dominus, exultemus et laetemur in ea (Ps. 117, 24, Graduale van dezelfde Mis): dit is de dag die de Heer heeft gemaakt, laat ons dus jubelen en vrolijk zijn.

De Paastijd is een tijd van vreugde, een vreugde die niet beperkt blijft tot deze periode van het liturgisch jaar, maar die het hart van de christen blijvend vervult. Want Christus leeft, Christus is niet iemand die ooit geleefd heeft, voorbijgegaan en verdwenen is, en die ons slechts een wonderbare herinnering en een ontroerend voorbeeld heeft nagelaten.

Nee, Christus leeft. Jezus is de Emmanuel: God met ons. Zijn Verrijzenis getuigt dat God de zijnen niet in de steek laat. Kan een vrouw haar zuigeling vergeten? Een moeder de zoon van haar schoot? En al zou ook zij hem vergeten, Ik, Ik vergeet u nooit! (Jes. 49, 14-15). Zo had God het beloofd. En Hij heeft zijn belofte ingelost. God vindt steeds zijn vreugde onder de mensenkinderen (vgl. Spr. 8, 31).

Christus leeft in zijn Kerk. “Ik zeg u de waarheid: het is goed voor u dat Ik heenga. Want als Ik niet heenga, dan komt de Trooster niet bij u. Als Ik echter heenga, dan zal Ik Hem u zenden” (Joh. 16, 7). Dat was het plan van God: door zijn dood aan het Kruis gaf Christus ons de Geest van de Waarheid, de Geest van het Leven. Christus leeft voort in zijn Kerk, in haar sacramenten, in haar liturgie, in haar verkondiging, in al haar doen en laten.

Vooral blijft Christus onder ons tegenwoordig in de heilige eucharistie, waar Hij zich elke dag aan ons wil geven. Daarom is de heilige Mis het centrum en de wortel van het christelijk leven. In iedere Mis is altijd Christus in zijn totaliteit aanwezig, Hoofd en Lichaam. Per Ipsum, et cum Ipso, et in Ipso. Want Christus is de weg, de middelaar. In Hem vinden wij alles, zonder Hem blijft ons leven leeg. In Christus, en door Hem onderwezen, durven wij zeggen - audemus dicere - Pater noster, onze Vader. Wij durven de Heer van hemel en aarde Vader te noemen.

De tegenwoordigheid van de levende Christus in de heilige Hostie is onderpand, oorsprong en voltooiing van zijn tegenwoordigheid in de wereld.


103

Christus leeft in de christen. Het geloof zegt ons dat de mens in staat van genade vergoddelijkt is. Wij zijn mensen, geen engelen, schepselen van vlees en bloed, met een hart vol hartstochten, vol vreugde en smart. Maar de vergoddelijking wordt voor de hele mens effectief als een vooruitlopen op zijn glorierijke verrijzenis. Nu echter is Christus uit de doden opgestaan. Hij is de eersteling der ontslapenen. Door een mens is de dood gekomen. Door een mens komt de opstanding der doden. Want zoals in Adam allen aan de dood zijn overgeleverd, zo zullen in Christus allen het leven hebben (1 Kor. 15, 20-21).

Het leven van Christus is ons leven, juist zoals het aan de apostelen werd beloofd bij het Laatste Avondmaal: wie Mij bemint, bewaart mijn woord: mijn Vader zal hem beminnen en Wij zullen bij hem komen en verblijf bij hem nemen (Joh. 14, 23). De christen moet daarom leven zoals Christus leefde, voelen als Christus, zodat hij met de heilige Paulus kan uitroepen: non vivo ego, vivit vero in me Christus (Gal. 2, 20), niet ik leef, maar Christus leeft in mij.


104

Christus, fundament van het christelijk leven

Ik wil u nu graag, zij het heel beknopt, herinneren aan enige aspecten van dit actuele leven van Christus - Jesus Christus heri et hodie: ipse et in saecula - Jezus Christus, gisteren en vandaag: dezelfde in eeuwigheid (Hebr. 13, 8), want hier ligt het fundament van heel het christelijk leven. Als wij om ons heen kijken en het verloop van de geschiedenis van de mensheid beschouwen, zien wij heel wat vooruitgang. De wetenschap heeft de mens een helder bewustzijn van zijn macht gegeven. De techniek beheerst de natuur beter dan in vroegere tijden en laat de mensheid dromen van een hogere cultuur, een grotere welvaart en een sterkere eenheid.

Sommigen willen misschien een genuanceerder beeld. Waarschijnlijk vinden zij dat de mensen tegenwoordig, meer nog dan vroeger, te lijden hebben van onrecht en oorlog. Zij hebben geen ongelijk. Maar boven deze gedachten uitstijgend herinner ik er liever aan, dat in de religieuze dimensie de mens mens blijft en God God. Hier is het toppunt van de vooruitgang reeds bereikt: Christus, Alfa en Omega: begin en einde (Apok. 21, 6).

In het geestelijk leven is er dus geen nieuwe, toekomstige tijd meer. Alles is reeds in Christus gegeven, die stierf en verrees en leeft en voor altijd blijft. Maar het is nodig zich met Hem in geloof te verenigen en zijn leven in ons te laten blijken, opdat men kan zeggen dat iedere christen niet slechts alter Christus is, maar ipse Christus, Christus zelf!


105

Instaurare omnia in Christo (Ef. 1, 10), dat is het parool van de heilige Paulus aan de Efeziërs. De hele wereld met de geest van Jezus doordringen, Christus in het middelpunt van alle dingen plaatsen. Si exaltatus fuero a terra, omnia traham ad meipsum (Joh. 12, 32): als Ik boven de aarde verheven ben, zal Ik alles tot Mij trekken. Door zijn menswording en zijn leven van arbeid in Nazaret, door zijn prediking en zijn wonderen in de streken van Judea en Galilea, door zijn dood aan het kruis en zijn verrijzenis is Christus het middelpunt van de schepping, de Eerstgeborene en de Heer van alle schepselen.

Onze taak als christen is, deze heerschappij van Christus door onze woorden en werken te verkondigen. De Heer wil de zijnen op alle kruispunten van de aarde hebben. Sommigen roept Hij naar de eenzaamheid, opdat ze verre blijven van de drukte van de wereld en zo voor de andere mensen getuigenis afleggen dat God bestaat. Anderen vertrouwt Hij het priesterambt toe. De meesten wil Hij midden in de wereld en in de aardse dingen hebben. Daarom moeten deze christenen Christus overal uitdragen waar mensen werken: in de fabrieken, het laboratorium en de werkplaats, op het veld, in de drukke straten van de grote stad en op de eenzame bergpaden.

Hier denk ik graag aan het gesprek van Jezus met de leerlingen van Emmaüs. Christus is onderweg met deze twee mensen die bijna alle hoop verloren hebben en wier leven zinloos dreigt te worden. Hij begrijpt hun smart, dringt binnen in hun hart en laat hen deelnemen aan het leven dat in Hem woont.

Als ze het dorp bereiken, doet Jezus alsof Hij verder wil gaan. De beide leerlingen houden Hem tegen en dringen aan om te blijven. Dan herkennen ze Hem bij het breken van het brood. De Heer was bij ons, roepen ze uit. En ze zeiden tot elkaar: brandde ons hart niet in ons, toen Hij onderweg met ons sprak en ons de Schrift verklaarde? (Lc. 24, 32). Iedere christen moet Christus onder de mensen tegenwoordig stellen. Hij moet zo handelen, dat zijn medemensen de bonus odor Christi (vgl. 2 Kor. 2, 15), de goede geur van Christus bespeuren; dat door de werken van de leerling het gelaat van de Meester schijnt.


106

De christen weet dat hij door het doopsel in Christus wordt ingelijfd en door het vormsel in staat wordt gesteld om voor Christus te strijden. Hij weet zich geroepen om door zijn deelname aan het koninklijk, profetisch en priesterlijk ambt van Christus in de wereld te werken. Hij weet zich één met Christus door de eucharistie, het sacrament van eenheid en liefde. Daarom moet hij evenals Christus de andere mensen voor ogen hebben, allen die hem omgeven. Daarom moet hij van ieder van hen afzonderlijk houden, ja van de hele mensheid.

Door het geloof worden wij ertoe gebracht, in Christus God te erkennen, in Hem onze Heiland te zien, ons met Hem te verenigen door te handelen als Hij. Nadat de Verrezene de twijfels van de apostel Thomas had weggenomen en hem Zijn wonden had getoond, riep Hij uit: zalig zij die niet zien en toch geloven (Joh. 20, 29). Gregorius de Grote merkt daarbij op: deze woorden zijn speciaal tot ons gericht, want wij bezitten Hem, die wij lichamelijk niet gezien hebben, op geestelijke wijze. Het gaat om ons, maar op voorwaarde dat onze handelingen in overeenstemming zijn met ons geloof. Slechts hij gelooft werkelijk die door zijn werken zijn geloof in daden omzet. Daarom zegt de heilige Paulus van hen wier geloof slechts uit lege woorden bestaat: zij beweren wel dat ze God kennen, maar ze verloochenen Hem door hun werken (H. Gregorius de Grote, In Evangelia homiliae, 26, 9 [PL 76, 1202]).

Men kan het God-Mens zijn van Christus niet scheiden van zijn werk als Verlosser. Het Woord werd vlees en kwam op de wereld ut omnes homines salvi fiant (vgl. 1 Tim. 2, 4), om alle mensen te redden. Ondanks onze armzaligheid, onze persoonlijke zwakheden, zijn wij een andere Christus, Christus zelf. Want ook wij zijn geroepen om alle mensen te dienen.

Steeds weer moet dat gebod van Christus klinken, dat alle eeuwen dóór altijd nieuw zal blijven. Wij lezen bij de heilige Johannes: Geliefden, het is geen nieuw gebod waarover ik u schrijf, maar een oud gebod, dat gij van het begin af hebt gehad. Dit oude gebod is niets anders dan het Woord dat gij gehoord hebt. Toch is het ook weer een nieuw gebod, bewaarheid in Hem en in u; want de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt reeds. Wie zegt in het licht te zijn en zijn broeder haat, die is nog steeds in duisternis. Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en hij komt niet ten val (1 Joh. 2, 7-10).

De Heer kwam om alle mensen de vrede, de blijde boodschap en het leven te brengen. Niet alleen aan de rijken en niet alleen aan de armen. Niet alleen aan de geleerden en niet alleen aan de eenvoudigen; nee, aan iedereen. Aan alle broeders en zusters, want als kinderen van God zijn wij broers en zusters van eenzelfde Vader. Er is dus maar één volk, het volk van de kinderen Gods. Er is maar één huidskleur: de kleur van de kinderen Gods. En er is maar één taal: een taal die tot het hart en het verstand spreekt, zonder woorden, maar zo dat die ons God doet kennen en ons aanspoort om elkaar lief te hebben.


107

Beschouwing van het leven van Christus

Voor de verwezenlijking van deze liefde van Christus moet ieder van ons zich in zijn eigen leven inspannen. Maar om ipse Christus te zijn, moeten wij ons in Hem zien. Het is niet voldoende een algemeen beeld van Christus te hebben. Integendeel, wij moeten van Hem leren hoe ons gedrag moet zijn, zowel in het algemeen als in concrete gevallen. Vooral moeten wij zijn levenshouding op aarde beschouwen en zijn sporen nagaan om daaruit kracht, licht, rust en vrede te halen.

Als men van iemand houdt, wil men alles tot in de kleinste bijzonderheden over zijn bestaan en zijn karakter weten om zich met hem te kunnen identificeren. Daarom moeten wij de levensgeschiedenis van Jezus beschouwen, vanaf zijn geboorte in een kribbe tot aan zijn dood en zijn verrijzenis. In de eerste jaren van mijn werk als priester schonk ik dikwijls exemplaren van het Evangelie weg of boeken die het leven van Christus beschrijven. Want het is nodig zijn leven goed te kennen, het helemaal in ons hoofd en hart te dragen, zodat wij het ieder ogenblik zonder hulp van een boek met onze ogen dicht als een film voor ons geestesoog kunnen laten voorbijgaan, zodat de woorden en daden van de Heer ons vergezellen in de verschillende situaties van het leven.

Zo zullen wij zijn leven meeleven. Want het gaat er niet alleen om, aan Jezus te denken, ons deze beelden voor de geest te roepen: wij moeten er als het ware inkruipen, actief eraan deelnemen. Dan zullen wij Christus zo van dichtbij volgen als Maria, zijn Moeder, als de eerste twaalf, als de vrome vrouwen en de menigte die Hem omstuwde. Als wij zo handelen en Christus geen hindernissen in de weg leggen, zullen zijn woorden doordringen tot in ons diepste wezen en ons volledig veranderen. Want Gods woord is levend, werkzaam en scherper dan een tweesnijdend zwaard. Het dringt door, tot het ziel en geest, merg en been van elkaar scheidt. Het is een rechter over de gedachten en bedoelingen van het hart (Hebr. 4, 12).

Als wij de andere mensen bij Christus willen brengen, moeten wij het Evangelie nemen en de liefde van Christus beschouwen. Wij zouden ons bijvoorbeeld de beslissende beelden van zijn lijden voor de geest kunnen halen. Want, zoals Hij zelf zei: niemand heeft grotere liefde dan hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden (Joh. 15, 13). Maar wij kunnen ook andere episodes uit zijn leven beschouwen, hoe Hij omging met de mensen die bij Hem kwamen.

Om de heilsboodschap binnen het bereik van de mensen te brengen en hun de liefde Gods te openbaren, heeft Christus, volmaakt God en volmaakt Mens, op menselijke en goddelijke wijze gehandeld. God komt de mens tegemoet. Zonder voorbehoud neemt Hij onze natuur aan, behalve de zonde.

Ik voel een diepe blijdschap bij de gedachte dat Christus volledig mens wilde zijn, mens van vlees en bloed zoals wij. Het wonder, dat God met het hart van een mens bemint, dat grijpt mij aan.


108

Bij enige van de vele beelden, die de evangelisten ons vertellen, willen we een ogenblik stil blijven staan. Laten we beginnen met de beschrijvingen van Jezus temidden van de twaalf apostelen. De apostel Johannes, uit wiens Evangelie de ervaring van een heel leven blijkt, verhaalt met een onvergetelijke betovering dat eerste gesprek: meester, waar woont U? Hij antwoordde hun: komt en ziet. Ze gingen met Hem mee en zagen waar Hij woonde en bleven die dag bij Hem (Joh. 1, 38-39).

Het was een goddelijke en tegelijk menselijke dialoog, die het leven van Johannes en van Andreas, Petrus en Jakobus en zoveel anderen veranderde, en die hun harten voorbereidde om het gebiedende woord op te nemen dat Jezus aan het Meer van Galilea tot hen richtte: toen Hij langs het meer van Galilea wandelde, zag Hij twee broers, Simon die Petrus genoemd werd en zijn broer Andreas hun net in zee uitwierpen. Ze waren vissers. Hij sprak tot hen: volgt mij! Ik zal van jullie mensenvissers maken. Onmiddellijk lieten ze hun netten in de steek en volgden Hem (Mt. 4, 18-20).

De volgende drie jaar brengen de leerlingen aan Jezus' zijde door. Hij kent hen, antwoordt op hun vragen, heft hun twijfels op. Hij is de Rabbi, de Leraar die met gezag spreekt, de door God gezonden Messias. Maar Hij is tegelijkertijd toegankelijk, niet op een afstand. Op zekere dag trekt Jezus zich terug om te bidden. De leerlingen waren in de buurt. Misschien keken ze naar Hem en probeerden ze zijn woorden te raden. Als Jezus terugkomt, vraagt één van zijn leerlingen Hem: Domine, doce nos orare, sicut docuit et Ioannes discipulos suos: Heer, leer ons bidden zoals ook Johannes zijn leerlingen heeft leren bidden. Toen sprak Hij tot hen: als gij bidt, zegt dan: Vader, Uw naam worde geheiligd... (Lc. 11, 1-2).

Met goddelijk gezag en tevens vol menselijke genegenheid ontvangt de Heer de apostelen die, verbaasd over de vruchten van hun eerste zending, Hem verslag doen over de eerste successen van hun apostolaat: komt allen mee naar een eenzame plaats en rust wat uit (Mc. 6, 31).

Een tafereel dat daar sterk op lijkt herhaalt zich tegen het einde van Jezus' aardse leven, kort voor zijn hemelvaart: Toen het eerste morgenlicht al begon te schemeren, stond Jezus aan de oever. Maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was. Toen sprak Jezus tot hen: kinderen, hebben jullie iets te eten? Die als mens gevraagd heeft, spreekt nu als God: werpt het net aan de rechterkant van de boot uit, dan zullen jullie iets vinden. Ze wierpen het uit en konden het niet meer ophalen, zoveel vissen zaten erin. Toen zei de leerling van wie Jezus veel hield, tot Petrus: het is de Heer.

En God wacht op hen aan de oever. Toen ze nu aan land gingen, zagen ze een kolenvuur aangelegd met een vis erboven en brood er bij. Jezus sprak tot hen: brengt van de vissen die jullie juist gevangen hebben. Toen stapte Simon Petrus in de boot en trok het net aan land, gevuld met honderd drie en vijftig grote vissen. En ofschoon het er zoveel waren, scheurde het net niet. Toen sprak Jezus tot hen: komt voor het morgenmaal. Geen van de leerlingen durfde vragen: wie bent U? Zij wisten immers dat het de Heer was. Jezus kwam nu naar voren, nam het brood en reikte het hun toe, evenals de vis (Joh. 21, 5-13).

Van deze fijngevoeligheid en deze liefde geeft Jezus niet alleen blijk tegenover een kleine groep leerlingen, maar tegenover iedereen: de vrome vrouwen, de vertegenwoordigers van de Hoge Raad zoals Nicodemus, tegenover tollenaars zoals Zacheus, tegenover zieken en gezonden, schriftgeleerden en heidenen, individuele personen en mensenmassa's.

Het Evangelie verhaalt ons dat Jezus niets had om zijn hoofd op te leggen, maar het vertelt ons ook dat Hij geliefde en vertrouwde vrienden bezat, die Hem in hun huis wilden opnemen. Het verhaalt van zijn medelijden met de zieken, van zijn verdriet over de onwetenden en dwalenden, van zijn wrevel om de huichelarij. Jezus huilt om de dood van Lazarus, Hij ontsteekt in woede tegenover de handelaars die de tempel ontwijden. En het leed van de weduwe van Naïm gaat Hem ter harte.


109

Elk van deze menselijke gebaren is tevens een gebaar van God. In Jezus woont wezenlijk heel de volheid der Godheid (Kol. 2, 9). Christus is God die mens geworden is, volmaakt mens, door en door. En juist in het menselijke laat Hij ons het goddelijke herkennen.

Als wij ons de menselijke fijngevoeligheid van Christus voor de geest halen, die zijn leven laat opbranden ten dienste van de anderen, dan zijn wij niet zo maar een karaktertrek aan het beschrijven. Nee, dan zijn wij bezig God zelf te ontdekken. Ieder werk van Christus heeft een transcendente betekenis: het doet ons kennen hoe God is, het nodigt ons uit om in zijn liefde te geloven die ons geschapen heeft en die ons wil laten deelnemen aan zijn diepste wezen. Ik heb uw naam verkondigd aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Ze waren van U. Gij hebt ze Mij gegeven en ze hebben uw woord onderhouden. Nu weten ze dat alles wat Gij Mij gegeven hebt van u komt (Joh. 17, 6-7), riep Jezus uit in het lange gebed dat de evangelist Johannes ons heeft overgeleverd.

Daarom blijft het optreden van Jezus niet beperkt tot alleen maar woorden en oppervlakkige gebaren. Jezus neemt de mens serieus en Hij wil hem de goddelijke betekenis van het leven duidelijk maken. Jezus stelt eisen en wijst ieder afzonderlijk op zijn plichten. Hij schudt zijn toehoorders wakker uit hun gemakzucht en hun gebrek aan moed. Zo voert Hij hen tot de driemaal heilige God. Hij ontfermt zich over de hongerenden en lijdenden, maar vooral over de onwetenden. Toen Jezus aan wal stapte, zag Hij een grote menigte. Hij werd door medelijden vervuld, want ze waren als schapen zonder herder. En Hij leerde hun vele dingen (Mc. 6, 34).


110

Toepassing op ons dagelijks leven

Wij hebben een paar plaatsen uit het Evangelie genomen om Jezus te beschouwen in zijn omgang met de mensen en om te leren Hem naar onze naasten te brengen door zelf Christus te worden. Laten we deze lering nu op ons dagelijks leven toepassen. Want het alledaagse gewone leven onder onze medemensen is niet afgestompt en plat. Dit is precies de plaats waar volgens de wil van de Heer de meesten van zijn kinderen zich moeten heiligen.

We moeten er steeds weer op wijzen dat Jezus zich niet richtte tot enkele bevoorrechte personen. Hij is op de eerste plaats gekomen om de allesomvattende liefde van God te openbaren. God houdt van alle mensen. Van allen verwacht Hij liefde. Van iedereen, welke persoonlijke eigenschappen, maatschappelijke rang, beroep of ambt men ook heeft. Het gewone alledaagse leven is geen onbeduidende zaak. Alle wegen op aarde kunnen aanleiding zijn tot een ontmoeting met Christus, die ons oproept om één met Hem te worden, om zijn goddelijke opdracht te vervullen, waar wij ons ook bevinden.

God roept ons door alles wat er in het dagelijks leven gebeurt, door de vreugde en het leed van onze medemensen, door de aardse zorgen van onze vrienden en kennissen, door de vele kleine dingen van het gezinsleven. En God roept ons ook door de grote problemen, conflicten en taken die een stempel zetten op de geschiedenis, die de hoop en de inspanning van een groot deel van de mensheid gevangen houden


111

Hoe begrijpelijk zijn het ongeduld, de beklemming en de onstuimige wensen van hen die zich met hun van nature christelijke ziel (vgl. Tertullianus, Apologeticus, 17 [PL 1, 375]) niet willen neerleggen bij de individuele en sociale ongerechtigheid, die het menselijk hart kan voortbrengen. Zoveel eeuwen al leven de mensen samen en nog altijd is er zoveel haat, zoveel verwoesting, zoveel fanatisme in ogen die niet willen zien en in harten die niet willen liefhebben.

De rijkdommen der aarde, verdeeld onder een paar mensen...., de cultuurgoederen aan een kleine kring voorbehouden. En daarbuiten honger naar brood en kennis... menselijk leven dat heilig is, omdat het van God komt- en dat behandeld wordt als een louter ding, als getallen van een statistiek. Ik begrijp en deel dat ongeduld dat mij ertoe drijft naar Christus op te zien, die ons voortdurend aanspoort om dat nieuwe gebod van de liefde te verwezenlijken.

Alle situaties van ons leven bergen een goddelijke boodschap in zich en eisen van ons een antwoord van liefde en overgave aan de anderen. Als de Mensenzoon in zijn heerlijkheid komt en alle engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon van zijn heerlijkheid. Alle volkeren zullen voor Hem verzameld worden. Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt. De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand, de bokken aan zijn linkerhand.

Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen: komt, gezegenden van mijn Vader. Neemt bezit van het rijk dat sinds de schepping van de wereld voor u bereid is. Want Ik was hongerig en gij hebt Mij te eten gegeven, dorstig en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik was vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd, naakt en gij hebt Mij gekleed. Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, gevangen en gij zijt bij Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem vragen: Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en u te eten gegeven, of dorstig en u te drinken gegeven? Wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien en u geherbergd? Of naakt en u gekleed? Wanneer hebben wij u ziek gezien of in de gevangenis en hebben wij u bezocht? De Koning zal hun antwoorden: waarlijk, Ik zeg u: wat gij aan een van deze geringste van mijn broeders gedaan hebt, dat hebt gij aan Mij gedaan
(Mt. 25, 31-40).

In onze broeders de mensen moeten wij Christus zien, die ons tegemoetkomt. Geen menselijk leven is geïsoleerd, maar ieder leven is met andere levens vervlochten. Geen enkel mens is als een losstaand vers, maar wij zijn wij allemaal deel van een en hetzelfde goddelijk gedicht, dat God met medewerking van onze vrijheid schrijft.


112

Er is niets dat aan de zorg van Christus vreemd is. Als wij echt theologisch denken en ons dus niet tevreden willen stellen met een louter functionele indeling, dan kunnen wij niet beweren dat er werkelijkheden zijn die uitsluitend wereldlijk zijn (of het nu goede en edele of slechts neutrale zaken betreft) nadat eenmaal het Woord Gods onder de mensen heeft vertoefd en honger en dorst heeft gevoeld en met zijn handen gewerkt heeft-; nadat God vriendschap en gehoorzaamheid, lijden en dood heeft meegemaakt. Want het heeft God behaagd, in Christus de ganse volheid te laten wonen en door Hem alles met zich te verzoenen wat op aarde en in de hemel is, door met zijn Bloed aan het kruis vrede te stichten (Kol. 1, 19-20).

Wij moeten de wereld, de arbeid, de menselijke werkelijkheden beminnen, want de wereld is goed. Het was de zonde van Adam die de goddelijke harmonie van de schepping verstoord heeft, maar God de Vader heeft zijn eniggeboren Zoon gezonden om de vrede te herstellen opdat wij, als kinderen aangenomen, de schepping uit de wanorde zouden kunnen bevrijden en alles in God kunnen verzoenen.

Iedere menselijke situatie is onherhaalbaar, de vrucht van een eenmalige roeping, die met overgave beleefd moet worden en waarin wij de geest van Christus moeten verwezenlijken. Zo zullen wij, door onder onze evenmensen christelijk te leven, zonder te willen opvallen maar trouw aan ons geloof, Christus zijn, tegenwoordig onder de mensen.


113

Bij de gedachte aan de waardigheid van de taak waartoe God ons roept, zouden aanmatiging en hoogmoed in onze ziel kunnen opkomen. Wij zien de christelijke roeping verkeerd als die ons verblindt en doet vergeten dat wij van leem zijn, van stof en ellende. Het kwaad is niet alleen in de wereld om ons heen: het kwaad is in ons, het nestelt in onze harten, het verleidt ons tot gemeenheid en egoïsme. Slechts de genade van God is een sterke rots. Wij zijn zand, drijfzand.

Als wij een blik werpen op de geschiedenis van de mensheid of de toestand van de huidige wereld bekijken, dan zien wij met smart hoe weinig mensen er zijn die zich na twintig eeuwen christenen noemen- en hoe zij die deze naam dragen, zo vaak ontrouw zijn aan hun roeping. Jaren geleden zei iemand, die wel een goed hart maar geen geloof had, voor een wereldkaart staande mij het volgende: hier blijkt de mislukking van Christus. Sinds eeuwen probeert men zijn leer in de harten van de mensen te planten en ziehier het resultaat: er zijn geen christenen!

Ook nu denken velen zo. Maar Christus is niet mislukt. Zijn woord en leven bevruchten voortdurend de wereld. Het werk van Christus, de taak die de Vader Hem heeft toevertrouwd, wordt werkelijkheid en zijn kracht stroomt met sterke polsslag door de geschiedenis en brengt het ware leven in de wereld: als alles aan Hem ondergeschikt is, zal ook de Zoon zichzelf aan Hem onderwerpen die alles onder zijn gezag heeft gebracht. Dan is God alles in allen (1 Kor. 15, 28).

God heeft gewild dat wij zijn medewerkers zijn bij het werk dat Hij in de wereld verwezenlijkt. Hij wilde het risico van onze vrijheid aangaan. Als ik het pasgeboren Kind in Betlehem beschouw, zwak, arm en weerloos, dan ben ik diep bewogen. God levert zich aan mensenhanden over. Hij daalt naar ons af en vernedert zich.

Jezus, die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd door het bestaan van een dienstknecht op zich te nemen en aan de mensen gelijk te worden (Fil. 2, 6-7). God gaat in op onze vrijheid, onze onvolmaaktheid en onze ellende. Hij laat toe dat goddelijke schatten in aarden kruiken gedragen worden, dat wij ze doen kennen in de versmelting van onze ontoereikendheid met zijn goddelijke kracht.


114

De ervaring van de zonde mag ons daarom niet laten twijfelen aan onze taak. Zeker, onze zonden kunnen het moeilijk maken Christus te herkennen. Daarom moeten wij tegen onze eigen armzaligheid vechten en zuivering zoeken. Dit echter in het bewustzijn dat God ons geen absolute zege over het kwaad in dit leven beloofd heeft, maar strijd van ons verlangt. Sufficit tibi gratia mea (2 Kor. 12, 9): mijn genade is u voldoende, was het antwoord van de Heer aan Paulus die Hem vroeg, bevrijd te worden van de vernederende angel.

De macht van God openbaart zich in onze zwakheid en drijft ons tot de strijd tegen onze zwakheden, ofschoon wij weten dat wij op aarde nooit een volledige overwinning zullen behalen. Het christelijk leven is een voortdurend beginnen en opnieuw beginnen, een dagelijkse vernieuwing.

Christus verrijst in ons als wij deel nemen aan zijn Kruis en aan zijn Dood. Wij moeten het Kruis beminnen, de overgave en de versterving. Christelijk optimisme is niet suikerzoet en ook geen puur menselijk vertrouwen dat alles wel goed zal gaan. Dit optimisme heeft zijn wortels in het bewustzijn van de vrijheid en in het geloof in de genade. Het brengt ons er toe dat wij onszelf iets weten te eisen en ons inspannen om op de roep van God ja te zeggen.

Zo openbaart Christus zich, niet ondanks onze ellende maar in zekere zin dóór onze ellende, door het leven van zwakke mensen. Hij openbaart zich in onze pogingen om beter te worden, een liefde te verwezenlijken die probeert zuiver te zijn, ons egoïsme te beheersen en ons helemaal toe te wijden aan de anderen door van ons leven een voortdurende dienst te maken.


115

Ik wil niet besluiten zonder een laatste gedachte. Als de christen Christus onder de mensen tegenwoordig stelt door zelf Christus, ipse Christus, te zijn, dan probeert hij niet alleen de liefde te beleven, maar door zijn menselijke liefde de liefde van God te laten kennen.

Jezus heeft heel zijn leven beschouwd als een openbaring van deze liefde: aan Filippus, een van zijn leerlingen, antwoordde Hij: wie Mij ziet, ziet ook de Vader (Joh. 14, 9). In de zin van deze leer nodigt de apostel Johannes de christenen uit om de liefde Gods die zij ervaren hebben, ook door hun daden te bewijzen: geliefden, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde is uit God en eenieder die liefheeft, is uit God geboren en kent God.

Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde. Hierin heeft Gods liefde zich onder ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij door Hem zouden leven. Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad en zijn Zoon gezonden als zoenoffer voor onze zonden. Geliefden, als God ons zozeer heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben (1 Joh. 4, 7-11).


116

Ons geloof moet levend zijn, het moet er werkelijk toe leiden dat wij in God geloven en in voortdurend gesprek met Hem zijn. Het leven van de christen moet een leven van voortdurend gebed zijn, een pogen om van de morgen tot de avond en van de avond tot de morgen de tegenwoordigheid van de Heer te bewaren. De christen is nooit een eenzaam mens, want hij leeft in voortdurende omgang met God die aan zijn zijde en in de hemel is.

Sine intermissione orate (1 Tess. 5, 17), luidt de eis van de apostel Paulus: bid zonder ophouden. Clemens van Alexandrië herinnert aan dit gebod wanneer hij schrijft: het is ons bevolen het Woord te aanbidden en te vereren in de overtuiging dat Hij onze Heiland en Koning is; en door het Woord aanbidden wij de Vader. En dit moeten wij niet, zoals vele anderen, slechts doen op speciaal uitgekozen dagen, maar ononderbroken het hele leven door, bij al ons doen en laten (H. Clemens van Alexandrië, Stromata, 7, 7, 35 [PG 9, 450]).

Te midden van de zorgen van alledag, op ogenblikken dat wij onze neiging tot egoïsme moeten overwinnen, of als wij ons verheugen over de vriendschap met andere mensen: steeds moet de christen God ontmoeten. Door Christus en in de heilige Geest heeft de christen toegang tot het diepste wezen van de Vader. Zo gaat hij zijn weg op zoek naar dat rijk dat niet van deze wereld is, maar dat in deze wereld begint en voorbereid wordt.

Men moet de omgang met Christus verzorgen in het Woord en in het Brood, in de eucharistie en in het gebed. Omgang als met een vriend, met een werkelijk en levend wezen, zoals Christus is want Hij is immers verrezen. In de brief aan de Hebreeën lezen wij: hier echter is iemand die in eeuwigheid blijft en daarom een onvergankelijk priesterschap heeft. Daarom kan Hij ook volmaakt diegenen redden die door Hem voor God treden. Hij leeft immers altijd om onze voorspreker te zijn (Hebr. 7, 24-25).

Christus, de verrezen Christus, is de metgezel, de vriend. Een metgezel, die slechts als door een schaduw zichtbaar wordt, maar wiens werkelijkheid ons hele leven vervult en die ons doet verlangen naar zijn definitieve tegenwoordigheid. De Geest en de Bruid moeten instemmen. Kom! Wie het hoort, die spreke: kom! Wie dorst heeft, die kome. Wie verlangen koestert, die zal om niet het water van het eeuwig leven krijgen, de eeuwige gelukzaligheid... Die dit getuigt, hij spreekt: ja, ik kom spoedig. Amen. Kom, Heer Jezus (Apok. 22, 17 en 20).


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende