Als Christus nu langs komt > Sacramentsdag > Hst 15
150

Homilie gehouden op 28 mei 1964

Op deze dag van het allerheiligste Sacrament gaan wij samen de diepte overwegen van Christus' liefde, die Hem ertoe gebracht heeft verborgen te blijven onder sacramentele gedaanten. Het lijkt alsof we met eigen oren naar de toespraak luisteren die Hij tot de menigte richtte. Zie, de zaaier ging uit om te zaaien. En onder het zaaien viel een gedeelte langs de weg. En de vogels uit de lucht kwamen en pikten het op. Een ander gedeelte viel op de steengrond, waar het niet veel aarde had om te groeien. Het ontkiemde direct, maar na zonsopkomst verschroeide en verdorde het, daar het geen wortel had kunnen schieten. Een ander gedeelte viel tussen de doornen. De doornen schoten omhoog en verstikten het. Een ander gedeelte viel in goede aarde. En dat droeg rijke vrucht: dertig-, zestig-, honderdvoud (Mt. 13, 3-8).

Dat beeld blijft actueel. Ook vandaag nog zaait de zaaier zijn zaad. Het heilswerk wordt voortgezet en de Heer wil zich van ons bedienen. Hij verlangt dat wij, christenen, alle wegen op aarde openen voor zijn liefde. Hij nodigt ons uit om door woord en daad zijn goddelijke boodschap te verkondigen tot de verste uithoeken van de aarde. Hij vraagt ieder van ons, leden van de kerk en de maatschappij, om door trouwe vervulling van onze plichten en door heiliging van ons beroepswerk en onze plichten van staat, een andere Christus te zijn.

Als wij naar de wereld om ons heen kijken, waar wij van houden omdat die het werk van God is, dan zien wij deze parabel werkelijkheid worden. Het woord van Jezus is het zaad dat in vele zielen het verlangen laat groeien om zich te geven en trouw te zijn. Het doen en laten van hen die God dienen, hebben de geschiedenis veranderd. Zelfs velen van hen die de Heer niet kennen, worden, misschien zonder het te weten, bewogen door de idealen waarvan de oorsprong in het christendom ligt.

Wij zien ook dat een deel van het zaad, tussen de doornen en het struikgewas, in onvruchtbare aarde valt. Dat zijn de harten die zich sluiten voor het licht van het geloof. Al worden de idealen van vrede, verzoening en broederschap omarmd en uitgedragen, ze worden vaak gelogenstraft door de feiten. Sommigen doen tevergeefs hardnekkige pogingen om Gods stem te smoren. Om de verbreiding ervan te verhinderen, nemen ze hun toevlucht tot brute kracht of tot een minder opvallend, maar misschien - omdat het de geest ongevoelig maakt - nog wreder wapen: de onverschilligheid.


151

Het Brood van het eeuwig leven

Mijn wens is dat wij, door dit alles te overwegen, ons bewust worden van onze zending als christen en onze blik wenden naar de heilige eucharistie, naar Jezus die, onder ons tegenwoordig, ons gemaakt heeft tot ledematen van zijn lichaam. Vos estis corpus Christi et membra de membro (1 Kor. 12, 27), gij zijt het lichaam van Christus en ieder van jullie is een deel van dat lichaam. God heeft besloten in het tabernakel te blijven om ons te voeden, te versterken, te vergoddelijken en ons werk en onze inspanning doeltreffend te maken. Jezus is zowel de zaaier als het zaad en de vrucht van het gezaaide, Hij is het brood van het eeuwig leven.

Dat zich telkenmale herhalende wonder van de heilige eucharistie is bijzonder karakteristiek voor de handelwijze van Jezus. Hij, die volmaakt God en volmaakt mens is, Heer van hemel en aarde, geeft zich aan ons als voedsel op de natuurlijkste en eenvoudigste manier die we ons kunnen indenken. Op deze wijze wacht Hij al bijna twee duizend jaar op onze liefde. Dat is enerzijds lang en anderzijds kort, want als het om de liefde gaat, gaan de dagen vlug voorbij.

Er valt me een verrukkelijk gedicht in uit Galicië, namelijk één van de Gezangen van Alphonsus X, de Wijze. Het is de legende van een monnik die in zijn eenvoud de heilige maagd Maria smeekt hem de hemel te laten zien, al was het maar een ogenblik. Maria stemde met zijn verlangen in en de goede monnik wordt naar het paradijs gevoerd. Bij zijn terugkeer herkent hij geen enkele bewoner van het klooster. Zijn gebed, dat hem toch zeer kort had geleken, had drie eeuwen geduurd. Drie eeuwen is maar een ogenblik voor een verliefd hart. Zo zie ik de tweeduizend jaar wachten van de Heer in de eucharistie. Het is het wachten van God, die van de mensen houdt, die ons zoekt en ons aanneemt zoals we zijn: beperkt, egoïstisch, onstandvastig... maar in staat om zijn oneindige tederheid te ontdekken en ons helemaal aan Hem te geven.

Uit liefde voor ons en om ons te leren lief te hebben, is Jezus naar de aarde gekomen en onder ons gebleven in de eucharistie. Hij die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe (Joh. 13, 1). Met die woorden vertelt Johannes wat er op de vooravond van Pasen gebeurde: Jezus nam het brood in zijn handen, dankte de Vader, brak het en zei: Dit is mijn lichaam dat voor u wordt overgeleverd. Doet dit ter gedachtenis aan Mij. Zo ook nam Hij na de maaltijd de kelk met de woorden: Deze kelk is het Nieuwe Verbond in mijn bloed. Telkens als jullie hieruit drinken, zullen jullie het doen om Mij te gedenken (1 Kor. 11, 23-25).


152

Een nieuw leven

Dit is het eenvoudige en plechtige ogenblik van de instelling van het Nieuwe Testament. Jezus schaft de oude wet af en openbaart, dat Hij zelf de inhoud van ons gebed en ons leven zal zijn.

Let op de vreugde die de liturgie van vandaag uitstraalt. Dat onze lof volledig zij, welluidend en blij (Sequentie Lauda Sion). Het is de christelijke jubelzang die de komst van een nieuwe tijd bezingt: Het nieuwe Pasen met een nieuwe wet maakt een einde aan het oude Pasen. De oude eredienst wijkt voor de nieuwe, de schaduw voor de werkelijkheid, de nacht verdwijnt voor de dag (Ibidem).

Wonder van liefde. Dat is het ware brood van de kinderen (Ibidem). Jezus, de Eerstgeborene van de eeuwige Vader, biedt zich als voedsel aan. Het is dezelfde Jezus Christus die ons hier beneden sterkt en op ons als disgenoten, mede-erfgenamen en medeburgers, wacht in de hemel (Ibidem). Inderdaad, zij die zich met Christus voeden, zullen de aardse en tijdelijke dood sterven, maar ze zullen eeuwig leven, omdat Christus het onvergankelijke leven is (H. Augustinus, In Ioannis Evangelium tractatus, 26, 20 [PL 35, 1616]).

Voor de christen, die zich voedt met het onbederfelijk manna van de eucharistie, begint het eeuwig geluk nu al. Wat oud is, behoort tot het verleden. Laten we al het vergankelijke links laten liggen. Dat alles voor ons nieuw moge zijn, de harten, de woorden en de daden (Hymne Sacris solemnis).

Dit is de blijde boodschap. Het is boodschap, nieuws, omdat die ons een enorme liefde laat zien, die wij tot dan toe niet konden vermoeden. De boodschap is blij, omdat er niets gaat boven onze innige vereniging met God, het opperste Goed. Het is de blijde boodschap omdat die boodschap ons als het ware een wonderbaarlijke vooruitblik geeft op het eeuwig geluk.


153

Omgang met Jezus door het Woord en het Brood

Jezus is verborgen in het allerheiligst sacrament, opdat wij durven met Hem om te gaan en om ons voedsel te zijn zodat we één met Hem worden. Toen Hij zei: zonder Mij kunt ge niets (Joh. 15, 5), heeft Hij de christen niet veroordeeld tot niets doen en heeft Hij hem niet gedwongen tot een moeizaam zoeken naar zijn persoon. Hij blijft onder ons en is geheel beschikbaar.

Als wij onder het vieren van het heilige misoffer bijeenkomen, als wij de in de monstrans uitgestelde heilige hostie aanschouwen of als wij Hem in het tabernakel verborgen aanbidden, dan zullen wij ons geloof verlevendigen, denken aan het nieuwe bestaan dat ons geschonken wordt en ontroerd raken door de genegenheid en tederheid van God.

Ze bleven volharden in de leer van de apostelen en vormden een onderlinge gemeenschap in het breken van het brood en in het gebed (Hand. 2, 42). Zo beschrijft de Schrift het gedrag van de eerste christenen: door het geloof van de apostelen verenigd in een volmaakte eenheid als ze deelnamen aan de heilige eucharistie, één van hart in gebed. Geloof, brood en woord.

Jezus in de eucharistie garandeert met zekerheid zijn aanwezigheid in onze ziel, zijn macht die de wereld in stand houdt, zijn beloften die de mensenfamilie zullen helpen als het einde der tijden komt. De heilsbelofte dat wij voor altijd zullen wonen in het huis van de hemel, bij God de Vader, de Zoon en de heilige Geest, allerheiligste Drie-eenheid, één God. Ons hele geloof belijden wij als wij geloven in Jezus, in zijn werkelijke tegenwoordigheid onder de gedaanten van brood en wijn.


154

Ik begrijp niet hoe iemand christelijk kan leven zonder de behoefte aan voortdurende vriendschap met Jezus in het woord en in het brood, in het gebed en in de eucharistie. Wel begrijp ik heel goed dat in de loop van de eeuwen de eucharistische vroomheid in steeds nieuwe vormen is ontwikkeld door elkaar opvolgende generaties van gelovigen. Soms waren het massale bijeenkomsten om het geloof in het openbaar te belijden, soms waren het stille, discrete gebaren in de gewijde vrede van een kerk of in de intimiteit van het hart.

Bovenal moeten wij gehecht zijn aan de heilige mis, het hoogtepunt van onze dag. Als wij de heilige mis op de juiste manier beleven, zullen we dan de rest van de dag niet doorbrengen met het aan God denken, met het ervoor zorg dragen dat wij bij Hem blijven, met het werken en het beminnen zoals Hij deed? Dan zullen wij de Heer leren danken voor zijn fijngevoeligheid, waardoor Hij zijn aanwezigheid niet heeft willen laten beperken tot het moment van het misoffer, maar bij ons heeft willen blijven in de heilige hostie die bewaard wordt in het tabernakel.

Ik moet u zeggen dat het tabernakel voor mij altijd een plaats is geweest zoals Betanië, een rustige en vreedzame plaats waar Christus is, waar wij Hem over onze beslommeringen en ons lijden, onze hoop en onze vreugde, even gemakkelijk en natuurlijk kunnen vertellen als zijn vrienden Marta, Maria en Lazarus daarover spraken. Wanneer ik door de straten van een stad of dorp loop, ben ik blij als ik, zelfs van ver, het silhouet van een kerk zie. Dat is wéér een tabernakel, wéér een gelegenheid om de ziel, die verlangt om te gaan vertoeven aan de zijde van de Heer in het heilig sacrament, te laten uitvliegen.


155

De vruchtbaarheid van de Eucharistie

Toen Jezus Christus tijdens het laatste avondmaal de heilige eucharistie instelde, was het nacht, wat duidelijk aantoonde, zoals de heilige Johannes Chrysostomus zegt, dat de tijden vervuld waren (H. Johannes Chrysostomus, In Matthaeum homiliae, 82, 1 [PG 58, 700]). De nacht viel over de wereld, want de oude riten, de tekenen die God in zijn oneindige barmhartigheid voor de mensheid vroeger had gegeven, stonden op het punt zich in heel hun volheid te ontplooien. Zo zou de weg opengelegd worden voor de echte dageraad, het nieuwe Pasen. De eucharistie werd in de nacht ingesteld als voorbereiding op de morgen van de verrijzenis.

Die dageraad moeten wij ook voorbereiden in ons leven. Wij moeten ons ontdoen van alles wat verouderd, schadelijk en nutteloos is zoals moedeloosheid, gebrek aan vertrouwen, droefheid, lafheid. De heilige eucharistie brengt een nieuwe aanwezigheid van het goddelijke binnen bij de kinderen van God. Wij moeten antwoorden in novitate sensus (Rom. 12, 2), door de vernieuwing van al onze gevoelens en handelingen. Er is ons een nieuwe bron van kracht gegeven, een machtige wortel die op de Heer geënt is. Wij kunnen niet meer terugkeren naar het oude zuurdeeg, nu wij het brood van vandaag en altijd bezitten.


156

Op deze feestdag vergezellen de christenen op vele plaatsen in de wereld in processie Jezus die, verborgen in de hostie door straten en over pleinen trekt. Hij gaat, evenals tijdens zijn aardse leven, diegenen tegemoet die Hem willen zien, de weg kruisend van hen die Hem niet zoeken. Zo verschijnt Jezus opnieuw tussen de zijnen. Hoe reageren wij op die roep van de Meester?

Inderdaad, de uitwendige liefdesbetuigingen moeten uit ons hart komen en hun logische consequentie vinden in een christelijke levenswandel. Als het ontvangen van het lichaam van de Heer ons vernieuwd heeft, moeten wij dat bewijzen door onze daden. Mogen onze gedachten oprecht zijn, gedachten van vrede, overgave en dienstbaarheid. Mogen onze woorden waarachtig zijn, duidelijk, en op het juiste ogenblik gesproken worden. Mogen ze de kracht hebben om te troosten en te helpen. Mogen ze vooral het licht van God aan de ander brengen. Mogen onze daden een ordelijke samenhang hebben, effectief zijn en op het juiste ogenblik worden uitgevoerd. Mogen ze de bonus odor Christi (2 Kor. 2, 15), de goede geur van Christus, hebben omdat ze zijn wijze van handelen en leven weerspiegelen.

De processie van Sacramentsdag brengt Christus tegenwoordig in de dorpen en steden van de wereld. Maar ik herhaal dat die tegenwoordigheid geen verschijnsel van één dag mag zijn, geen gerucht dat men verneemt en vergeet. Dat voorbijgaan van Jezus is voor ons een vingerwijzing, dat wij Hem ook in onze dagelijkse bezigheden moeten ontdekken. Het gaat niet alleen om de plechtige processie van deze donderdag, maar ook om de stille, eenvoudige “processie” in het dagelijks leven van iedere christen. De christen is mens tussen de mensen. Maar hij heeft de genade van het geloof gekregen en de goddelijke zending om de boodschap van Christus op aarde in daden om te zetten. Vergissingen en zonden zullen wij altijd hebben. Maar God is bij de mensen en wij moeten zo ingesteld zijn dat Hij zich van ons kan bedienen en, door ons, Jezus voortdurend bij de mensen langs komt.

Laten wij dus Jezus de genade vragen om eucharistische zielen te zijn en dat onze persoonlijke betrekkingen met Hem uitdrukking vindt in vreugde, sereniteit en het verlangen naar rechtvaardigheid. Dan zullen wij anderen helpen Christus te herkennen en onze bijdrage leveren om Hem aan de top van alle menselijke activiteiten te plaatsen. Zo zal de belofte van Jezus, wanneer Ik van de aarde omhoog ben geheven, zal Ik allen tot Mij trekken (Joh. 12, 32), verwezenlijkt worden.


157

Het brood en de oogst: vereniging met alle mensen

Jezus, zo zei ik u bij het begin, is de zaaier. Door de christenen zet Hij zijn goddelijk zaaiwerk voort. Christus klemt het zaad in zijn gewonde handen. Hij doordrenkt het met zijn bloed, wast het, zuivert het en werpt het in de voor, die de wereld is. Hij werpt de korrels één voor één, opdat ieder christen in zijn omgeving getuigt van de vruchtbaarheid van de dood en de verrijzenis van de Heer.

Als wij in de handen van Christus zijn, moeten wij ons met zijn verlossend bloed laten doordrenken, ons door Hem laten uitstrooien en ons leven laten omvormen zoals God het wil. En wij moeten er van overtuigd zijn dat, om vrucht te dragen, het zaad in de aarde moet vallen en sterven (vgl. Joh. 12, 24). Dan schiet de halm op en verschijnt de aar. Uit de aar komt het brood dat door God veranderd zal worden in het lichaam van Christus. Zo verenigen wij ons opnieuw met Jezus die onze zaaier is geweest. Omdat er maar één brood is, daarom hebben wij, hoe talrijk ook, maar één lichaam; want allen hebben wij deel aan het ene brood (1 Kor. 10, 17).

Wij mogen nooit uit het oog verliezen dat er geen vrucht kan zijn, als er vooraf niet gezaaid is. Het is dus noodzakelijk, het woord van God royaal te verspreiden en er voor te zorgen dat de mensen Christus kennen en, als ze Hem kennen, naar Hem hongeren. Dit sacramentsfeest - feest van het lichaam van Christus, levensbrood - is een goede gelegenheid om na te denken over de verschillende soorten honger die we bij de mensen tegenkomen. Honger naar waarheid, honger naar rechtvaardigheid, honger naar eenheid en vrede. Voor hen die honger hebben naar vrede herhalen wij met sint Paulus: Christus is onze vrede, pax nostra (Ef. 2, 14). Hen die de waarheid zoeken moeten wij eraan herinneren dat Jezus de weg, de waarheid en het leven is (vgl. Joh. 14, 6). De zoekers naar eenheid brengen wij bij Christus, die bidt dat wij consummati in unum zijn, de volmaakte eenheid bezitten (Joh. 17, 23). Honger naar rechtvaardigheid moet ons brengen bij de bron van de eenheid onder de mensen, namelijk de kennis dat wij allen kinderen van de Vader zijn, broeders en zusters.

Vrede, waarheid, eenheid, rechtvaardigheid. Wat lijk het soms moeilijk over deze hindernissen - die een beletsel vormen voor een goede verstandhouding onder de mensen - heen te komen. En toch zijn wij, christenen, geroepen om het grote wonder van broederschap te verwezenlijken. Met de genade van God zullen wij bewerkstelligen dat de mensen elkaar christelijk behandelen, door elkaars lasten te dragen (Gal. 6, 2), door te leven volgens het gebod van de liefde, dat de band van de volmaaktheid is en de samenvatting van de wet (vgl. Kol. 3, 14 en Rom. 13, 10).


158

Wij mogen niet verhelen dat er veel te doen blijft. Toen Jezus op zekere dag zijn ogen liet gaan over de langzaam golvende, al rijpe aren, zei Hij tegen zijn leerlingen: De oogst is groot maar werklieden zijn er weinig. Vraag dus de Heer van de oogst dat Hij werklieden zendt voor zijn oogst (Mt. 9, 38). Evenals destijds heeft men heden ten dage gebrek aan werklieden die de last en de hitte van de dag willen dragen (Mt. 20, 12). En als wij arbeiders niet trouw zijn, zal gebeuren wat de profeet Joël schrijft: Het land is ontredderd, het veld ligt in rouw, want het koren is vernield, de most mislukt en de olie verdroogd. De arbeiders staan perplex en de wijnboeren klagen, want de oogst ging verloren (Joël 1, 10-11).

Er zal niet geoogst worden als men niet bereid is dapper en volhoudend het werk te doen dat langdurig en vermoeiend kan zijn zoals ploegen, zaaien, het veld verzorgen, oogsten, dorsen... Het Rijk van God wordt opgebouwd in de geschiedenis, in de tijd. De Heer heeft ons allemaal die taak toevertrouwd en niemand van ons mag er zich van vrijgesteld achten. Als wij vandaag naar Christus in de eucharistie kijken en Hem aanbidden, laten we er dan aan denken, dat het uur van de rust nog niet gekomen is en dat de dag doorgaat.

In het boek der Spreuken wordt gezegd dat wie zijn akker bebouwt, met brood zal worden verzadigd (Spr. 12, 11). Laten we proberen de geestelijke zin van die passage op ons toe te passen. Wie de akker van God niet ploegt, wie niet trouw is aan de zending die God hem heeft toevertrouwd, namelijk om zich te geven aan anderen en hen te helpen Christus te leren kennen, zo iemand zal moeilijk begrijpen wat het eucharistische brood is. Niemand hecht waarde aan hetgeen hem geen enkele inspanning kost. Om de heilige eucharistie naar juiste waarde te schatten en haar te beminnen, moet de weg van Christus doorlopen worden. Dat betekent graankorrel zijn, je zelf laten sterven, vol leven herboren worden en vrucht dragen in overvloed, honderdvoudig (vgl. Mc. 4, 8).

Die weg kan in één woord worden getypeerd: beminnen. Beminnen betekent een groot hart hebben, meevoelen met de zorgen van hen die ons omringen, vergeving schenken en begrip hebben, zich kunnen opofferen met Jezus Christus voor alle zielen. Als wij met het hart van Christus liefhebben, leren wij dienaar te zijn en zullen wij de waarheid ondubbelzinnig en met liefde verdedigen. Om zo lief te hebben moet ieder datgene, wat verhindert dat Christus in hem leeft, uitroeien: de zucht naar comfort, de bekoring van het egoïsme, de behoefte om uit te blinken. Slechts door het leven van Christus in ons opnieuw te beleven, kunnen wij dat op anderen overbrengen. Alleen door als de graankorrel te sterven kunnen wij inwendig werken en van binnen uit omvormen en vruchtbaar maken.


159

Christelijk optimisme

Misschien zijn wij soms geneigd te denken, dat dit alles wel aardig is, maar een niet te verwezenlijken droom. Ik heb u gezegd dat u uw geloof en uw hoop moet vernieuwen. Blijf standvastig in de absolute overtuiging dat onze wensen door de heerlijkheid van God vervuld worden. Maar wij moeten ons dan wel onvoorwaardelijk de christelijke deugd van de hoop beoefenen.

Laten we de wonderen, die bij ons plaatsvinden, niet als iets gewoons gaan beschouwen, vooral het geweldige wonder van de Heer, die elke dag neerdaalt in de handen van de priester. Jezus wil dat wij waakzaam blijven om, overtuigd van de grootheid van zijn macht, telkens weer zijn belofte te horen: venite post me, et faciam vos fieri piscatores hominum (Mc. 1, 17), volgt Mij en Ik zal u tot mensenvissers maken; dan zult u doeltreffend handelen en de zielen naar God trekken. Wij kunnen dus vertrouwen op de woorden van de Heer waarin Hij spreekt over aan boordt gaan, de riemen grijpen, de zeilen hijsen en uitvaren op de zee van de wereld die Christus ons als erfdeel toewijst. Duc in altum et laxate retia vestra in capturam (Lc. 5, 4), kies het ruime sop en werp uw netten uit om te vissen.

Die apostolische ijver die Christus in ons hart heeft gestort moet niet verslappen en uitdoven door een valse nederigheid. Het mag waar zijn dat wij onze persoonlijke ellende met ons meeslepen, het is niet minder waar dat de Heer rekening houdt met onze wankele natuur. Het ontgaat zijn barmhartige blik niet dat de mensen schepselen zijn, met beperkingen, zwakheden, onvolmaaktheden en neiging tot zonde. Maar Hij draagt ons op te vechten, onze fouten te erkennen en niet bang te zijn. Hij zet ons aan tot berouw en roept het verlangen in ons op om beter te worden.

Bovendien mogen wij nooit vergeten dat wij alleen werktuigen zijn in Gods hand. Wat is Apollo? Wat ben ik (Paulus), dat jullie ruzie om ons maken? Wij zijn dienaars, die u het geloof hebben gebracht, elk op de wijze als de Heer hem gegeven heeft. Ik heb geplant, Apollo heeft begoten, maar God heeft wasdom verleend (1 Kor. 3, 4-6). De leer, de boodschap die wij verspreiden, draagt een eindeloze vruchtbaarheid in zich die niet van ons komt, maar van Christus. Het is God zelf die zich heeft ingezet om het werk van het heil, de verlossing van de wereld te verwezenlijken.


160

Geloof dus, zonder ons te laten overheersen door moedeloosheid en zonder ons te verliezen in zuiver menselijke berekeningen. Om deze hinderpalen te overwinnen zullen wij ons geheel en al in het werk storten, zodat deze inspanning zelf voor ons nieuwe paden vrijmaakt. Het middel bij uitstek tegen alle moeilijkheden is persoonlijke heiligheid, overgave aan de Heer.

Heilig zijn is leven zoals onze hemelse Vader wil dat wij leven. U zult zeggen dat dit moeilijk is. Dat is waar: dit ideaal verplicht ons heel hoog te grijpen. Maar het is ook gemakkelijk en ligt het binnen handbereik. Het komt het voor dat er, voor iemand zie ziek is, geen geneesmiddel gevonden kan worden. Bij het bovennatuurlijk leven komt dit niet voor. Daar is altijd een geneesmiddel aanwezig, Jezus Christus die aanwezig is in de heilige eucharistie en die ons bovendien zijn genade geeft in de andere door Hem ingestelde sacramenten.

Laten wij, in woord en daad, blijven zeggen: Heer, ik heb vertrouwen in U. Uw voorzienigheid en hulp van iedere dag zijn mij voldoende. Wij behoeven God geen grote wonderen te vragen Maar wij moeten Hem wel smeken ons geloof te vermeerderen, ons verstand te verlichten en onze wil te versterken. Jezus blijft altijd aan onze zijde, met zijn helpende hand.

Vanaf het begin van mijn preek heb ik u gewaarschuwd tegen een valse vergoddelijking. Raak niet in de war als u ontdekt dat u van stof gemaakt bent. Wordt dan niet ongerust. Want u en ik, wij zijn kinderen van God - dat is de juiste vergoddelijking -, vóór alle eeuwigheid gekozen door een goddelijke roepstem: In Hem toch heeft Hij ons vóór de grondvesting van de wereld uitverkoren, om heilig en vlekkeloos te zijn in zijn oog (Ef. 1, 4). Wij, die in het bijzonder aan God toebehoren, wij die, ondanks onze persoonlijke mislukkingen, instrumenten in Gods hand zijn, wij zijn het meest van nut als wij onze zwakheid niet uit het oog verliezen. De bekoringen geven de maat aan van onze zwakheid. Als u zich terneergeslagen voelt omdat u heel concreet en misschien bijzonder pijnlijk uw nietswaardigheid ervaart, dan is het juiste ogenblik aangebroken om u volledig aan Gods handen toe te vertrouwen. Het verhaal bestaat dat op zekere dag een bedelaar Alexander de Grote om een aalmoes vroeg. Alexander bleef staan en beval hem heer te maken over vijf steden. Verward en verstomd riep de arme man uit: “Zoveel vroeg ik niet!” Alexander antwoordde: “Je hebt gevraagd als arme, ik geef je als vorst.”

Zelfs op die momenten dat wij het diepst ervaren de grens van onze krachten te hebben bereikt, kunnen en moeten wij onze blik wenden naar God de Vader, God de Zoon en God de heilige Geest, wetend dat wij deel hebben aan het goddelijk leven. Wij behoeven nooit achteruit te kijken (vgl. Lc. 9, 62) want de Heer is met ons. Wij moeten trouw zijn, loyaal en aan onze verplichtingen voldoen omdat wij in Jezus de liefde en de stimulans vinden om de fouten van anderen te begrijpen en onze eigen fouten de baas te worden. Dan zal al ons falen, zowel het uwe als het mijne en dat van alle mensen, ook dienen tot de vestiging van het rijk van Christus.

Laten wij onze gebreken erkennen, maar laten wij ook de macht van God belijden. Optimisme, blijdschap en de vaste overtuiging dat de Heer zich van ons wil bedienen, moeten ons christelijk leven bezielen. Als wij ons beschouwen als lid van de heilige kerk, als wij ons gesteund voelen door Petrus - de onwrikbare rots - en de inwerking van de heilige Geest, dan zullen we al onze plichten van ieder moment het best kunnen vervullen, namelijk iedere dag een beetje zaaien. En de oogst zal de schuren laten uitpuilen.


161

Deze tijd van gebed loopt af. Terwijl u, in de intimiteit van uw ziel, de oneindige goedheid van God proeft, gaat u overwegen dat Christus door de woorden van de consecratie werkelijk tegenwoordig zal zijn in de hostie met zijn lichaam en zijn bloed, met zijn ziel en zijn godheid. Aanbid Hem met eerbied en devotie. Hernieuw in zijn tegenwoordigheid de eerlijke offerande van uw liefde. Zeg Hem zonder schroom dat u van Hem houdt. Bedank Hem voor dat dagelijks bewijs van zijn tedere barmhartigheid en vermeerder uw verlangen om Hem met vertrouwen te ontmoeten in de communie. Ik ben vol ontzag voor dat mysterie van liefde. De Heer wil van mijn arm hart zijn troon maken om mij, als ik mij niet van Hem losmaak, niet te verlaten.

Gesterkt door de tegenwoordigheid van Christus, gevoed met zijn lichaam, zullen wij heel dit aardse leven trouw blijven om later, in de hemel, naast Jezus en zijn moeder, waarlijk overwinnaars te zijn. Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw angel? ... God zij gedankt, die ons de overwinning geeft door Jezus Christus, onze Heer (1 Kor. 15, 55 en 57).


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende