Als Christus nu langs komt > De Grote Onbekende > Hst 13
127

Homilie gehouden op 25 mei 1969 (Pinksteren)

Met de beschrijving van de gebeurtenissen op die pinksterdag, waarop de heilige Geest in de gedaante van vurige tongen op de leerlingen van Jezus neerdaalde, laten de Handelingen der Apostelen ons de geweldige machtsontplooiing van God beleven waardoor de Kerk haar weg begint onder de volkeren. Door die gebeurtenis werd met goddelijke duidelijkheid de zege over dood en zonde geopenbaard die Christus door zijn gehoorzaamheid, zijn kruisoffer en zijn verrijzenis had behaald.

De leerlingen, reeds getuigen van de heerlijkheid van de Verrezene, ontvingen thans de kracht van de heilige Geest. Hun verstand en hart openden zich voor een nieuw licht. Zij hadden Christus gevolgd en in geloof zijn leer aangenomen; maar ze konden die leer niet altijd helemaal bevatten. De Geest der Waarheid moest nog komen, die hen in de volle waarheid zou binnenvoeren (vgl. Joh. 16, 12-13). Zij wisten dat ze slechts bij Jezus woorden van eeuwig leven konden vinden. Zij waren ook bereid Hem te volgen en voor Hem hun leven te offeren, maar ze waren zwak en toen het uur van de beproeving kwam, waren ze gevlucht en hadden ze Hem alleen gelaten. Op die pinksterdag was dit alles voorbij: de heilige Geest, die de Geest van sterkte is, heeft hun standvastigheid, zekerheid en durf geschonken. In de straten en op de pleinen van Jeruzalem hoort men de moedige en meeslepende woorden van de apostelen.

Mannen en vrouwen uit vele streken, die in die dagen in Jeruzalem vertoeven, horen toe en staan verbaasd. Wij, Parten en Meden en Elamieten, wij bewoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, van Pontus en Azië, van Frygië en Pamfylië, Egypte en de landstreken van Libië in de buurt van Cyrene, wij hier vertoevende Romeinen, wij Joden en proselieten, Kretenzen en Arabieren: wij allen horen hen in onze eigen taal de grote daden van God verkondigen (Hand. 2, 9-11). De wonderen die voor hun ogen gebeuren, wekken hun belangstelling voor de prediking der apostelen. Dezelfde heilige Geest die in de leerlingen van de Heer werkt, raakt hun hart en leidt hen tot het geloof.

Lucas deelt mee, dat veel mensen die het getuigenis van Petrus over de verrijzenis van Christus gehoord hadden, naderbij kwamen en vroegen: wat moeten wij doen, broeders? De apostel antwoordde: bekeert u, en ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden: dan zult u de gave van de Heilige Geest ontvangen (vgl. Hand. 2, 37-41). Op die dag, zo eindigt de heilige Schrift, werden ongeveer drieduizend mensen in de Kerk opgenomen.

De komst, in majesteit en macht, van de heilige Geest op het Pinksterfeest was geen losstaand gebeuren. Er is nauwelijks één bladzijde in de Handelingen der Apostelen waarin niet gesproken wordt over Hem en zijn werking waardoor het leven en het gedrag van de vroegste christelijke gemeente wordt geleid en bezield. Hij geeft Petrus het woord der verkondiging in (vgl. Hand. 4, 8). Hij bevestigt het geloof van de leerlingen (vgl. Hand. 4, 31). Hij bezegelt met zijn komst de oproep aan de heidenen (vgl. Hand. 10, 44-47). Hij zendt Paulus en Barnabas naar verre landen, opdat ze nieuwe wegen openen voor de leer van Christus (vgl. Hand. 13, 2-4). Kortom, zijn tegenwoordigheid en zijn bezieling beheersen alles.


128

Wat Pinksteren voor ons betekent

De diepe werkelijkheid, die door deze teksten van de heilige Schrift voor ons ontsloten wordt, is niet een herinnering aan vervlogen tijden. Zij is niet een tot geschiedenis geworden gouden eeuw van de Kerk. Deze werkelijkheid is, ondanks de armzaligheid en de zonden van ieder van ons, ook de werkelijkheid van de Kerk, heden en voor alle tijden. Ik zal de Vader vragen, - heeft de Heer gezegd - en Hij zal u een andere Helper geven opdat die in eeuwigheid bij u blijve (Joh. 14, 16). Jezus heeft zijn beloften vervuld: Hij is verrezen en naar de hemel opgestegen; in de eenheid met zijn Eeuwige Vader zendt Hij ons de heilige Geest, opdat die ons heiligt en het leven geeft.

De kracht en de macht van God geven een nieuwe glans aan het aanschijn der aarde. De heilige Geest staat de Kerk van Christus voortdurend bij, opdat ze altijd en in alles het verheven teken voor de volkeren zal zijn, het teken dat de mensen de goedheid en de liefde Gods verkondigt (vgl. Jes. 11, 12). Hoe we ons ook in het nauw gedreven voelen, wij mensen mogen met vertrouwen opzien naar de hemel en vol vreugde zijn; want God bemint ons en bevrijdt ons van onze zonden. De tegenwoordigheid en de werking van de heilige Geest in de Kerk zijn het onderpand en de belofte van de eeuwige zaligheid, van de vreugde en de vrede, die God ons schenkt.

Ook wij hebben het doopsel ontvangen, zoals die mensen van het eerste uur, die op die pinksterdag bij Petrus kwamen. Door het doopsel heeft God onze Vader bezit genomen van ons leven, het ingelijfd in het leven van Christus en ons de heilige Geest gezonden. Zoals de heilige Schrift ons zegt: God heeft ons tot het heil gevoerd door het bad der wedergeboorte en de vernieuwing in de Heilige Geest, die Hij in rijke mate over ons uitgestort heeft door Jezus Christus, onze Heiland, opdat wij, door zijn genade gerechtvaardigd, door de hoop erfgenamen zouden worden van het eeuwige leven (Tit. 3, 5-7).

De ondervinding, dat wij zo zwak zijn en vol fouten, de ergernis die veroorzaakt kan worden door het slechte voorbeeld van kleingeestigheid of zelfs laaghartigheid van sommigen die zich christenen noemen, de schijnbare mislukking of de verwarring die optreedt bij een of ander apostolaatswerk, kortom: het contact met de werkelijkheid van zonde en menselijke beperktheid kan een beproeving worden voor het geloof, bekoring oproepen en twijfel doen ontstaan. Wij vragen ons af, waar in dit alles de kracht en de macht van God te vinden zijn. Op zo'n ogenblik moeten wij bedacht zijn en nog zuiverder, nog vaster leven uit de hoop, en zo proberen onze trouw nog onvoorwaardelijker te maken.


129

Vele jaren geleden maakte ik het volgende mee. Een vriend, een goed mens, maar niet gelovig, wees op een wereldkaart en zei me: kijk eens van het noorden tot het zuiden, van het oosten tot het westen- Waar moet ik naar kijken?, vroeg ik hem. Hij antwoordde: naar het mislukken van Christus. Al zoveel eeuwen probeert men zijn leer in het leven van de mensen ingang te doen vinden- en kijk naar het resultaat! Eerst werd ik door droefheid overvallen. Het is inderdaad smartelijk te zien, hoeveel mensen Christus niet kennen. En hoe velen die Hem wel kennen, leven alsof ze Hem niet kenden.

Maar dit gevoel van treurigheid duurde maar een ogenblik. In plaats daarvan kwamen liefde en dankbaarheid in me op, want Jezus heeft in zijn verlossingswerk de mens als medewerker in volle vrijheid uitverkoren. Jezus is geen mislukking geworden; zijn leven en leer bevruchten voortdurend de wereld. En zijn verlossing is voldoende en overvloedig.

God wil geen slaven maar kinderen, en respecteert zo onze vrijheid. De verlossing houdt niet op en wij nemen eraan deel. Volgens de wil van Christus moeten wij in ons vlees, in ons leven aanvullen wat aan zijn lijden nog ontbreekt, zoals Paulus het ons overduidelijk zegt, namelijk pro Corpore eius, quod est Ecclesia, ten gunste van zijn Lichaam, de Kerk (vgl. Kol. 1, 24). Het is de moeite waard, ons leven op het spel te zetten en ons helemaal over te geven om zo te beantwoorden aan de liefde en het vertrouwen die God ons geschonken heeft. Het is vooral de moeite waard dat we besluiten ons christelijk geloof serieus te nemen. Als we de geloofsbelijdenis bidden, belijden we ons geloof in God de almachtige Vader, in zijn Zoon Jezus Christus die gestorven en verrezen is, en in de heilige Geest, de heer en schenker van het leven. Wij belijden dat de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk het Lichaam van Christus is, bezield door de heilige Geest. Wij belijden vol vreugde de vergiffenis van de zonden en de hoop op het eeuwig leven. Maar dringen deze waarheden door tot in ons hart of blijven ze op onze lippen zweven? De goddelijke boodschap van het Pinksterfeest, die zege, vreugde en vrede verkondigt, moet het onwrikbaar fundament van het denken, handelen en heel het leven van iedere christen zijn.


130

De kracht van God en de menselijke zwakheid

Non est abbreviata manus Domini (Jes. 59, 1), de hand van God is niet korter geworden. God heeft nu niet minder macht dan in vroeger tijden. Hij houdt niet minder van de mensen dan toen. Ons geloof leert ons dat de hele schepping, de beweging van de aarde en de andere hemellichamen, het goede streven van de mens en al wat positief is in de vooruitgang van de geschiedenis, dat dit alles van God komt en in Hem zijn laatste bestemming heeft.

Het is mogelijk dat de werking van de heilige Geest voor ons onopgemerkt blijft, omdat wij Gods plannen niet kennen, en de zonde in de mens de gaven van God vertroebelt en verduistert. Maar het geloof herinnert ons eraan, dat de Heer voortdurend werkt: Hij heeft ons geschapen en houdt ons in leven, en met zijn genade leidt Hij de hele schepping naar de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods (vgl. Rom. 8, 21).

Daarom vat de christelijke overlevering de houding die de mens tegenover de heilige Geest moet aannemen in één enkele uitdrukking samen: volgzaamheid. Dit betekent: ontvankelijk zijn voor alles wat door de Geest Gods in en om ons wordt bewerkt, voor de charisma's die Hij uitdeelt, voor alle initiatieven die Hij oproept, voor de ingevingen en beslissingen waartoe Hij ons inspireert. De heilige Geest bewerkstelligt in de wereld de werken van God. Hij is, zoals de liturgie ons zegt: uitdeler van gaven, licht van de harten, gast van de zielen, rust bij ons zwoegen en troost bij ons wenen. Zonder zijn bijstand is er niets onschuldigs en waardevols in de mens, want Hij reinigt wat bevlekt en geneest wat ziek is. Hij ontsteekt in gloed wat verkild is en wijst de rechte weg aan wie zich op een dwaalspoor bevindt. Hij voert de mensen naar de haven van het heil en de eeuwige zaligheid (uit de sequentie Veni Sancte Spiritus van de Mis van Pinksteren).

Ons geloof in de heilige Geest moet echter absoluut zijn. Een vaag gevoel van zijn tegenwoordigheid in de wereld is niet genoeg. We moeten dankbaar ja zeggen op die uitingen waarmee Hij zijn kracht op bijzondere wijze heeft willen verbinden. Als de Geest der waarheid komt, zei de Heer, zal Hij Mij verheerlijken, omdat Hij van het mijne zal ontvangen en het u verkondigen zal (Joh. 16, 14). De heilige Geest is de Geest die door Christus werd gezonden opdat Hij in ons het heil bewerkt dat Christus op aarde voor ons heeft verdiend.

Er kan daarom geen geloof in de heilige Geest bestaan waar geen geloof in Christus is, geen geloof in de leer van Christus, in de sacramenten van Christus, in de Kerk van Christus. Als iemand de Kerk niet bemint, geen vertrouwen in haar heeft, er alleen maar genoegen in schept de fouten en gebreken van haar vertegenwoordigers te bekritiseren, en als hij als buitenstaander een oordeel over haar velt en niet in staat is zich een kind van die Kerk te voelen, dan is hij niet consequent christen en gelooft hij niet echt in de heilige Geest. Soms overweeg ik hoe buitengewoon belangrijk en overvloedig de werking van de goddelijke Helper moet zijn, als de priester het offer van Kalvarië hernieuwt door het opdragen van de heilige Mis op onze altaren.


131

Wij christenen dragen de kostbare schatten der genade in lemen vaten (vgl. 2 Kor. 4, 7). God heeft zijn gaven toevertrouwd aan de broze, zwakke, menselijke vrijheid. Ook als de Heer ons met zijn kracht bijstaat, versperren onze begeerlijkheid, onze gemakzucht en onze hoogmoed soms de weg van de genade en verleiden ons tot zonde. Al heel lang, ongeveer vijfentwintig jaar, heb ik de gewoonte, als ik de geloofsbelijdenis bid en de goddelijkheid van de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk belijd, dit korte bijvoegsel te laten volgen: ondanks alles. Als ik dat iemand vertel en hij mij vraagt wat ik daarmee bedoel, geef ik hem als antwoord: jouw zonden en de mijne.

Al is dit ook nog zo waar, het geeft ons niet het recht over de Kerk zuiver menselijk en zonder het bovennatuurlijke geloof te oordelen, met de blik alleen maar gericht op de graad van bekwaamheid van bepaalde ambtsdragers en sommige christen. Dit zou betekenen dat we aan de oppervlakte blijven. Het voornaamste in de Kerk is niet het antwoord van de mensen, maar het handelen van God. De Kerk wil zeggen: Christus aanwezig onder ons. Zij is God die tot de mensheid komt, om haar te redden, doordat Hij ons roept door zijn openbaring, ons heiligt door zijn genade en ons behoudt door zijn altijddurende bijstand in de kleine en grote moeilijkheden van alledag.

Het kan zover komen dat wij de mensen wantrouwen. Meer nog: ieder moet zichzelf wantrouwen en de dag besluiten met een mea culpa..., door mijn schuld..., met een diepe en oprechte acte van berouw. Maar wij hebben niet het recht God te wantrouwen. Als wij echter de Kerk, haar goddelijke oorsprong en de heilzame werking van de verkondiging en van haar sacramenten in twijfel gaan trekken, dan beginnen wij aan God zelf te twijfelen, dan begint ons geloof in de reeds gekomen heilige Geest te wankelen.

Voordat Christus gekruisigd werd, zo schrijft de H. Johannes Chrysostomus, was er geen verzoening. En zo lang er geen verzoening was, werd de heilige Geest niet gezonden... De afwezigheid van de heilige Geest was een teken van goddelijke toorn. Maar nu, nu u ziet dat Hij met de volheid van zijn gaven gezonden is, mag u niet aan de verzoening twijfelen. Men zal misschien vragen: waar is nu de heilige Geest? Destijds, toen er wonderen gebeurden, doden ten leven werden opgewekt en melaatsen werden genezen, toen kon men van zijn tegenwoordigheid spreken. Maar hoe moeten we nu weten dat Hij er werkelijk is? Weest niet bezorgd, ik zal u tonen dat de heilige Geest ook nu onder ons is...

Als de heilige Geest er niet was, konden wij niet zeggen: “Heer Jezus “, want niemand kan zeggen: Jezus is de Heer! behalve in de heilige Geest
(1 Kor. 12, 3). Als de heilige Geest er niet was, konden we niet met vertrouwen bidden. Want als we bidden, zeggen we: “Onze Vader die in de hemel zijt” (Mt. 6, 9). Als de heilige Geest er niet was, konden we God niet Vader noemen. Hoe weten we dat? Omdat de apostel ons leert:” Omdat u kinderen bent, heeft God de Geest van zijn Zoon in onze harten gezonden, die roept: Abba, Vader!” (Gal. 4, 6).

Als u dus God de Vader, aanroept, bedenk dan dat het de Geest is, die uw ziel beroert en u dit gebed ingegeven heeft. Als de heilige Geest er niet was, zou er in de Kerk geen enkel woord van wijsheid of wetenschap zijn, want er staat geschreven: “Door de Geest wordt het woord der wijsheid gegeven”
(1 Kor. 12, 8)- Als de heilige Geest niet aanwezig was, zou er geen Kerk zijn. Als er echter een Kerk is, dan is het zeker dat de heilige Geest niet ontbreekt (H. Johannes Chrysostomus, Sermones panegyrici in solemnitates D.N. Jezus Christi, hom.1 De Sancta Pentecoste, 3-4 [PG 50, 457]).

Ondanks alle fouten en iedere beperktheid van de mens is de Kerk, ik herhaal het, het teken en in zekere zin - al is dat niet in de strikte zin van de dogmatische definitie over de zeven sacramenten van het Nieuwe Verbond - het universele sacrament van de tegenwoordigheid van God in deze wereld. Christen zijn betekent, uit God herboren zijn en tot de mensen gezonden zijn om hun het heil te verkondigen. Hadden we maar een sterk en levendig geloof, verkondigden wij Christus maar onversaagd, dan zouden ook onze ogen wonderen zien zoals ten tijde van de apostelen.

Want ook nu worden er blinden genezen die niet meer naar de hemel konden kijken om Gods grote daden te zien. Er worden lammen op de been gebracht die aan hun hartstochten geketend waren en het vermogen om te beminnen verloren hadden. Doven die niets van God wilden weten, horen weer. Stommen wier tong gebonden was door de weigering hun nederlagen te bekennen, krijgen de spraak terug. Doden staan op, die door de zonde het leven verloren hadden. Opnieuw ervaren wij: vol leven is het woord van God, en vol kracht, en scherper dan ieder tweesnijdend zwaard (Hebr. 4, 12). Zoals de eerste christenen verheugen wij ons, vol verbazing over de kracht van de heilige Geest en over zijn werkdadigheid in het verstand en de wil van de mensen.


132

Anderen Christus doen kennen

Alle voorvallen in het leven - zowel die in ons persoonlijk bestaan als die, welke zich op de een of andere wijze afspelen op beslissende momenten van de geschiedenis - doen zich bij mij voor als oproepen die God tot de mensen richt, opdat ze positie kiezen ten opzichte van de waarheid. Tevens zijn het voor ons, christenen, gelegenheden om door woorden en werken, met de hulp van de genade, te verkondigen door welke Geest we bezield worden (vgl. Lc. 9, 55).

Iedere generatie van christenen moet haar eigen tijd verlossen en heiligen. Om dat te bereiken, moeten ze de zorgen van hun medemensen begrijpen en delen, opdat ze hen met de gave der vertolking der talen kunnen doen verstaan, hoe ze kunnen beantwoorden aan de werking van de heilige Geest en aan de steeds overvloedige rijkdom van het goddelijk Hart. Wij christenen hebben in onze tijd de taak aan de wereld waarin wij ons bewegen en zijn, die oude en toch steeds nieuwe boodschap van het Evangelie te verkondigen.

Het is niet wáár, dat de mensen van tegenwoordig - allemaal - onverschillig of ontoegankelijk zouden zijn voor alles wat het christelijk geloof leert over de bestemming en het wezen van de mens. Het is niet wáár, dat de mensen van onze tijd alleen maar aan het aardse denken en de hemel vergeten. Ook al ontbreekt het niet aan duistere ideologieën en ideologen, toch vinden we in onze tijd grote idealen en slechtheid, heldhaftigheid en lafheid, verlangen en teleurstelling. Er zijn mensen die dromen van een nieuwe, rechtvaardiger en menselijker wereld, en er zijn mensen die misschien door teleurstelling wegens het mislukken van hun oorspronkelijke idealen, hun toevlucht nemen tot een egoïstische rust of aan de dwaling blijven vasthouden.

Aan al die mensen, overal waar ze zijn, om het even of we ze in een overwinningsroes dan wel verslagen aantreffen, moeten we de plechtige en categorische woorden toeroepen die Petrus sprak na Pinksteren: Christus is de hoeksteen, de Verlosser, de volheid van ons leven; want buiten Hem is er onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij ons kunnen laten redden (Hand. 4, 12).


133

Onder de gaven van de heilige Geest is er één die wij christenen mijns inziens bijzonder nodig hebben: de gave der wijsheid. Deze doet ons God kennen en ervaren. Daardoor zijn we in staat de situatie waarin we ons bevinden en de gebeurtenissen in ons leven naar waarheid te beoordelen. Als we consequent zouden zijn in ons geloof, dan zou een blik op de geschiedenis en de wereld om ons heen, in ons hart beslist dezelfde gevoelens doen ontstaan die het hart van Christus bewogen: bij het zien van de schare had Hij medelijden met hen; want ze waren uitgeput, en lagen daar als schapen zonder herder (Mt. 9, 36).

Het is niet zo dat de christen niet al het goede ziet dat er onder de mensen leeft. Hij acht de oprechte blijdschap niet gering. Hij keert het aardse streven niet de rug toe. Integendeel, diep in zijn ziel trilt er een snaar mee. Hij deelt die blijdschap en dat streven. Hij doorleeft ze bijzonder fijngevoelig, want niemand kent beter dan hij de diepten van de menselijke geest.

Het christelijk geloof maakt niet bekrompen. Het remt de edele drijfveren van de ziel niet af, maar stimuleert ze. Het geloof onthult immers de ware en oorspronkelijke zin van die impulsen: wij zijn niet bestemd voor het een of ander willekeurig geluk, maar geroepen om in het leven van God binnen te treden, om God de Vader, God de Zoon en God de heilige Geest te kennen en te beminnen, en in de Drie-eenheid van God alle engelen en alle mensen.

Hier ligt de verbazingwekkende durf van het christelijk geloof: het verkondigen van de waarde en de waardigheid van de menselijke natuur en de bevestiging van het feit dat wij door middel van de genade die ons tot de bovennatuurlijke orde verheft, geschapen zijn om tot de waardigheid van kinderen Gods te komen. Inderdaad een ongelofelijke vermetelheid, als die niet zou steunen op het heilsplan van God de Vader, niet zou zijn bezegeld door het bloed van Christus, niet mogelijk zou zijn gemaakt en bekrachtigd door de voortdurende inwerking van de heilige Geest.

Wij moeten zo uit het geloof leven en in het geloof groeien, dat van ieder van ons, van iedere christen afzonderlijk, kan worden gezegd wat een van de grote kerkleraren van het Oosten heeft geschreven: Zoals de doorschijnende en heldere lichamen stralen en glanzen als ze de stralen van het licht ontvangen, zo worden de zielen die door de Heilige Geest worden geleid en verlicht, ook zelf vergeestelijkt. En zo kunnen ze aan anderen het licht van de genade brengen. Door de Heilige Geest komt het weten van de komende dingen, het begrip van de mysteries, het inzicht in verborgen waarheden, de uitdeling van gaven, het hemels burgerschap, het gesprek met de engelen. Van Hem stamt de nooit eindigende vreugde, de volharding in God, de gelijkvormigheid met God en - dat is het verhevenste wat men denken kan - de vergoddelijking (H. Basilius, De Spiritu Sancto, 9, 23 [PG 32, 110]).

Het besef van de verheven menselijke waardigheid - die door de aanneming tot kinderen Gods op grond van de genade, tot in het onuitsprekelijke stijgt - vormt samen met de nederigheid van de christen één geheel, daar het heil en het leven niet door onze eigen kracht komen, maar van de goedheid van God. Deze waarheid mag niet worden vergeten, anders zou de vergoddelijking ontaarden en tot aanmatiging, hoogmoed en - vroeg of laat - tot geestelijke ineenstorting voeren wanneer we onze eigen erbarmelijkheid en zwakheid zouden zien.

Zou ik durven zeggen: ik ben heilig?, vraagt de heilige Augustinus. Als ik dat heilig in de zin van heiligmakend bedoel, dat geen andere heiligmaker nodig heeft, dan zou ik hoogmoedig en een leugenaar zijn. Als echter heilig in de zin van geheiligd genomen wordt, overeenkomstig de woorden van het boek Leviticus: Weest heilig, omdat Ik, God, heilig ben; dan zou ook het Lichaam van Christus tot de laatste mens aan de uiteinden der aarde met en onder zijn Hoofd durven zeggen: ik ben heilig (H. Augustinus, Enarrationes in psalmos, 85, 4 [PL 37, 1084]).

We moeten de derde Persoon van de allerheiligste Drie-eenheid liefhebben. Luistert in het diepst van uw ziel naar de goddelijke ingevingen - opwekkingen zowel als verwijten - en bewandelt de wegen der aarde onder het licht dat op uw ziel valt. En de God van de hoop zal ons met volle vrede vervullen, opdat wij overrijk zullen zijn in deze hoop door de kracht van de heilige Geest (vgl. Rom. 15, 13).


134

De omgang met de heilige Geest

Uit de heilige Geest leven betekent, uit het geloof, de hoop en de liefde leven, zich door God laten grijpen, opdat Hij ons hart tot op de bodem hernieuwt en het vormt naar zijn plan. Een rijp, diep en sterk christelijk leven kan niet worden geïmproviseerd, want het is de vrucht van het groeien van Gods genade in ons. De Handelingen der Apostelen beschrijven het leven van de eerste gemeente met een zin, even kort als betekenisvol: Zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed (Hand. 2, 42).

Zo leefden die eerste christenen en zo moeten wij leven. De basis van onze houding moet zijn: de overweging van de geloofsleer tot ze ons eigen bezit wordt, de ontmoeting met Christus in de eucharistie en een persoonlijke dialoog - uit de anonimiteit treden - door ons gebed onder vier ogen met God. Waar deze houding ontbreekt, zullen misschien min of meer levendige activiteit, misschien geleerde gedachten of vroomheidsoefeningen aangetroffen worden, maar geen echt christelijk leven. Want het zal ontbreken aan een reële, doorleefde deelname aan het heilswerk van God.

Deze leer geldt voor alle christenen, want wij zijn allemaal in gelijke mate tot heiligheid geroepen. Er zijn geen tweederangs christenen, die met een verwaterde vorm van evangeliebeleving toe zouden kunnen. Wij hebben allemaal dezelfde doop ontvangen. Binnen het veelvoud van bovennatuurlijke gaven en menselijke situaties deelt de éne Geest zijn goddelijke gaven uit: één is het geloof, één de hoop, één de liefde (vgl. 1 Kor. 12, 4-6 en 13, 1-13).

Wij kunnen daarom de vraag van de apostel als aan ons gericht beschouwen en die opvatten als uitnodiging tot een meer persoonlijke en rechtstreekse omgang met God: Weet u niet dat u tempel van God bent en dat de Geest Gods in u woont? (1 Kor. 3, 16). Helaas is de Helper voor menig christen de Grote Onbekende: een naam die men uitspreekt, maar niet Iemand - een van de drie Personen van de enige God - met wie men spreekt en uit wie men leeft.

Onontbeerlijk is de vertrouwde omgang met Hem in eenvoud, zoals de Kerk ons leert in de liturgie. Dan zullen wij Onze Heer beter kennen en ons tegelijkertijd meer bewust zijn van het onuitsprekelijke voorrecht christen te zijn. Dan bevroeden wij de hele volheid en waarheid van die vergoddelijking, die deelname aan het goddelijke leven, waarvan wij al eerder spraken.

Want de heilige Geest is niet als een kunstenaar die in ons het goddelijke tekent, zo als ware het Hem vreemd. Zo voert Hij ons niet naar de goddelijke gelijkvormigheid. Hij zelf die God is en uit God voortkomt, drukt veeleer zijn eigen wezen in de harten van hen die Hem ontvangen, zoals het zegel zich in de was drukt. Door die meedeling van zichzelf en door dat gelijkvormig maken, herstelt Hij de natuur naar de schoonheid van het goddelijke oerbeeld en geeft Hij de mens het beeld van God weer terug (H. Cyrillus van Alexandrië, Thesaurus de sancta et consubstantiali Trinitate, 34 [PG 75, 609]).


135

Als wij, zij het in grote trekken, een levensstijl willen schetsen die ons tot de omgang met de heilige Geest voert - en samen met Hem tot de Vader en de Zoon - , moeten wij de nadruk leggen op drie grondhoudingen: volgzaamheid - herhaal ik - , gebedsleven en vereniging met het Kruis.

Allereerst is volgzaamheid nodig, want de heilige Geest is degene die met zijn ingevingen aan onze gedachten, werken en wensen een bovennatuurlijk accent geeft. Hij spoort ons aan de leer van Christus te aanvaarden en er dieper in door te dringen. Hij verlicht ons, opdat we ons bewust worden van onze persoonlijke roeping. Hij sterkt ons, opdat we zullen doen wat God van ons verwacht. Als we gewillig zijn tegenover de heilige Geest, dan zal het beeld van Christus steeds duidelijker gestalte in ons krijgen. Zo zullen we iedere dag dichter bij God de Vader komen. Allen die zich door de Geest Gods laten leiden, zijn kinderen van God (Rom. 8, 14).

Als wij ons laten leiden door dit levensprincipe in ons dat de heilige Geest is, zal ons geestelijk leven steeds groeien. Wij zullen ons in de handen van God, onze Vader, overgeven met dezelfde spontaneïteit en hetzelfde vertrouwen waarmee een kind zich in de armen van zijn vader werpt. Als gij niet wordt als kinderen, zult ge het rijk der hemelen niet binnengaan (Mt. 18, 3), zegt de Heer. Dit is de oude en toch altijd weer actuele weg van de ziel naar het geestelijk kindschap, die niet zoetsappig of kinderachtig is, maar de weg van de bovennatuurlijke vrijheid die ons binnenvoert in de heerlijkheid van de goddelijke liefde, die ons onze kleinheid laat zien en onze wil gelijkvormig maakt aan de wil van God.


136

Verder is het gebedsleven nodig, want de overgave, de gehoorzaamheid en de mildheid van de christen komen voort uit de liefde en voeren ernaar toe. Deze liefde wil contact, gesprek, vriendschap. Het christelijk leven vraagt een voortdurende dialoog met de Ene en Drieëne God; het is de heilige Geest die deze innige band smeedt. Wie der mensen toch kent de verborgenheden van de mens, behalve de geest van de mens, die in hem is? Zo ook kent niemand die van God tenzij de Geest van God (1 Kor. 2, 11). Door de vertrouwelijke omgang met de heilige Geest worden wijzelf vergeestelijkt en voelen wij ons als broeders en zusters van Christus en kinderen van God, die wij zonder schroom onze Vader noemen (vgl. Gal. 4, 6; Rom. 8, 15).

Laten we ons gewennen aan de omgang met de heilige Geest, want Hij zal ons heiligen. Laten we in Hem vertrouwen hebben, Hem vragen om zijn bijstand, zijn nabijheid voelen. Ons arme hart zal groter worden en ons verlangen sterker om God lief te hebben en door God alle mensen. Zo zal in ons leven dat visioen werkelijkheid worden, waarmee het boek der Openbaring sluit: de geest en de bruid, de heilige Geest en de Kerk - en iedere christen - wenden zich tot Jezus, tot Christus en vragen Hem te komen om voor altijd bij ons te blijven (vgl. Apok. 22, 17).


137

Ten slotte: vereniging met het Kruis, want in het leven van Christus ging Golgota aan de Verrijzenis en Pinksteren vooraf. Zo moet het ook in het leven van de christen zijn. Zoals Paulus zegt, zijn wij mede-erfgenamen van Christus, zo we met Hem lijden, om ook met Hem verheerlijkt te worden (Rom. 8, 17). De heilige Geest is vrucht van het Kruis, van de totale overgave aan God, van het uitsluitend zoeken naar zijn eer en van het totaal prijsgeven van ons zelf.

Slechts wanneer de mens trouw aan de genade, besluit het kruis tot middelpunt van zijn leven te maken, zichzelf wegcijferend uit liefde tot God, los van het egoïsme en van elke bedrieglijke menselijke zekerheid, en wanneer hij op die manier echt vanuit zijn geloof leeft, dan, alleen dan ontvangt hij de volheid van het grote vuur, het grote licht, de grote troost van de heilige Geest.

Dan wordt de ziel vervuld van die vrede en vrijheid die Christus voor ons heeft verworven en die wij met de genade van de heilige Geest ontvangen (vgl. Gal. 4, 31). De vrucht van de Geest is: liefde, blijdschap, vrede, geduld, welwillendheid, goedheid, lankmoedigheid. zachtmoedigheid, trouw, zedigheid, matigheid. kuisheid (Gal. 5, 22-23) en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid (2 Kor. 3, 17).


138

Midden in de beperktheid van onze tegenwoordige staat, want de zonde woont nog op de een of andere manier in ons, kan de christen met nieuwe zekerheid de rijkdom van zijn kindschap Gods ervaren: want hij ziet zich als vrije mens, omdat hij de dingen van zijn Vader doet. Dan is zijn vreugde blijvend, omdat er niets is dat zijn hoop teniet kan doen.

Juist in die vrijheid en in die vreugde is de christen in staat de schoonheid en heerlijkheid van de aarde te bewonderen, het rijke en goede ervan te begrijpen en alles met dat zuiver enthousiasme lief te hebben waartoe ons menselijk hart geschapen is. Dan ontaardt de smart over de zonde niet in bitterheid, wanhoop of zelfgenoegzaamheid. Ons berouwvol hart en het bewustzijn van onze eigen zwakheid, brengen ons ertoe ons opnieuw te verenigen met het verlangen van Christus om ons te verlossen en zo onze solidariteit met alle mensen dieper te ervaren. Dan tenslotte voelt de christen de innerlijke zekerheid uit de kracht van de heilige Geest en laat hij zich niet afschrikken door zijn eigen fouten. Zijn struikelen is veeleer een aansporing opnieuw te beginnen, opnieuw onder alle omstandigheden zijn trouw te bevestigen als getuige van Christus, en wel ondanks elk persoonlijk falen. Het falen van een christen die zo leeft, zal meestal slechts bestaan uit kleine misstappen die onze ziel nauwelijks schaden. Maar zelfs als hij een zware fout zou begaan, krijgt de christen door het rouwmoedig ontvangen van het sacrament van de boete de vrede van God terug en kan hij opnieuw een goede getuige van de goddelijke barmhartigheid zijn.

Dit is, in het kort en met alle onvolkomenheden van de menselijke taal, de rijkdom van het geloof in het leven van een christen die zich door de heilige Geest laat leiden Het is onmogelijk, die rijkdom uitputtend uit te beelden. Daarom kunnen wij tot besluit niets anders doen dan ons aansluiten bij wat de liturgie ons met Pinksteren als een echo van het voortdurende gebed van heel de Kerk laat bidden: Daal neer, o Geest, die Schepper zijt, bezoek de geest van hen die U toebehoren, vervul met hemelse genade de harten die U geschapen hebt. Geef dat wij door U de Vader leren kennen, dat wij ook de Zoon erkennen en dat wij steeds geloven in U, de Geest die uit beiden voortkomt (uit de hymne Veni Creator Spiritus van de vespers van Pinksteren).


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende