Als Christus nu langs komt > De heilige maagd Maria, oorzaak van onze vreugde > Hst 17
171

Homilie gehouden op 15 augustus 1961 (Maria Tenhemelopneming)

Assumpta est Maria in coelum, gaudent angeli (Antifoon van de vespers van het feest), Maria is door God met ziel en lichaam in de hemel opgenomen. Grote vreugde onder engelen en mensen. Waarom zijn we vandaag zo blij? Omdat wij de verheerlijking van onze moeder vieren, en het heel natuurlijk is dat wij, haar kinderen, een bijzondere blijdschap voelen bij het zien van de eer die de allerheiligste Drie-eenheid haar bewijst.

Christus, haar goddelijke Zoon en onze broeder, heeft haar aan ons op de Calvarieberg als moeder gegeven, toen Hij tot de heilige Johannes zei: Zie daar uw moeder (Joh. 19, 27). Op dat uur van mateloze droefheid en verlatenheid hebben wij haar, met de zeer geliefde leerling, tot moeder gekregen. Maria heeft ons in smart ontvangen op het ogenblik dat de oude profetie in vervulling ging: En een zwaard zal uw ziel doorboren (Lc. 2, 35). Wij allen zijn haar kinderen. Zij is de moeder van heel de mensheid. En nu herdenkt de mensheid haar onbeschrijfelijk glorievolle opneming in de hemel... Maria, de dochter van God de Vader, de moeder van God de Zoon, de bruid van God de heilige Geest, stijgt op ten hemel. Boven haar is God, Hij alleen.

Het mysterie van liefde

Het is een mysterie van liefde, zo groot dat de menselijke rede het niet vatten kan. Alleen het geloof kan verklaren dat een schepsel tot zo'n hoge waardigheid kon worden verheven, zo hoog dat dit schepsel tot trefpunt werd waar de liefdevolle blikken van de Drie-eenheid samenkwamen. Wij weten dat het een goddelijk geheim is. Omdat het om onze moeder gaat, zouden we van dit geheim - als men dat zo mag zeggen - iets meer willen begrijpen dan van de andere geloofswaarheden.

Wat zouden wij gedaan hebben als wij onze moeder zelf hadden kunnen kiezen? Ik denk dat wij precies dezelfde moeder hadden gekozen die wij hebben en dat wij haar daarbij met alle voortreffelijkheden hadden overladen. Dat is precies wat Christus heeft gedaan. Omdat Hij almachtig en alwetend is en omdat Hij de liefde zelf is (Deus caritas est, God is liefde, 1 Joh. 4, 8), heeft zijn macht alles verwezenlijkt wat Hij wilde.

Lees eens hoe, heel lang geleden, de christenen die logica hebben ontdekt. De heilige Johannes Damascenus schreef: Het was billijk dat zij, die haar maagdelijkheid bij het baren had bewaard, haar lichaam na de dood vrij van elk bederf behield. Het was billijk dat zij, die de Schepper als een klein kind in haar schoot had gedragen, in het goddelijk verblijf zou wonen. Het was billijk dat de bruid van God de hemelse woning binnenging. Het was billijk dat zij, die haar Zoon op het kruis had gezien en zo in haar hart de smart had ervaren waarvan ze, sinds het ogenblik van het baren, bevrijd was geweest, die Zoon kon aanschouwen, gezeten aan de rechterhand van de Vader. Het was billijk dat de moeder van God verkreeg wat aan haar Zoon toekomt, en dat zij door alle schepselen als moeder en dienstmaagd van God werd geëerd (H. Johannes Damascenus, Homilia II in dormitionem B. V. Mariae, 14 [PG 96, 742]).

Vaak hebben de theologen soortgelijke argumenten naar voren gebracht. Daarmee willen ze ons, op zo overtuigend mogelijke wijze, de zin van die overvloed aan genaden waarmee Maria begiftigd is, laten begrijpen. Een overvloed die haar toppunt bereikt bij haar opneming ten hemel. Zij zeggen: Het was billijk, God kon het doen, dus deed Hij het (vgl. Johannes Duns Scotus, In III Sententiarum, dist. III, q I). Dat is de duidelijkste uitleg, waarom de Heer aan zijn moeder alle voorrechten heeft toegekend, vanaf het eerste ogenblik van haar onbevlekte ontvangenis. Zij is behoed voor de greep van Satan. Zij is schoon, tota pulchra, smetteloos, geheel zuiver naar ziel en lichaam.


172

Het mysterie van het stille offer

Maar al heeft God zijn moeder willen verheffen, toch zijn Maria tijdens haar aardse leven niet de beproeving van de smart, de vermoeienissen van het werk, noch de duisternis van het geloof bespaard gebleven. Aan de vrouw uit het volk, die op zekere dag Jezus uitbundig loofde door uit te roepen: Gelukkig de schoot die u gedragen en de borst die u gevoed heeft, antwoordde Jezus: Gelukkig zijn veeleer zij die naar het woord van God luisteren en het onderhouden (Lc. 11, 27-28). Het was een lofprijzing die zijn moeder gold, haar fiat (Lc. 1, 38), haar oprecht en edelmoedig het geschiede tot het uiterste toe. Een aanvaarding, niet door opzienbarende daden, maar door een dagelijks stil en verborgen offer.

Als wij die waarheden overwegen, begrijpen wij iets beter de logica van God. Wij realiseren ons dan dat de bovennatuurlijke waarde van ons leven niet afhangt van grote heldendaden, die alleen maar in onze verbeelding tot stand komen, maar van de trouwe aanvaarding van God's wil en onze edelmoedigheid in het dagelijks brengen van kleine offertjes.

Om goddelijk te zijn, om ons te vergoddelijken moeten wij allereerst zeer menselijk zijn door, voor het aangezicht van God, te erkennen dat wij gewone mensen zijn die slechts schijnbaar gering zijn, want wij kunnen deze geringheid heiligen. Zo heeft Maria geleefd, vol van genade. En zij is, als voorwerp van alle goddelijke gunsten, boven de engelen en heiligen geplaatst. Zij heeft een gewoon bestaan geleid. Maria is een schepsel zoals wij met een hart als het onze dat vreugde en vrolijkheid, lijden en tranen kent. Voordat Gabriël haar Gods wil doet kennen, weet Maria helemaal niet dat zij vanaf het begin als moeder van de Messias uitverkoren is. Zij beschouwt zichzelf als nietswaardig (vgl. Lc. 1, 48). Daarom erkent zij, met diepe nederigheid, dat de Almachtige grote dingen aan haar heeft gedaan (vgl. Lc. 1, 49).

De zuiverheid, de nederigheid en edelmoedigheid van Maria vormen een fel contrast met onze fouten en ons ons egoïsme. Het is normaal dat wij, na dat te hebben ingezien, ons aangespoord voelen haar na te volgen. Wij zijn, evenals zij, schepselen van God en het is voldoende dat wij ons inspannen om trouw te zijn, opdat de Heer ook in ons grote dingen bewerkt. Onze geringheid kan geen hinderpaal zijn, want God kiest uit wat weinig waarde heeft, zodat de macht van zijn liefde zich nog duidelijker manifesteert (vgl. 1 Kor. 1, 27-29).


173

Maria navolgen

Onze moeder is een voorbeeld van het beantwoorden aan de genade. Als wij haar leven overdenken, zal de Heer ons verlichten zodat ook wij ons gewone bestaan leren te vergoddelijken. Het hele jaar door, tijdens de vieringen van mariale feesten en in ons leven van iedere dag, denken wij christenen vaak aan onze hemelse moeder. Als wij van die ogenblikken profiteren om ons voor te stellen, hoe onze moeder zich bij de ons opgelegde taken zou gedragen, dan zullen wij steeds meer van haar gaan leren. Tenslotte zullen wij op haar gaan lijken, zoals kinderen lijken op hun moeder.

Laten wij allereerst haar liefde navolgen. De liefde blijft niet beperkt tot het gevoel. Die moet zich ook uiten in onze woorden en vooral in onze daden. De heilige maagd Maria heeft niet alleen haar fiat uitgesproken. Voortdurend heeft zij haar bereidheid omgezet in kordate, onherroepelijke beslissingen. Zo moet het ook met ons gaan. Als de liefde van God ons aanspoort en wij ontdekken wat Hij wil, zullen wij ons inspannen om daadwerkelijk trouw en loyaal te zijn. Want niet door te zeggen: Heer, Heer, gaat men het Rijk der Hemelen binnen, maar door de wil te doen van mijn Vader, die in de hemel is (Mt. 7, 21).

Wij willen de natuurlijke en bovennatuurlijke fijnzinnigheid van Maria navolgen. In de geschiedenis van het heil is zij een bevoorrecht schepsel. In haar is het Woord vlees geworden en heeft het onder ons gewoond (Joh. 1, 14). Zij was een fijngevoelige getuige die onopgemerkt haar weg ging. Zij wilde geen loftuitingen ontvangen, want zij verlangde geen eer voor zichzelf. Maria is getuige geweest van de kinderjaren van haar goddelijke Zoon, met de mysteries daaraan verbonden. Normale mysteries, zou men kunnen zeggen. Op het moment van de grote wonderen, tijdens de toejuichingen van de menigte, blijft ze op de achtergrond. In Jeruzalem, als Christus rijdend op een ezel als koning wordt toegejuicht, is Maria er niet bij. Maar we vinden haar terug aan de voet van het kruis, als iedereen vlucht. Die gedragswijze straalt de grootheid, de diepte en heiligheid van haar ziel uit.

Wij moeten trachten haar voorbeeld van gehoorzaamheid aan God na te volgen. Een gehoorzaamheid waarbij de geest van dienstbaarheid en edelmoedigheid harmonieus samengaan. Bij Maria vinden wij niets van de houding van de dwaze maagden die wel gehoorzamen, maar op een onnadenkende manier. Maria luistert aandachtig naar wat God van haar wil. Zij overdenkt wat zij niet begrijpt, zij stelt vragen over wat zij niet weet. Dan legt ze zich met heel haar wezen toe op het vervullen van de goddelijke wil: Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord (Lc. 1, 38). Iets wonderbaarlijks! De heilige Maria, die heel ons doen en laten leidt, leert ons dat gehoorzaamheid aan God geen slaafsheid is en ons geweten niet vervormt tot een ijzeren juk, maar ons innerlijk stuwt naar de ontdekking van de vrijheid der kinderen Gods (vgl. Rom. 8, 21).

School van gebed


174

De Heer heeft u ongetwijfeld al de gunst verleend om nog andere aspecten van dat trouwe antwoord van Maria te ontdekken. Aspecten die spontaan oplichten en ons uitnodigen haar voorbeeld te volgen. Deugden zoals haar nederigheid, karaktervastheid, edelmoedigheid en trouw. Over één van die eigenschappen, die alle andere overtreft, wil ik spreken. Want dat is het milieu waarin de geestelijke vooruitgang plaatsvindt: het gebedsleven.

Als wij profijt willen trekken uit de genaden die onze moeder vandaag voor ons verkrijgt en als wij ieder ogenblik willen meewerken met de ingevingen van de heilige Geest, de herder van onze zielen, dan zullen wij ons ten zeerste inspannen om een intensievere omgang met God te ontwikkelen. Wij kunnen ons niet verschuilen achter de anonimiteit. Als het inwendige leven geen persoonlijke ontmoeting met God is, dan bestaat het niet. Oppervlakkigheid is niet christelijk. Sleur toelaten in de strijd om de godsvrucht, betekent zoveel als de overlijdensakte tekenen van de beschouwende ziel. God zoekt ieder van ons afzonderlijk: Hier ben ik, Heer, want Gij hebt mij geroepen (1 Sam. 3, 5).

Bidden, dat weten wij allemaal, is spreken met God. Misschien vraagt iemand mij: 'spreken...waarover?' Waarover anders dan over de dingen van God en over de dingen die onze dag vullen. Wij praten met Jezus over zijn geboorte, over zijn tocht door deze wereld, zijn verborgen leven en zijn prediking. Over zijn wonderen, zijn verlossend lijden, zijn kruis en zijn verrijzenis. Vervolgens spreken wij in tegenwoordigheid van de heilige Drie-eenheid, terwijl we de heilige Maria als middelares en de heilige Jozef, onze vader en heer - die ik liefheb en vereer - als voorsprekers aanroepen over ons alledaagse werk, ons gezin, onze vrienden, onze grote plannen en kleine mislukkingen.

Het thema van mijn gebed is het thema van mijn leven. Zo bid ik dat mijn bidden, op heel natuurlijke wijze, het vaste besluit in mij mag laten ontstaan om te veranderen, mij te verbeteren, om Gods liefde meer te gaan volgen. Het is een eerlijk en concreet besluit dat altijd vergezeld zal gaan van een dringend verzoek vol vertrouwen aan de heilige Geest om mij niet te verlaten, want Gij, Heer, zijt mijn kracht (Ps. 42, 2).

Wij zijn gewone christenen. Wij werken in de meest uiteenlopende beroepen. Onze activiteit kiest gewone wegen. Alles verloopt volgens een ritme dat wij kunnen voorzien. Onze dagen lijken alle dezelfde, bijna monotoon...akkoord. Maar dat schijnbaar gewone leven heeft een goddelijke waarde. In de ogen van God is het belangrijk zoals het is. Christus wil vlees worden in onze bezigheden. Hij wil onze nederigste handelingen van binnenuit bezielen.

Die gedachte is een bovennatuurlijke, ondubbelzinnige werkelijkheid en het is geen fantasie om ons te troosten of op te monteren, wij die wellicht nooit het gouden boek van de geschiedenis met onze naam zullen tekenen. Het werk dat wij misschien wel duizenden keren moeten verrichten op kantoor, in de fabriek, op school, op het land, bij handwerk of geesteswerk, is Christus geïnteresseerd. En Christus stelt ook veel belang in het verborgen offer, dat eruit bestaat dat wij de gal van ons slechte humeur niet onder onze medemensen verspreiden.

Neem die gedachten nog eens extra mee in uw gebed. Laat het u ten voordeel zijn om tegen Jezus te kunnen zeggen dat u Hem aanbidt. Dan bent u midden in de wereld, in het straatrumoer en overal elders een echt contemplatieve mens. Dat is de eerste les die wij uit onze omgang met Jezus Christus kunnen trekken. Die les kan ons het best geleerd worden door Maria, want de heilige maagd heeft altijd die geloofshouding, die bovennatuurlijke visie gehad op alles wat er om haar heen gebeurde: Zij bewaarde dit alles in haar hart (Lc. 2, 51).

Laten wij vandaag Maria vragen om ons tot contemplatieve mensen te maken en ons de voortdurende roep van de heer aan de deur van ons hart goed te laten begrijpen. Zo moeten wij bidden: onze moeder, u heeft ons Jezus op de aarde gebracht, Hem, die ons de liefde van God onze vader openbaart. Help ons Hem ontdekken in onze dagelijkse bezigheden. Leer ons verstand en onze wil te luisteren naar de stem van God. Leer ons de impulsen van zijn genade op te volgen.


175

Lerares voor apostelen

Maar denk niet alleen aan uzelf. Zet uw hart wijd open om heel de mensheid te kunnen omvatten. Denk vooral aan de mensen in uw omgeving, familie, vrienden en collega's en overweeg hoe u ze kunt helpen hun vriendschap met onze lieve Heer te verdiepen. Zijn het rechtschapen personen met een diep normbesef, die in staat zijn om een innige omgang met God te ontwikkelen, beveel hen dan 'hierboven' aan, in het bijzonder bij Maria. En bid ook voor de zovele zieken die u niet kent, want wij mensen zitten allemaal in hetzelfde schuitje.

Wees loyaal, wees edelmoedig. Wij zijn leden van één lichaam, het mystieke lichaam van Christus, de heilige Kerk waartoe velen, die de waarheid zoeken in al haar dimensies, zijn geroepen. Wij hebben de absolute plicht aan anderen de grootheid en de diepte van Christus' liefde bekend te maken. De christen mag geen egoïst zijn. Als hij het wel was, zou hij verraad plegen aan zijn eigen roeping. De houding van die mensen die aan zichzelf genoeg hebben en er slechts op uit zijn om de eigen innerlijke vrede te bewaren, een valse vrede, en zich niet bekommeren om het welzijn van anderen, is een onchristelijke houding. Als wij de ware betekenis van het menselijk leven hebben aanvaard, zoals dat door ons geloof aan ons wordt geleerd, dan pas zullen we in vrede met God en onszelf kunnen leven wanneer we wij, op een praktische en concrete manier, proberen om onze medemens dichter bij God te brengen.

Wees hierbij steeds attent op de echte hinderpaal voor het apostolaat: het menselijk opzicht. Dat wil zeggen de angst om geestelijke onderwerpen aan te snijden. Dit omdat zo'n gesprek in sommige kringen niet in de smaak zou kunnen vallen en daarbij mogelijk op gevoelige tenen getrapt wordt. Is zo'n opvatting niet vaak het masker van egoïsme? Wij willen niemand kwetsen, integendeel, wij willen dienstbaar zijn. Zelfs al zijn we persoonlijk onwaardig, dan nog kan de genade van God ons als instrument gebruiken om nuttig te zijn voor anderen aan wie wij deze blijde boodschap brengen. God wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen (1 Tim. 2, 4).

Mag je dan zo maar binnendringen in het leven van anderen? Ja, het is zelfs noodzakelijk. Christus is ook ons leven binnengedrongen, zonder toestemming te vragen! Zo heeft Hij gehandeld met de eerste leerlingen. Toen Hij langs het meer van Galilea kwam, bemerkte Hij Simon en Andreas zijn broer, die hun netten in zee wierpen. Want het waren vissers. En Jezus zei tegen hen: Kom en volg Mij, Ik zal mensenvissers van u maken (Mc. 1, 16-17). Ieder behoudt de vrijheid, weliswaar de valse vrijheid, om 'neen' te zeggen tegen God, zoals de rijke jongeman waarover de heilige Lucas ons spreekt (vgl. Lc. 18, 23). Naast de Heer hebben ook wij - als wij willen gehoorzamen aan zijn opdracht: Gaat heel de wereld door, en predikt het evangelie aan ieder schepsel (vgl. Mc. 16, 15) - het recht en de plicht over God te spreken. Over dat zo diep menselijke onderwerp, omdat het verlangen naar God het diepste is wat in het hart van de mens is gelegd.

Heilige Maria, Regina apostolorum, koningin van de apostelen, koningin van allen die vurig verlangen de liefde van uw Zoon te verbreiden. Gij die alles weet van onze beperktheden, vraag om vergiffenis voor ons leven, vergiffenis voor wat in ons vuur had kunnen zijn en slechts as was. Vergiffenis voor het licht dat uitdoofde, voor het zout dat smakeloos werd. Moeder van God, smekende almacht, verkrijg voor ons, met die vergiffenis, de kracht om echt uit hoop en liefde te leven om zo aan anderen het geloof van Christus te kunnen brengen.


176

De enige weg: de persoonlijke heiligheid

De beste manier om onze apostolische durf, de vruchtbare hartstocht om alle mensen te dienen, nooit te verliezen, is alleen maar te vinden in de volheid van geloof, hoop en liefde. In één woord, de heiligheid. Ik zie geen ander recept dan dit: de persoonlijke heiligheid.

Vandaag vieren wij, verenigd met heel de Kerk, de triomf van de dochter, de bruid en de moeder van God. En zoals wij op het paasfeest, drie dagen na zijn dood, ons verheugden over de verrijzenis van de Heer, zo verheugen wij ons nu omdat Maria, na Jezus van Betlehem tot aan het kruis vergezeld te hebben, zich bij Hem bevindt, met lichaam en ziel, de glorie genietend in alle eeuwigheid. Zo is het geheimvolle heilsplan. Maria, volledig deelgenote aan het heilswerk, moest haar zoon stap voor stap volgen. De armoede van Betlehem, het verborgen leven en het gewone werk te Nazaret, de openbaring van de godheid te Kana in Galilea, de hoon en smaad van het lijden, het goddelijk offer van het kruis en tenslotte de eeuwige zaligheid van het paradijs.

Dit alles heeft direct met ons te maken, want die bovennatuurlijke levensloop moet ook onze weg zijn. Maria toont ons dat die weg begaanbaar en veilig is. Zij is ons voorgegaan op de weg van de navolging van Christus. De verheerlijking van onze moeder is de vaste hoop op ons eigen heil. Daarom zeggen wij van haar dat zij onze hoop is en oorzaak van onze blijdschap, spes nostra en causa nostrae laetitiae.

Nooit mogen wij het vertrouwen verliezen dat wij heilig zullen worden, dat wij de uitnodiging van God ontvangen hebben en zullen volharden tot het einde toe. God, die in ons het werk van onze heiliging begonnen is, zal het voltooien (vgl. Fil. 1, 6). Want als de Heer voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Hij, die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem voor ons allen heeft overgeleverd, hoe zou Hij ons tegelijk met Hem niet alles schenken? (Rom. 8, 31-32).

Op dit feest nodigt alles ons uit tot blijdschap. De vaste hoop op onze persoonlijke heiliging is een gave van God. Maar de mens kan niet passief blijven. Roep bij uzelf de woorden van Christus in herinnering: Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen (Lc. 9, 23). Ziet u dat in? Het kruis wacht u elke dag. Nulla dies sine cruce! Geen dag zonder kruis. Geen dag of wij moeten zelf, beladen met het kruis van de Heer, zijn juk op ons nemen. Daarom heb ik ook niet willen nalaten, u eraan te herinneren dat de vreugde der verrijzenis een gevolg is van de smart van het kruis.

Maar wees niet bang, want de Heer zelf heeft ons gezegd: Komt allen tot Mij, die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht (Mt. 11, 28-30). Komt, zo geeft Johannes Chrysostomus commentaar, niet om rekenschap te geven, maar om van uw zonden verlost te worden. Komt, want ik heb uw glorie, die gij mij kunt brengen, niet nodig. Ik heb uw zaligheid nodig. Weest niet bang als u van het juk hoort spreken, want het is zacht. Weest niet bang als ik spreek van last, want hij is licht (H. Johannes Chrysostomus, In Matthaeum homilae, 37, 2 [PG 57, 414]).

De weg van onze persoonlijke heiliging gaat dagelijks langs het kruis. Het is geen trieste weg, want Christus zelf helpt ons. Naast hem is geen plaats voor treurigheid. In laetitia, nulla dies sine cruce, zeg ik altijd graag. In onze ziel die overvloeit van vreugde is er geen dag zonder kruis.


177

De christelijke vreugde

Laten we nog eens het thema, dat de Kerk ons voorhoudt, opnemen. Maria is ten hemel opgenomen, met ziel en lichaam. De engelen juichen van vreugde! Ik denk ook aan de uitbundige blijdschap van de heilige Jozef, haar zeer kuise echtgenoot, die op haar komst in het paradijs wachtte. Maar, laten we maar weer naar de aarde terugkeren. Het geloof zegt ons dat wij hier beneden in dit leven op pelgrimstocht zijn, op reis, en dat het ons niet zal ontbreken aan offers, leed en ontberingen. Aan de andere kant zullen we op onze weg ook vele vreugdevolle momenten beleven.

Dien de Heer in vreugde (Ps. 99, 2). Er bestaat geen andere manier om Hem te dienen. God houdt van hem die met vreugde geeft (2 Kor. 9, 7). Hij houdt van hem die zich helemaal geeft, in blijheid tot offers bereid, omdat er geen enkele reden is om over zijn zelfgave in droefheid te verkeren.

U zult misschien denken dat mijn optimisme overdreven is, want alle mensen kennen hun onvolkomenheden en mislukkingen. Zij ondervinden verdriet, moeheid, ondankbaarheid, misschien zelfs haat. Wij, christenen, mensen zoals de anderen, kunnen toch niet verwachten dat de vaste regels van het menselijk bestaan voor ons niet gelden?

Het zou naïef zijn te willen ontkennen dat leed, ontmoediging, droefheid en eenzaamheid onze vaste metgezellen zijn gedurende onze pelgrimstocht op deze aarde. Maar het geloof leert ons met zekerheid dat dit alles geen toeval is. Dat wij schepselen niet bestemd zijn om ons verlangen naar geluk eens in rook op te zien gaan. Het geloof leert dat alles een goddelijke betekenis heeft, want alles hangt samen met onze roeping die ons voert naar de woning van de Vader. Het op bovennatuurlijke wijze beschouwen van het aardse bestaan van de christen betekent niet dat de complexiteit van de mens op kunstmatige wijze wordt vereenvoudigd. Die opvatting geeft de mens juist de zekerheid dat, in zijn complexiteit, de zenuw kan lopen van Gods liefde. Een robuuste en onverwoestbare kabel die ons leven op aarde verbindt met het definitieve leven in het vaderland.

Het feest van Maria ten hemelopneming brengt ons in innig contact met de blijde hoop. Wij zijn nog pelgrims, maar onze moeder is ons voorgegaan en toont ons reeds het einde van de weg. Zij zegt ons opnieuw dat het mogelijk is er te komen, en dat wij er komen als we trouw zijn. Want de maagd Maria is niet alleen een voorbeeld voor ons, zij is ook de hulp van de christenen. En als we smeken: Monstra te esse Matrem (Hymne Ave maris stella), toon u als onze moeder, dan kan noch wil zij haar kinderen haar moederlijke zorg onthouden.


178

De vreugde is een christelijk goed. Ze kwijnt alleen weg als God beledigd wordt, want de zonde is een gevolg van het egoïsme, en egoïsme brengt droefheid voort. Zelfs dan blijft die vreugde als het ware nog smeulen in de ziel. Want het spreekt vanzelf - wij weten het - dat God en zijn moeder de mensen nooit vergeten. Als wij berouw hebben, als er uit ons hart een opwelling van spijt opstijgt, als wij ons zuiveren door een goede biecht, dan komt God ons tegemoet en vergeeft ons. Dan is er geen droefheid meer. Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van jou dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden (Lc. 15, 32).

Die woorden vormen het wonderbaarlijke laatste deel van de parabel van de verloren zoon, dat we nooit genoeg kunnen overwegen. Zie, de Vader komt u tegemoet. Hij zal zijn hoofd op uw schouder leggen. Hij zal u een kus geven als onderpand van liefde en tederheid. Hij zal u nieuwe kleren, een ring en schoeisel geven. U bent nog bang voor een terechtwijzing, maar Hij geeft u uw waardigheid terug. U bent bang voor straf en Hij geeft u een kus. U vreest een woord van verwijt en Hij bereidt een feestmaal voor u (H. Ambrosius, Expositio Evangelii secundum Lucam, 7 [PL 15, 1540]).

De liefde van God is onpeilbaar diep. Als Hij zo doet met hem die Hem beledigd heeft, wat zal Hij dan niet doen om zijn moeder te eren, de onbevlekte, virgo fidelis, de zeer heilige, altijd trouwe maagd?

Als de liefde van God zo groot is en het menselijke en vaak verraderlijke hart zó klein, hoe groot zal dan wel het hart van Maria zijn, dat de wil van God nooit in de weg heeft gestaan?

Zie hoe de liturgie van dit feest de vertolking is van ons onvermogen om met het menselijke verstand de oneindige barmhartigheid van de Heer te begrijpen. De liturgie zingt liever dan dat ze verklaart. Ze laat de verbeelding werken om ieder ertoe te brengen zijn vurige liefde te uiten in lofzangen. Wij kunnen daarin nooit ver genoeg gaan. Er verscheen een groot teken aan de hemel, een vrouw bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon met twaalf sterren (Apok. 12, 1). De koning is verliefd op uw schoonheid. Hoe schittert zij, de dochter van de koning, met goud doorweven is haar gewaad (Ps. 44, 12-14).

De liturgie besluit met de woorden van Maria, waarin de diepste nederigheid gepaard gaat met de grootste glorie. En zie, vanaf heden prijst elk geslacht mij zalig omdat Hij aan mij zijn wonderwerken deed die machtig is en heilig is zijn naam (Lc. 1, 48-49).

Cor Mariae dulcissimum, iter para tutum. Allerzoetst hart van Maria, geef ons kracht en bescherming op onze aardse weg. Wees zelf onze weg, want gij kent het pad en de meest veilige en kortste verbinding die, door uw liefde, naar de liefde van Jezus Christus leidt.


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende