 |
| 117 |
 |
Homilie gehouden op 19 mei 1966 (Hemelvaartsdag)
De liturgie houdt ons opnieuw het laatste mysterie in het leven van Jezus Christus onder de mensen voor ogen: zijn hemelvaart. Er is veel gebeurd sinds de geboorte in Betlehem: wij hebben Hem in de kribbe gezien, aanbeden door herders en koningen; wij hebben Hem aanschouwd tijdens zijn jarenlange stille arbeid in Nazaret; wij hebben Hem vergezeld langs de wegen van Palestina, terwijl Hij het Koninkrijk Gods verkondigde en allen weldeed. En later, in de dagen van zijn lijden, hebben wij meegeleden toen wij zagen hoe Hij beschuldigd werd, hoe wreed Hij werd mishandeld, met hoeveel haat Hij gekruisigd werd.
Na het lijden kwam de lichtende vreugde van de Verrijzenis. Wat is dat toch een duidelijke en vaste grond voor ons geloof! Wij zouden eigenlijk helemaal niet meer mogen twijfelen. Maar misschien zijn wij, net als de apostelen, nog zwak en vragen wij Christus op deze hemelvaartsdag: Heer, zult Gij in deze tijd het koninkrijk voor Israël weer herstellen? (Hand. 1, 6). Is het soms nu, dat onze twijfel en aarzeling eindelijk verdwijnen?
De Heer antwoordt ons op deze vraag door ten hemel op te stijgen. Evenals de apostelen zijn ook wij verbaasd en bedroefd tegelijk wanneer wij zien dat Hij ons achterlaat. Het is echt niet makkelijk gewend te raken aan de fysieke afwezigheid van Jezus. Het ontroert mij als ik eraan denk dat Hij als een groot bewijs van liefde heengegaan en gebleven is. Hij is naar de Hemel gegaan en Hij schenkt zichzelf als voedsel aan ons in de heilige Hostie. Maar niettemin missen wij zijn menselijk woord, zijn manier van doen, van kijken, van glimlachen, van weldoen. Wij zouden Hem wel van dichtbij willen aankijken als Hij vermoeid van de inspannende tocht naast de waterput gaat zitten (vgl. Joh. 4, 6), als Hij weent om Lazarus (vgl. Joh. 11, 35), als Hij langdurig bidt (vgl. Lc. 6, 12), als Hij zijn medelijden betuigt met de schare (vgl. Mt. 15, 32; Mc. 8, 2).
Het heeft mij altijd logisch geleken en met vreugde vervuld, dat de allerheiligste mensheid van Christus tot de glorie van de Vader is opgestegen, maar ik geloof ook dat die bepaalde droefheid, die eigen is aan Hemelvaartsdag, een bewijs is van de liefde die wij voor Jezus onze Heer voelen. Hoewel Hij volmaakt God was, werd Hij mens, volmaakt mens, vlees van ons vlees en bloed van ons bloed. En Hij maakt zich van ons los om naar de hemel op te stijgen. Begrijpelijk toch, dat wij Hem missen?
|
| 118 |
 |
Omgaan met Jezus Christus in het Brood en in het Woord
Als wij het mysterie van Christus overwegen en ons de moeite getroosten het met een zuiver oog te beschouwen, dan zullen wij beseffen dat het ook nu nog mogelijk is, Jezus met ziel en lichaam dicht te benaderen. Christus heeft ons duidelijk de weg aangegeven, namelijk in het Brood en in het Woord. Zo voedt Hij ons door de eucharistie, leert ons kennen en in praktijk brengen wat Hij ons verkondigd heeft, leert ons met Hem spreken in het gebed. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem (Joh. 6, 56). Wie mijn geboden kent en ze onderhoudt, hij is het die Mij liefheeft. En wie Mij liefheeft zal door mijn Vader bemind worden en Ik zal hem beminnen en Mij aan hem openbaren (Joh. 14, 21).
Deze woorden zijn niet alleen beloften. Ze zijn het wezen, de werkelijkheid van een authentiek leven: het leven van de genade dat ons aanspoort met God een persoonlijke en rechtstreekse omgang te onderhouden. Als gij mijn geboden onderhoudt, zult gij in mijn liefde blijven gelijk Ik, die de geboden van mijn Vader heb onderhouden, in zijn liefde blijf (Joh. 15, 10). Deze bevestiging van Jezus bij het Laatste Avondmaal is de beste inleiding op hemelvaartsdag. Christus wist dat het noodzakelijk was, dat Hij zou heengaan; want op een mysterieuze, voor ons onbegrijpelijke wijze, zou na hemelvaart de derde Persoon van de heilige Drie-eenheid neerdalen als een nieuwe uitstorting van de goddelijke Liefde: Ik zeg u de waarheid: het is goed voor u dat Ik heenga. Want als Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen. Nu Ik wel ga, zal Ik Hem tot u zenden (Joh. 16, 7).
Hij is heengegaan en Hij zendt ons de heilige Geest, die onze ziel leidt en heiligt. Doordat de Trooster in ons werkt, bevestigt Hij wat Christus ons verkondigd heeft, namelijk dat wij kinderen van God zijn; de geest die gij ontvangen hebt, is er niet een van slaafsheid, die u opnieuw vrees zou aanjagen. Gij hebt de geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader! (Rom. 8, 15).
Kijk, dit is de werking van de heilige Drie-eenheid in onze zielen. Elke christen heeft de mogelijkheid van deze inwoning van God. God kan zijn intrek bij hem nemen in het diepste van zijn ziel mits hij aan de genade beantwoordt die ons ertoe brengt, ons met Christus in het Brood en in het Woord, in de heilige Hostie en in het gebed, te verenigen. De Kerk geeft ons dagelijks de realiteit van het levend Brood ter overweging en wijdt er twee grote feesten van het liturgisch jaar aan: Witte Donderdag en Sacramentsdag. Laten wij vandaag op Hemelvaartsdag stilstaan bij onze omgang met Jezus door aandachtig naar zijn Woord te luisteren.
|
| 119 |
 |
Leven van gebed
Een gebed tot de God van mijn leven (Ps. 41, 9). Als God voor ons het leven is, dan kan het ons zeker niet verwonderen dat ons bestaan als christen van gebed doortrokken moet zijn. Maar denk niet dat het gebed iets is dat iemand doet en daarna vergeten kan. De rechtvaardige vindt zijn welbehagen in de wet van Jahwe en op zijn wet peinst hij dag en nacht (Ps. 1, 2). In de ochtend denk ik aan U (vgl. Ps. 62, 7) en in de avond stijgt mijn gebed voor u op als wierook (vgl. Ps. 140, 2). De hele dag kan namelijk een tijd van gebed zijn; van de avond tot de ochtend en van de ochtend tot de avond. Sterker nog: de heilige Schrift wijst ons erop dat ook de slaap gebed hoort te zijn (vgl. Deut. 6, 6 en 7).
Herinnert u wat het Evangelie ons over Jezus verhaalt. Soms bracht Hij de hele nacht door in een innige tweespraak met zijn Vader. Hoe deed de figuur van de biddende Christus de eerste leerlingen in liefde ontvlammen! Nadat zij deze steeds weerkerende gebedshouding van de Meester hadden opgemerkt, vroegen ze Hem: Domine, doce nos orare (Lc. 11, 1), Heer, leer ons bidden.
De heilige Paulus schrijft: orationi instantes (Rom. 12, 12). Volhardt in het gebed; en zo wordt overal het levend voorbeeld van Christus verkondigd. Sint Lucas geeft met deze woorden de manier van leven van de eerste christenen weer, namelijk eensgezind volhardden zij samen in het gebed (Hand. 1, 14).
De standvastigheid van een goed christen wordt met de genade verworven in de smidse van het gebed. Dit levend voedsel, namelijk het gebed, is niet gebonden aan één bepaalde uitdrukkingsvorm. Het hart zal zich gewoonlijk in woorden uitdrukken in de mondelinge gebeden die ofwel God zelf ons heeft geleerd: het Onze Vader, ofwel zijn engelen: het Wees gegroet. Andere keren zullen wij gebeden gebruiken die in de loop van eeuwen zijn gerijpt en waarin de vroomheid van miljoenen van onze broeders en zusters in het geloof zich heeft uitgedrukt: die van de liturgie - lex orandi - of die ontsproten zijn aan de gloed van een liefhebbend hart, zoals veel gebeden tot Maria: Sub tuum praesidium, onder uw bescherming... Memorare, gedenk... Salve Regina, wees gegroet Koningin...
Bij andere gelegenheden zijn twee of drie zinnen, gericht tot de Heer, genoeg. Korte puntige gezegdes: schietgebeden, die wij leren uit de aandachtige lezing van het leven van Christus: Domine, si vis, potes me mundare (Mt. 8, 2), Heer, als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen. Domine tu omnia nosti, to scis quia amo te (Joh. 21, 17), Heer, Gij weet alles, Gij weet dat ik u bemin; Credo, Domine, sed adiuva incredulitatem meam (Mc. 9. 23), ik geloof, Heer, maar kom mijn ongeloof te hulp, sterk mijn geloof. Domine, non sum dignus (Mt. 8, 8), Heer, ik ben niet waardig!; Dominus meus et Deus meus (Joh. 20, 28), mijn Heer en mijn God!... Of andere korte hartelijke zinnen die opwellen uit een innige vurigheid van de ziel en aan een bepaalde situatie beantwoorden.
Het gebedsleven moet bovendien gebonden zijn aan bepaalde tijden in de loop van de dag, die uitsluitend bestemd zijn voor de omgang met God; momenten voor een stil gesprek, als het maar even mogelijk is bij het Tabernakel, om zo de Heer te danken voor zijn eenzaam wachten op ons, al twintig eeuwen lang. Zo ontstaat in onze geest een dialoog met God, van hart tot hart, waarbij de gehele ziel betrokken is: verstand en verbeelding, geheugen en wil. Deze meditatie geeft aan ons armzalig menselijk leven, aan ons gewone dagelijkse bestaan een bovennatuurlijke waarde.
Dank zij die vaste tijden van meditatie, die mondelinge gebeden en ook de schietgebedjes, slagen wij erin van onze dag, ongedwongen en onopvallend, een voortdurende lofprijzing van God te maken. Wij zullen in zijn tegenwoordigheid blijven zoals verliefde mensen in hun gedachten bij elkaar zijn en al onze handelingen, zelfs de kleinst, zullen vervuld worden van geestelijke kracht.
Wanneer een christen de weg bewandelt van de ononderbroken omgang met de Heer - en dit is een weg voor iedereen en niet alleen voor bevoorrechte personen - dan komt het innerlijk leven tot zekere en krachtige groei. Zo wordt de mens bevestigd in de vreedzame en tegelijkertijd veeleisende strijd om Gods wil tot het einde te vervullen.
Vanuit het gebedsleven kunnen wij ook het andere onderwerp, dat het feest van vandaag onder onze aandacht brengt, begrijpen. Namelijk het apostolaat, het in praktijk brengen van de leer van Jezus. Dit heeft Hij de zijnen gezegd vlak vóór Hij naar de hemel opsteeg: gij zult mijn getuigen zijn in Jerusalem, in geheel Judea en Samaria, en tot aan het einde der aarde (Hand. 1, 8).
|
| 120 |
 |
Apostolaat, meeverlossen
Met de verbluffende natuurlijkheid van het goddelijke stijgt de beschouwende ziel in het apostolaat boven zichzelf uit: mijn hart brandde in mijn binnenste en in mijn gebed laaide vuur op (Ps. 38, 4). Wat kan dit vuur anders zijn dan dat waarvan Christus spreekt: Ik ben gekomen om vuur op de aarde te ontsteken en wat verlang Ik anders dan dat het brandt (Lc. 12, 49). Vuur van het apostolaat, dat aangewakkerd wordt door het gebed. Er is geen beter middel dan dit om over de hele wereld die vreedzame strijd te voeren, waaraan iedere christen moet deelnemen: aan te vullen wat aan Christus' lijden nog ontbreekt (vgl. Kol. 1, 24).
Wij zeiden dat Jezus ten hemel is opgestegen. Maar de christen kan met Hem omgaan, in het gebed en in de eucharistie; met Hem omgaan zoals de eerste twaalf dat deden. Hij kan eveneens door het gebed en de eucharistie ontvlammen in apostolische ijver om zo met Hem het werk van de verlossing te dienen, dat vrede en vreugde verbreidt. Kortom: dienen. Apostolaat is namelijk niets anders. Als wij uitsluitend op onze eigen kracht vertrouwen, zullen wij op het bovennatuurlijke vlak niets bereiken. Zijn wij echter werktuigen van God, dan bereiken wij alles: alles vermag ik in Hem, die mij versterkt (Fil. 4, 13). In zijn oneindige goedheid heeft het God behaagd gebruik te maken van onnutte werktuigen. Aldus heeft de apostel geen ander doel dan de Heer te laten werken en zich voor Hem geheel beschikbaar te stellen, zodat God zijn verlossingswerk kan voltooien door middel van zijn schepselen, door mensen die Hij daartoe heeft uitverkoren.
De christen, die zich in Christus ingelijfd weet door het doopsel, die door het vormsel de kracht ontvangen heeft om voor Christus te strijden en die op grond van het algemeen priesterschap van de gelovigen geroepen is God te dienen in de wereld, wordt door zijn optreden een apostel. Dit algemeen priesterschap dat een bepaalde deelname geeft aan het priesterschap van Christus, verschilt essentieel van datgene waaraan men deelachtig wordt door het ambtelijk priesterschap. Niettemin geeft het algemeen priesterschap de bevoegdheid, deel te nemen aan de eredienst van de Kerk en mensen de helpende hand te bieden op hun weg naar God, door het getuigenis van woord en voorbeeld, door gebed en boetedoening.
Ieder van ons moet ipse Christus, Christus zelf zijn. Hij is de enige middelaar tussen God en de mensen (vgl. 1 Tim. 2, 5), en wij verenigen ons met Hem om door Hem alles op te dragen aan de Vader. Onze roeping als kinderen van God midden in deze wereld, eist van ons dat wij niet alleen onze persoonlijke heiligheid nastreven, maar dat wij de aardse wegen van de mensen omvormen tot paden die, alle hindernissen ten spijt, leiden naar de Heer. De roeping eist van ons dat wij als gewone burgers actief deelnemen aan alle activiteiten van deze wereld om daarin de gist te zijn (vgl. Mt. 13, 33) die heel de massa doordesemt (vgl. 1 Kor. 5, 6).
Christus is ten hemel opgestegen, maar ons heeft Hij de mogelijkheid nagelaten al het eerlijk menselijke te verlossen. De heilige Gregorius de Grote brengt dit grote christelijke geheim scherp onder woorden. Op deze wijze vertrok Jezus naar de plaats vanwaar Hij gekomen was en keerde Hij terug van de plaats waar Hij bleef leven. Inderdaad, op het moment waarop Hij ten hemel steeg, verenigde Hij door zijn godheid hemel en aarde. Op het feest van vandaag is het passend, plechtig te beklemtonen dat het decreet, dat ons veroordeelde, werd vernietigd; dat het oordeel dat ons aan het verderf onderwierp werd opgeheven. De natuur waarop de woorden: gij zijt stof, en tot stof zult gij wederkeren (Gen. 3, 19) betrekking hadden, diezelfde natuur is heden met Christus opgestegen ten hemel (H. Gregorius de Grote, In Evangelia homiliae, 29, 10 [PL 76, 1218]).
Daarom zal ik niet ophouden te herhalen dat de wereld geheiligd kan worden, en dat in het bijzonder aan ons christenen deze opdracht is toevertrouwd: de wereld te zuiveren van de verlokking tot zonde, waarmee wij mensen haar bezoedelen. Dan kunnen wij haar aan de Heer opdragen als een geestelijk offer, omdat zij dit door de genade van God en onze inspanning waardig is geworden. Strikt genomen kan men niet langer volhouden dat er dingen bestaan die, hoe goed op zichzelf ook, toch uitsluitend profaan zijn, sinds het Woord zich gewaardigd heeft een volledig menselijke natuur aan te nemen en de aarde te heiligen door zijn aanwezigheid en de arbeid van zijn handen. De grote opdracht die wij bij het Doopsel hebben ontvangen is medeverlossers te zijn. De liefde van Christus dringt ons (vgl. 2 Kor. 5, 14) een deel van die goddelijke taak, de zielen te redden, op onze schouders te nemen.
|
| 121 |
 |
De verlossing, die volbracht werd door Jezus' sterven in de schande en de glorie van het Kruis, voor de Joden een ergernis en voor de heidenen een dwaasheid (1 Kor. 1, 23), duurt volgens de wil van God steeds voort totdat de tijd van de Heer komt. Het is onverenigbaar te leven vanuit het Hart van Christus en zich niet gezonden te voelen zoals Hij, peccatores salvos facere (1 Tim. 1, 15), om de zondaars te redden. Tegelijk moeten wij ervan doordrongen blijven dat wij ook zelf iedere dag meer op de barmhartigheid van God moeten vertrouwen. Zo ontstaat in ons de vurige wens, ons als medeverlossers van Christus te mogen beschouwen, om met Hem alle zielen te redden daar wij ipse Christus, Christus zelf zijn en willen zijn en Hij zich heeft gegeven als losprijs voor allen (1 Tim. 2, 6).
Wij hebben een grote taak voor de boeg. Alleen maar afwachten zou verkeerd zijn omdat de Heer ons uitdrukkelijk zegt: doet daar zaken mee tot Ik terug kom (Lc. 19, 13). Terwijl wij wachten op de terugkomst van de Heer, die dan bezit zal nemen van zijn Koninkrijk, mogen wij niet met de armen over elkaar blijven zitten. De verbreiding van het Koninkrijk Gods is niet alleen de officiële taak van die leden van de Kerk die Christus vertegenwoordigen omdat zij van Hem de heilige volmachten ontvangen hebben. Vos autem estis corpus Christi (1 Kor. 12, 27), ook gij zijt het lichaam van Christus, zo vermaant ons de apostel Paulus, en wel met de concrete opdracht zaken te doen tot het einde toe.
Er is nog zóveel te doen. Is er in twintig eeuwen dan niets gedaan? Er is heel veel gedaan in die twintig eeuwen. Het lijkt mij dan ook niet objectief en evenmin eerlijk, als ik zie hoe vurig sommigen het werk van hun voorgangers minachten. Er is veel werk verricht in de loop van tweeduizend jaar, en vaak is het zelfs uitstekend gedaan. Andere keren zijn er vergissingen begaan, was er soms achteruitgang; angst en schroom hebben niet ontbroken; dapperheid en edelmoedigheid echter evenmin, zoals ook nu. Maar de mensenfamilie vernieuwt zich steeds weer. Daarom moet iedere generatie er zich opnieuw mee bezig houden de mens de grootheid van zijn roeping als kind van God bewust te maken, hem het gebod van de liefde tot Schepper en naaste in te prenten.
|
| 122 |
 |
Christus heeft ons eens en voor altijd de weg van deze liefde tot God geleerd: het apostolaat is de liefde tot God die overvloeit en zich geeft aan de ander. Innerlijk leven houdt in dat we steeds meer één worden met Christus door middel van het Brood en het Woord. En de apostolische ijver is de juiste, gepaste en noodzakelijke uiting van dit innerlijk leven. Wie de liefde van God smaakt, voelt de zorg om de zielen als een last die hij draagt. Het is onmogelijk het innerlijk leven en het apostolaat te scheiden, evenmin als het mogelijk is in Christus zijn wezen van God-Mens te scheiden van zijn rol van verlosser. Het Woord nam het vlees aan om de mensen te redden, om hen één met Zichzelf te maken. Dit is de reden van zijn komst op aarde: voor ons en voor ons heil is Hij uit de Hemel neergedaald, zo lezen wij in de geloofsbelijdenis.
Voor de christen is het apostolaat een deel van zijn natuur. Het is niet bijkomstig, niet iets van buitenaf, het staat niet los van zijn dagelijkse bezigheden, van zijn beroepswerk. Ik heb dat zonder ophouden betoogd, sinds het de Heer behaagde dat het Opus Dei ontstond! Het gaat erom de dagelijkse arbeid te heiligen, zichzelf in die arbeid te heiligen en anderen te heiligen door de uitoefening van het eigen beroep, ieder in zijn eigen levensstaat.
Het apostolaat is als de hartslag van de christen: een kind van God kan niet leven zonder die geestelijke kloppingen. Het feest van vandaag herinnert ons eraan dat de ijver voor de zielen een liefderijk gebod is van Christus, die bij zijn opstijgen naar de hemel ons uitzond als zijn getuigen over de gehele wereld. Onze verantwoordelijkheid is groot, want getuigen van Christus zijn betekent allereerst dat wij ons overeenkomstig zijn leer gedragen. Zo wordt ons gedrag een afspiegeling van dat van Jezus, waardoor zijn beminnelijke gestalte bij de mensen opnieuw tot leven komt. Wij moeten ons zo gedragen dat wie ons ziet, kan zeggen: dit is een christen, want hij haat niet, hij heeft begrip, hij is niet fanatiek, hij kan zich beheersen en offers brengen, hij koestert gedachten van vrede en hij heeft lief.
|
| 123 |
 |
De tarwe en het onkruid
Ik heb met behulp van de leer van Christus en niet naar eigen ideeën een ideale weg gewezen voor de christen. U zult het met mij eens zijn dat het een verheven, sublieme en aantrekkelijke weg is. Maar misschien zal iemand zich afvragen: is het mogelijk zó te leven in de huidige maatschappij?
Het is een feit dat de Heer ons geroepen heeft in een tijd waarin veel gesproken wordt over vrede en er geen vrede is: noch in de harten, noch in de instellingen, noch in het maatschappelijk leven, noch tussen de volkeren. Er wordt voortdurend gesproken over gelijkheid en democratie, en toch zien we talloze bevolkingsgroepen zich hermetisch afsluiten, ontoegankelijk. De Heer heeft ons geroepen in een tijd waarin om begrip wordt geschreeuwd, een tijd die juist uitblinkt door onbegrip, zelfs tussen mensen die te goeder trouw handelen en de naastenliefde willen beoefenen. Maar laten we niet vergeten, dat de liefde meer bestaat in het geven dan in het begrijpen.
Wij leven in een tijd waarin de fanatici en de onverdraagzamen -absoluut niet toegankelijk zijn voor de argumenten van anderen - zich vrijpleiten door hun slachtoffers te bestempelen als gewelddadig en agressief. Uiteindelijk heeft de Heer ons geroepen in een tijd waarin veel over eenheid gesproken wordt, terwijl er moeilijk een periode te vinden is waarin nóg grotere verdeeldheid onder de katholieken zélf gevonden zou kunnen worden, niet alleen onder de mensen in het algemeen.
Ik doe niet aan politieke beschouwingen, want dit hoort niet tot mijn taak. Om als priester de huidige toestand van de wereld te beschrijven volsta ik met nogmaals te denken aan een gelijkenis van de Heer: die van de tarwe en het onkruid. Het rijk der hemelen is gelijk aan een man, die goed zaad op zijn akker zaaide. Maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid onder de tarwe en ging heen (Mt. 13, 24-25). Het is duidelijk: de akker is vruchtbaar en het zaad is goed. De heer van de akker heeft op het juiste moment het zaad uitgezaaid en alles goed geregeld. Bovendien heeft Hij een bewaking ingesteld om het ontkiemende zaad te beschermen. Als daarna toch het onkruid opkomt, dan is het omdat men nalatig is geweest; omdat de mensen - in het bijzonder de christenen - ingeslapen zijn en hierdoor de vijand de kans gegeven hebben binnen te dringen.
Als die nalatige dienaren aan hun heer vragen waarom er onkruid op de akker is gegroeid, is het antwoord glashelder: inimicus homo hoc fecit (Mt. 13, 28), een vijandig mens heeft dit gedaan. Het is de vijand geweest! Wij, christenen, die hadden moeten waken dat de goede dingen die God in de schepping heeft gelegd, zich zouden ontwikkelen ten dienste van de waarheid en het goede, wij zijn ingeslapen, - wat een trieste zaak, die luiheid, die slaap! - en intussen is de vijand met zijn handlangers onvermoeibaar aan het werk geweest. Zie zelf hoe het onkruid gegroeid is: wat is het toch rijkelijk gezaaid en hoe woekert het overal!
Ik ben niet geroepen als onheilsbode. Ik wens allerminst door mijn woorden een troosteloos en uitzichtloos beeld te schetsen. Ik matig mij niet het recht aan mij te beklagen over de tijd waarin wij krachtens de Voorzienigheid van God leven. Wij houden van deze tijd omdat wij daarin onze persoonlijke heiliging moeten bereiken. Wij accepteren geen naïeve en steriele nostalgie want de wereld is nooit beter geweest. Vanaf het allereerste begin van de Kerk, toen men de prediking van de eerste twaalf apostelen nog kon beluisteren, ontstonden er al gewelddadige vervolgingen, begonnen de ketterijen, werden er leugens rondgestrooid en woedde de haat.
Maar het valt niet te ontkennen dat het kwaad klaarblijkelijk vooruitgang heeft geboekt. Op de akker Gods, die de aarde is en die de erfenis is van Christus, is het onkruid opgeschoten; en niet slechts een beetje, maar onkruid in overvloed! Wij mogen ons niet op een dwaalspoor laten brengen door de mythe van de eeuwige en niet te stuiten vooruitgang. Wanneer deze ten goede is gericht, is ze goed en door God gewild. Maar er wordt veel meer gekeken naar die andere, pseudo-vooruitgang, die de ogen van velen verblindt, omdat zij vaak niet beseffen dat de mensheid soms op zijn schreden terugkeert, en dat wat reeds bereikt was, verloren dreigt te gaan.
Ik herhaal dat de Heer ons de wereld als erfenis heeft geschonken. En wij moeten met onze ziel en ons verstand waakzaam blijven; wij moeten realistisch zijn zonder in moedeloosheid te vervallen. Slechts een afgestompt geweten, een ongevoeligheid die door sleur veroorzaakt wordt, slechts lichtzinnige onbezonnenheid kunnen ertoe leiden, dat wij de wereld bekijken zonder het kwaad te zien, de belediging van God en de schade - soms onherstelbaar - die aan de zielen wordt toegebracht. Wij moeten optimisten zijn, maar met een optimisme dat voortspruit uit het geloof in de macht van God, - God kan immers geen strijd verliezen - , en niet met een optimisme dat voortkomt uit een menselijke zelfvoldaanheid die dwaas en ijdel is.
|
| 124 |
 |
Vrede en vreugde zaaien
Wat moeten wij dan doen? Ik zei al dat ik niet sociale of politieke crises heb willen omschrijven, noch een verziekt cultureel verval. Ik heb steeds over het kwaad gesproken vanuit het christelijk standpunt, in de exacte betekenis van belediging van God. Het christelijk apostolaat is geen politiek programma of een cultureel alternatief. Veeleer betekent het de verbreiding van het goede, gedragen door het aanstekelijke verlangen om lief te hebben; het wil vrede en vreugde brengen. Ongetwijfeld zullen uit dit apostolaat voor alle mensen geestelijke weldaden voortvloeien: meer rechtvaardigheid, meer begrip, meer respect voor de mens.
Wij mogen nooit een hindernis zijn voor het eeuwig geluk van de vele zielen in onze omgeving. Wij zijn verplicht volledig christen te zijn, heilig te worden, en God niet teleur te stellen, noch de mensen, die van een christen verwachten dat hij een voorbeeld is en volgens de ware leer leeft.
Ons apostolaat moet gebaseerd zijn op wederzijds begrip. Ik herhaal: meer dan in het geven bestaat de liefde in het begrijpen. Ik moet toegeven dat ik aan den lijve heb ervaren hoe zwaar het valt niet begrepen te worden. Ik heb steeds getracht dat men mij zou begrijpen, maar er zijn mensen die mij steeds misverstaan. Dit is een reden temeer, een praktische en actuele reden, dat ik ernaar streef iedereen te begrijpen. Het is dan ook geen toevallige impuls, die ons ertoe moet aanzetten ons hart wereldwijd, katholiek, open te zetten. De geest van begrip vloeit voort uit de christelijke liefde van elk goed kind van God. Want de Heer wil dat wij op alle wegen der aarde het zaad van de broederschap - en geen onkruid - zaaien: dat wij anderen verontschuldigen, vergeven, beminnen, hun de vrede brengen. Koester nooit gevoelens van vijandschap, jegens wie dan ook.
De christen moet zich altijd bereid tonen met anderen in goede verstandhouding samen te leven en aan iedereen, door zijn omgang en voorbeeld, de mogelijkheid bieden dichter bij Jezus te komen. Hij zal zich met vreugde voor anderen moeten opofferen zonder enig onderscheid te maken, zonder mensen in hokjes in te delen, zonder hun een etiket op te plakken als waren zij goederen of opgezette dieren. De christen mag zich niet van anderen afscheiden, want dan zou zijn leven ongelukkig en egoïstisch zijn: alles ben ik voor allen, om allen te redden (1 Kor. 9, 22).
Als wij eens zó zouden leven! Als wij ons gedrag eens helemaal lieten beheersen door deze drang naar edelmoedigheid en door de wil in goede verstandhouding en vrede te leven! Op deze manier zou de gerechtvaardigde persoonlijke onafhankelijkheid van de mensen bevorderd worden. Ieder zou zijn eigen verantwoordelijkheid op zich nemen voor de taak waarvoor hij gesteld is in deze wereld. De christen zou vóór alles de vrijheid van de naaste moeten verdedigen en daarna die van zichzelf. Hij zou de liefde moeten opbrengen anderen te aanvaarden zoals zij zijn, want iedereen zonder uitzondering heeft zijn zwakheden en fouten. Hij zou hen moeten helpen met Gods genade en menselijke tact het kwade te overwinnen, het onkruid uit te rukken, opdat wij allen elkaar steunen en op waardige wijze leven als mensen en als christenen.
|
| 125 |
 |
Het toekomstig leven
De apostolische taak die Christus aan al zijn leerlingen heeft opgedragen levert derhalve concrete resultaten op in het maatschappelijk leven. Het is onaanvaardbaar te denken, dat men om christen te zijn met de rug naar de wereld gekeerd moet leven, dat men zich defaitistisch tegenover de menselijke natuur moet opstellen. Alles, zelfs het geringste voorval -als het maar binnen de grenzen van het goede blijft - heeft een menselijke en goddelijke betekenis. Christus, volmaakte mens, is niet gekomen om het menselijke te vernietigen, maar juist om het te veredelen door onze menselijke natuur op zich te nemen, behalve de zonde. Hij is gekomen om deel te nemen aan alle zorgen van de mens, behalve aan het trieste avontuur van het kwaad.
De christen moet altijd bereid zijn de maatschappij van binnen uit te heiligen door met beide benen in de wereld te staan zonder echter van de wereld te zijn, in zover deze - niet in haar wezen, maar door de zonde - een ontkenning is van God en zijn beminnelijke heilswil in de weg staat.
|
| 126 |
 |
Het feest van de Hemelvaart van de Heer suggereert ons nog een andere realiteit: dat Christus, die ons aanspoort tot deze taak in de wereld, in de hemel op ons wacht. Met andere woorden: het leven op aarde, dat wij liefhebben, is niet het definitieve; want wij hebben hier geen blijvende stad, maar zijn op zoek naar de toekomstige (Hebr. 13, 14), definitieve woonplaats.
Laten wij er wel voor waken, dat wij het Woord Gods niet vanuit een bekrompen standpunt interpreteren. De Heer verlangt niet dat wij tijdens ons aardse bestaan ongelukkig zijn en alleen maar hopen op de troost van het hiernamaals. God wil ons ook hier reeds gelukkig zien, maar wel zo dat wij met groot verlangen uitzien naar de uiteindelijke vervulling van dat andere geluk, dat alleen Hij volop kan schenken.
Hier op aarde schenken de beleving van de bovennatuurlijke realiteiten - de werking der genade in onze zielen en de liefde tot de naaste als rijpe vrucht van de liefde tot God - ons al een voorsmaak van de hemel, een pril begin dat van dag tot dag hoort te groeien. Wij christenen leiden geen dubbel leven. Ons leven vormt een eenvoudige en sterke eenheid die al ons handelen doordringt.
Christus verwacht ons. Laat ons nu reeds leven als burgers van de Hemel (Fil. 3, 20), terwijl wij nog volledig leven als burgers van de wereld te midden van alle moeilijkheden, onrechtvaardigheden en onbegrip, maar ook te midden van de vreugde en de rust die voortkomen uit de wetenschap dat wij de geliefde kinderen van God zijn. Laten wij volharden in de dienst van onze God, en wij zullen ervaren hoe dit christelijke vredesleger, dit medeverlossend volk, groeit in aantal en in heiligheid. Laten wij beschouwende zielen zijn, die in een voortdurende dialoog op elk ogenblik van de dag omgaan met de Heer, vanaf onze eerste gedachte 's morgens tot aan de laatste van de avond, door steeds ons hart op Christus onze Heer gericht te houden, door tot Hem te gaan aan de hand van onze heilige Moeder Maria, en dóór Hem tot de Vader en de heilige Geest.
Indien ondanks alles de hemelvaart van Jezus in ons hart een bittere nasmaak van droefenis achterlaat, laten wij dan tot zijn Moeder gaan, juist zoals de apostelen deden: toen keerden zij naar Jeruzalem terug- Zij bleven eensgezind volharden in het gebed- met Maria, de Moeder van Jezus (Hand. 1, 12-14).
| |
 |
|