Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Christus komt langs > In de werkplaats van Jozef > Hst 4
39

Homilie op het feest van de heilige Jozef, 19 maart 1963



Heel de Kerk erkent de heilige Jozef als haar beschermer en patroonheilige. Er is in de loop van de eeuwen veel over hem gezegd en verschillende aspecten van zijn leven van voortdurende trouw aan de opdracht die God hem had toevertrouwd zijn belicht. Daarom roep ik hem al vele jaren met een diepe genegenheid aan als onze vader en heer.

De heilige Jozef is ook echt onze vader en heer; hij beschermt en begeleidt de mensen die hem vereren op hun aardse weg, zoals hij Jezus begeleidde op zijn weg naar volwassenheid. In de omgang met deze heilige aartsvader ontdekken we dat hij ook een leermeester van het geestelijk leven is. Door hem leren we Jezus kennen, met Hem om te gaan en ons deel van het gezin van God te weten. Dat leert hij ons door zichzelf te zijn: een gewone man, de vader in een gezin, een arbeider die zijn kost verdient met het werk van zijn handen. Dit geeft stof om over na te denken en om dankbaar voor te zijn.

Vandaag, op zijn feest, wil ik zijn persoon naar voren halen en in herinnering brengen wat het evangelie over hem zegt, zodat we beter kunnen begrijpen wat God ons door het eenvoudige leven van de echtgenoot van de Maagd Maria wil zeggen.


40

De figuur van de heilige Jozef in het evangelie



Zowel de heilige Matteüs als de heilige Lucas vertellen ons dat Jozef uit een beroemd geslacht stamde: dat van David en Salomo, koningen van Israël. De details van zijn afstamming zijn historisch enigszins onduidelijk. We weten niet welke van de twee geslachtslijsten die de evangelisten ons geven bij Maria hoort — die de moeder van Jezus was naar het vlees —, en welke bij de heilige Jozef, die volgens de Joodse wet zijn vader was. We weten ook niet of de geboorteplaats van Jozef Betlehem was waar hij voor de volkstelling naar toe ging, of Nazareth waar hij woonde en werkte.

Wat we wel weten is dat hij niet rijk was. Hij was een arbeider zoals miljoenen mensen op de wereld. Hij had het vermoeiende en bescheiden beroep dat God voor zichzelf gekozen had toen Hij ons vlees aannam en dertig jaar lang als een van de onzen wilde leven.

De heilige Schrift zegt dat Jozef een handarbeider was. Verschillende kerkvaders voegen daar aan toe dat hij timmerman was. De heilige Justinus schrijft dat Jezus ploegen en jukken maakte [Zie H. Justinus, Dialogus cum Tryphone, 88, 2, 8 (PG 6, 687)]. Misschien heeft de heilige Isidorus van Sevilla uit deze woorden afgeleid dat Jozef smid was. In ieder geval was hij een arbeider die zich door jarenlang zwoegen en zweten bekwaamd had en in dienst van de mensen in zijn omgeving werkte.

Uit de informatie van het evangelie blijkt de grote persoonlijkheid van de heilige Jozef: nooit komt hij naar voren als iemand die het benauwd krijgt of bang is voor het leven. Integendeel, hij pakt de problemen aan, wordt moeilijke situaties de baas en neemt met verantwoordelijkheid en initiatief de taken op zich die hem worden toevertrouwd.

Ik sta niet achter de klassieke voorstellingswijze van de heilige Jozef als een oude man, ondanks de goede bedoeling om zo de blijvende maagdelijkheid van Maria te laten uitkomen. Ik stel me hem voor als jong, sterk, misschien een paar jaar ouder dan Onze Lieve Vrouw, maar in de bloei en in de kracht van zijn leven.

Om een kuis leven te leiden hoef je niet te wachten tot je oud bent of geen kracht meer hebt. Kuisheid is een vrucht van de liefde, en de kracht en vrolijkheid van de jeugd staan een zuivere liefde niet in de weg. Toen Jozef met Maria in het huwelijk trad was hij jong van jaren en jong van hart, ook toen hij het mysterie van haar goddelijk moederschap leerde kennen en toen hij met haar onder één dak woonde en haar ongereptheid eerbiedigde waarmee God nog een teken van zijn komst onder de mensen wilde geven. Wie niet in staat is zo een liefde te begrijpen weet erg weinig van echte liefde en heeft helemaal geen weet van de christelijke betekenis van de kuisheid.

We zeiden dat Jozef een ambachtsman uit Galilea was, een man zoals velen. Wat kan een bewoner van een afgelegen dorpje als Nazareth van het leven verwachten? Alleen maar werken, elke dag opnieuw, altijd met dezelfde inspanning. En aan het einde van de dag is er een arm, klein huisje om op krachten te komen en de volgende dag opnieuw aan de slag te gaan.

Maar de naam Jozef betekent in het Hebreeuws God zal eraan toevoegen. God voegt onvermoede dimensies toe aan het heilige leven van allen die zijn wil doen. Hij voegt toe wat belangrijk is, wat waarde geeft aan alles, wat goddelijk is. Aan het eenvoudige en heilige leven van Jozef voegde Hij — als ik het zo mag zeggen — het leven van de Maagd Maria toe en dat van Jezus, onze Heer. God laat zich nooit in edelmoedigheid overtreffen. De woorden van zijn vrouw, de Maagd Maria, hadden ook zijn woorden kunnen zijn: Quia fecit mihi magna qui potens est. Hij die almachtig is heeft grote dingen aan mij gedaan, quia respexit humilitatem, want Hij heeft zijn blik laten rusten op mijn geringheid (Lc 1, 48-49).

Jozef was een gewone man en God vertrouwde op hem om grote dingen tot stand te brengen. Bij de verschillende gebeurtenissen in zijn leven handelde hij zoals de Heer van hem verlangde. Daarom prijst de heilige Schrift hem en zegt dat hij rechtvaardig was (zie Mt 1, 19). In het Hebreeuws wil “rechtvaardig” zeggen: vroom, onberispelijk dienaar van God, uitvoerder van de wil van God (zie Gen 7, 1; 18, 23-32; Ez 18, 5 e.v.; Spr 12, 10). Op andere plaatsen betekent het: goed en barmhartig voor de naaste (zie Tob 7, 5; 9, 9). Kortom: de rechtvaardige is degene die God liefheeft en dat laat zien door zijn geboden te onderhouden en heel zijn leven in dienst te stellen van zijn broeders en zusters, van de andere mensen.


41

Het geloof, de liefde en de hoop van Jozef



Rechtvaardigheid betekent niet dat men zich zonder meer onderwerpt aan regels; rechtvaardigheid moet van binnenuit komen, moet diepgang hebben en vitaal zijn, want de rechtvaardige leeft uit het geloof (Hab 2, 4). Leven uit het geloof. Deze woorden, die later voor de apostel Paulus zo vaak het onderwerp van zijn beschouwingen waren, zijn in de heilige Jozef volop werkelijkheid geworden. Hij doet de wil van God niet formeel of uit routine, maar spontaan en van harte. De wet, die door iedere praktiserende jood werd nageleefd, was voor hem geen gewoon wetboek of een koude lijst met voorschriften, maar een uiting van de wil van de levende God. Daarom kon hij de stem van de Heer herkennen toen deze zich onverwachts en verrassend openbaarde.

Het leven van de heilige aartsvader was eenvoudig, maar niet gemakkelijk. Na een bange tijd komt hij te weten dat Maria haar Kind heeft ontvangen van de heilige Geest. Dat Kind, de Zoon van God, een afstammeling van David naar het vlees, wordt geboren in een grot. Engelen vieren zijn geboorte en mensen uit verre landen komen om Hem te aanbidden, maar de koning van Judea wil zijn dood en ze zijn gedwongen om te vluchten. De Zoon van God lijkt een weerloos kind dat in Egypte zal wonen.


42

Wanneer de heilige Matteüs deze gebeurtenissen in zijn evangelie vertelt, benadrukt hij hoe Jozef de aanwijzingen van God zonder aarzelen opvolgt, ook als de betekenis ervan hem soms duister is, of het verband met de overige plannen van God voor hem verborgen blijft.

De kerkvaders en de geestelijke schrijvers hebben vaak op zijn sterk geloof gewezen. Johannes Chrysostomus zegt over de reactie van Jozef, wanneer de engel hem de opdracht geeft om voor Herodes naar Egypte te vluchten: (zie Mt 2, 13). Toen Jozef dat hoorde, nam hij er geen aanstoot aan en zei ook niet: dat is vreemd. Kort geleden gaf u mij te verstaan dat Hij zijn volk zou redden en nu is Hij niet eens in staat om zichzelf te redden en moeten we vluchten, een reis ondernemen en lange tijd wegblijven. Dat gaat tegen uw belofte. Zo redeneert Jozef niet want hij is trouw. Ook stelt hij geen vragen over de tijd van terugkeer, hoewel de engel dat in het ongewisse had gelaten, want hij had gezegd: Blijf daar – in Egypte – tot ik het u zeg. Toch maakt hij geen moeilijkheden, hij gehoorzaamt, hij gelooft en verdraagt blijmoedig alle beproevingen [In Matthaeum homiliae, 8, 3 (PG 57, 85)].

Het geloof van Jozef wankelt niet, hij gehoorzaamt onmiddellijk, zonder ook maar één moment te aarzelen. We kunnen deze les beter begrijpen als we bedenken dat zijn geloof actief is, en dat zijn volgzaamheid niet betekent dat hij zich door de gebeurtenissen laat leiden. Want niets is zo in strijd met het christelijk geloof als conformisme, apathie of gebrek aan geestkracht.

Jozef liet zijn leven zonder enig voorbehoud in de handen van God, maar hij dacht na over wat er gebeurde. Zo heeft hij van de Heer het vermogen gekregen de werken van God te begrijpen, de ware wijsheid. Hij leerde op die manier, stap voor stap, dat de bovennatuurlijke plannen een goddelijke samenhang hebben, en dat ze soms tegen de menselijke plannen ingaan.

De patriarch verzuimt niet om bij de verschillende omstandigheden na te denken en met verantwoordelijkheid te handelen. Integendeel, hij stelt zijn ervaring in dienst van het geloof. Toen hij uit Egypte terugkwam en hoorde dat Archelaos in plaats van zijn vader Herodes in Judea heerste, vreesde hij daarheen te gaan (Mt 2, 22). Hij had geleerd binnen het kader van de goddelijke plannen te handelen. Als een bevestiging dat God inderdaad dát wil wat hij al vermoedde, krijgt hij de aanwijzing om zich in Galilea terug te trekken.

Zo was het geloof van de heilige Jozef: zonder voorbehoud, vol vertrouwen, met een actieve overgave aan de wil van God, in een bewust beleefde gehoorzaamheid. En met het geloof komt de naastenliefde, de liefde. Zijn geloof is versmolten met de liefde, met de liefde voor God die de beloften aan Abraham, Jacob en Mozes in vervulling kwam brengen; met zijn liefde als echtgenoot van Maria, en met zijn vaderliefde voor Jezus. Hij gelooft en bemint en heeft vertrouwen in de grote zending die God in de wereld begon, de verlossing van de mensen, waarbij Hij zich ook van hem, Jozef, een timmerman uit Galilea, wilde bedienen.


43

Geloof, hoop en liefde zijn de assen waar het leven van de heilige Jozef en van iedere christen om draait. Zijn overgave is als een vlechtwerk van trouwe liefde, liefdevol geloof en hoopvol vertrouwen. Daarom is zijn feest een welkome aanleiding om onze overgave aan de christelijke roeping, die God aan ieder van ons geschonken heeft, te vernieuwen.

Als we oprecht willen leven vanuit het geloof, de hoop en de liefde, dan gaat het bij de hernieuwing van de overgave niet om iets oppakken dat in onbruik is geraakt. Als er geloof, hoop en liefde is willen we, ondanks onze fouten, mislukkingen en zwakheden, in de handen van God blijven. Het is de bevestiging dat we trouw willen zijn. Onze overgave hernieuwen is, met andere woorden, de hernieuwing van de trouw aan wat de Heer van ons wil: liefhebben met daden.

De liefde heeft noodzakelijkerwijs specifieke uitingen. Soms spreekt men van liefde alsof het een streven naar eigen voldoening is, of louter een weg voor het egoïsme. Zo is het niet. Echte liefde betekent dat je buiten jezelf treedt, dat je je geeft. Liefde brengt vreugde met zich mee, maar een vreugde waarvan de wortels de vorm hebben van een kruis. Zolang we op aarde zijn en we de volheid van het toekomstige leven nog niet hebben bereikt, kan er geen echte liefde zijn zonder leed en offer. Het is weliswaar een zoet en beminnenswaardig lijden, een bron van inwendige vreugde, maar het doet pijn, want het betekent dat we over ons egoïsme moeten heenstappen en de Liefde als richtlijn nemen bij alles wat we doen.


44

Wat uit Liefde gedaan wordt is altijd groot, ook dingen die van weinig belang lijken. God is ons, mensen, die niet meer dan arme schepselen zijn, tegemoet gekomen en heeft ons gezegd dat Hij van ons houdt: Deliciae meae esse cum filiis hominum, het is mijn vreugde om onder de mensenkinderen te zijn (Spr 8, 31). Hij laat ons zien dat alles belangrijk is: alles wat menselijk gezien buitengewoon is, maar ook wat in onze ogen van weinig betekenis is. Niets gaat verloren. Geen mens wordt door God veracht. Hij nodigt alle mensen uit voor het koninkrijk der hemelen, waarbij iedereen zijn eigen roeping volgt: thuis, in zijn beroep, in de verplichtingen die bij zijn levensstaat horen, in zijn burgerplichten en in het gebruik van zijn rechten.

Dit leren we van het leven van de heilige Jozef dat eenvoudig, normaal en onopvallend was, dat jaar in jaar uit bestond uit hetzelfde werk, in een eentonige opeenvolging van de dagen. Dat heb ik vaak overdacht als ik bij de figuur van de heilige Jozef stilstond en het is een van de redenen waarom ik een speciale devotie tot hem heb.

Toen paus Johannes XXIII vorig jaar op 8 december, in zijn afsluitingsrede van de eerste zitting van het Tweede Vaticaans Concilie, aankondigde dat de naam van de heilige Jozef in het eucharistisch gebed van de Mis zou worden opgenomen, werd ik door een hoge kerkelijke autoriteit gebeld die zei: Rallegramenti! Gefeliciteerd! Toen ik die aankondiging hoorde dacht ik meteen aan u, hoe blij u daarmee zou zijn. En dat was ook zo, want het concilie dat de hele Kerk die in de heilige Geest verenigd is vertegenwoordigt, heeft de onschatbare waarde van het leven van de heilige Jozef afgekondigd, de waarde van een eenvoudig arbeidzaam leven dat gericht is op God en waarin zijn goddelijke wil volledig werd vervuld.


45

Het werk heiligen, zich heiligen in het werk, anderen heiligen door het werk



Als ik de geest van het Opus Dei — de organisatie waaraan ik mijn leven gewijd heb — uiteenzet, dan zeg ik dat de spil waar alles om draait het gewone werk is, het beroepswerk midden in de wereld. De goddelijke roeping nodigt ons uit om deel te nemen aan de unieke zending van de Kerk door van Christus te getuigen tegenover onze medemensen en alles naar God te voeren.

De roeping steekt een licht aan waardoor we de zin van ons leven kunnen zien. In het heldere licht van het geloof wordt het waarom van ons aardse bestaan duidelijk. Ons leven — het verleden, het heden en wat nog komen zal — krijgt dan een nieuwe dimensie met een ongekende diepte. Alles in ons leven krijgt een plaats: we begrijpen waar Onze Lieve Heer ons naar toe wil brengen en we voelen ons volkomen opgenomen door de taak die ons is toevertrouwd.

God haalt ons uit de duisternis van onze onwetendheid, Hij maakt een einde aan onze onzekere weg door het leven en roept ons met luide stem, zoals Hij eens deed met Petrus en Andreas: Venite post me, et faciam vos fieri piscatores hominum, kom, volg Mij, Ik zal u vissers van mensen maken, (Mt 4, 19) ongeacht onze plaats in de wereld.

Wie leeft uit het geloof kan met moeilijkheden, conflicten, verdriet en zelfs met bitterheid te maken krijgen, maar hij wordt nooit ontmoedigd of wanhopig, want hij weet dat zijn leven zin heeft, hij weet waarom hij op de wereld is. Ego sum lux mundi, heeft Christus uitgeroepen, qui sequitur me non ambulat in tenebris, sed habebit lumen vitae, Ik ben het licht van de wereld, wie Mij volgt dwaalt niet rond in de duisternis, maar zal het licht des levens bezitten (Joh 8, 12).

Als we het waard willen zijn dit licht van God te ontvangen, dan moeten we liefhebben. We moeten in alle nederigheid ons verlangen naar verlossing onderkennen en met Petrus uitroepen: Heer, naar wie zouden wij gaan?Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt (Joh 6, 69-70). Als wij ons hart echt openen voor de stem van God kunnen wij ook zeggen dat wij niet in het duister ronddwalen, want boven onze armzaligheid en onze persoonlijke tekortkomingen schijnt het licht van God, zoals de zon boven de onweerswolken.


46

Het geloof en de christelijke roeping zijn van invloed op heel ons leven, en niet alleen op een gedeelte daarvan. De relatie met God kan niet anders dan een relatie van overgave zijn en krijgt daardoor een absoluut karakter. De houding van de mens die gelooft, is het leven met al zijn dimensies in een nieuw perspectief te zien: het perspectief dat God eraan geeft.

We zijn hier nu bij elkaar op dit feest van de heilige Jozef en ik realiseer me dat jullie in verschillende beroepen werkzaam zijn, dat jullie een gezin hebben, van verschillende landen en rassen zijn en verschillende talen spreken. Jullie zijn opgeleid in onderwijsinstellingen, op werkplaatsen en kantoren, en in die jaren hebben jullie professionele en persoonlijke banden met jullie collega”s gekregen en meegewerkt aan de oplossing van de gemeenschappelijke problemen in je bedrijf en in de maatschappij.

Welnu, ik wil jullie er nog eens aan herinneren dat niets daarvan vreemd is aan de plannen van God. Jullie menselijke roeping is een deel, een belangrijk deel, van jullie goddelijke roeping. Daarom moeten jullie heilig willen worden en ook bijdragen aan de heiliging van jullie medemensen; met andere woorden, jullie moeten naar heiligheid streven door je werk en je omgeving te heiligen. Het werk dat jullie dagen vult, drukt een stempel op je persoonlijkheid en op de manier waarop jullie in de wereld en in jullie gezin staan en in het land waar jullie geboren zijn en waarvan jullie houden.


47

Werk hoort noodzakelijk bij het leven van de mens. Het brengt inspanning, vermoeidheid en uitputting met zich mee, vormen van lijden en strijden die horen bij het menselijk bestaan, en die een teken zijn van de realiteit van de zonde en van de noodzaak van de verlossing. Maar op zichzelf is werken geen vloek of straf. Wie zo redeneert heeft de heilige Schrift niet goed gelezen.

Het wordt tijd dat wij, christenen, openlijk en duidelijk verkondigen dat werken een geschenk van God is en dat het absoluut geen zin heeft de mensen in categorieën te verdelen op basis van het soort werk dat zij doen, waarbij het ene hoger wordt aangeslagen dan het andere. Werk, ieder werk, getuigt van de waardigheid van de mens en van zijn heerschappij over de schepping. Juist op dat terrein ontwikkelen we onze persoonlijkheid. Het werk schept een band met andere mensen, het is een inkomstenbron voor het gezin, het is een middel om bij te dragen aan de verbetering van de maatschappij waarin we leven en aan de vooruitgang van de hele mensheid.

Voor een christen worden deze perspectieven nog wijder en grootser, want voor hem betekent werken dat hij deelneemt aan het scheppingswerk van God. Deze heeft de mens, toen Hij hem schiep, gezegend met de woorden: Wees vruchtbaar en vermenigvuldig u; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, de vogels in de lucht en over alle levende wezens die zich op aarde voortbewegen (Gen 1, 28). Omdat Christus gewerkt heeft is de arbeid voor ons bovendien een verloste en verlossende realiteit. Het werk is niet alleen de leefwereld van de mens, maar ook een middel, een weg naar de heiligheid, iets dat geheiligd kan worden en heilig maakt.


48

Maar we mogen niet vergeten dat de waardigheid van de arbeid gebaseerd is op de Liefde. Het grote voorrecht van de mens is dat hij kan liefhebben en boven het kortstondige en voorbijgaande kan uitstijgen. Hij kan andere schepselen beminnen en een “jij” en een “ik” uitspreken dat vol inhoud is. En hij kan God beminnen die de deur van de hemel voor ons opendoet, ons in zijn gezin opneemt en ons in staat stelt om ook met Hem vertrouwelijk te spreken, van aangezicht tot aangezicht.

Daarom mag de mens zich niet beperken tot het maken van dingen, tot produceren. Het werk vloeit voort uit liefde, is een uiting van liefde en gericht op liefde. We herkennen God niet alleen in het schouwspel van de natuur, maar ook in de ervaringen bij ons werk, bij onze inspanningen. Zo werken is gebed, is dankzegging, want wij weten dat God ons op aarde gewild heeft, dat we door Hem worden bemind en erfgenamen zijn van zijn beloften. Terecht wordt ons gezegd: Of gij dus eet of drinkt, of wat gij ook doet, doet alles ter ere Gods (1 Kor 10, 31).


49

Ook ons beroepswerk is apostolaat, want het is een gelegenheid om ons aan andere mensen te geven, met hen over Christus te spreken en hen, door de liefde die de heilige Geest in de zielen uitstort, naar God de Vader te leiden. Onder de aanwijzingen die de heilige Paulus aan de Efeziërs geeft over de verandering die moet volgen op hun bekering, op hun roeping tot het christendom, vinden we deze: Wie een dief was moet niet meer stelen, maar zich inspannen met eerlijke arbeid; dan kan hij de behoeftige iets geven (Ef 4, 28). Het brood van de aarde hebben we nodig om te kunnen leven, en het brood van de hemel om licht en warmte in ons hart te hebben. Dit gebod van de apostel kunnen en moeten jullie concreet vorm geven in je werk en in alles wat daarmee samengaat: gesprekken, contacten en initiatieven.

Als wij in deze geest werken zal ons leven, met alle beperkingen van het aardse bestaan, vooruitlopen op de heerlijkheid van de hemel, de gemeenschap met God en de heiligen, waar alleen liefde zal heersen, overgave, trouw, vriendschap en blijdschap. In je gewone beroepswerk zul je de concrete en kostbare materie vinden waarop je een christelijk leven kunt bouwen en waarin je aan de genade van God kunt beantwoorden.

Door je in je beroepswerk op God te richten zullen geloof, hoop en liefde een rol gaan spelen. De gebeurtenissen, contacten en problemen op je werk zullen voedsel geven voor je gebed. Bij de inspanning om je dagelijks werk vooruit te brengen zul je het kruis tegenkomen dat zo essentieel is voor de christen. Zwakheden en mislukkingen horen bij menselijke ondernemingen, ze zullen je realistischer maken, nederiger en met meer begrip voor de anderen. Bij successen en bij alles wat je blij maakt zul je de behoefte hebben om dank te zeggen en je zult merken dat je niet voor jezelf leeft, maar voor de mensen en voor God.


50

Wil je ergens toe dienen: dien!



Om je beroep te heiligen moet je het werk menselijk en bovennatuurlijk gezien serieus nemen. Als contrast daarmee wil ik een stukje aanhalen uit een van die oude verhalen van de apocriefe evangeliën: De vader van Jezus, die timmerman was, maakte ploegen en jukken. Op zekere dag — gaat het verhaal verder — bestelde een belangrijke man een bed bij hem. Toen bleek dat één van de beddenpoten korter was dan de andere wist Jozef zich geen raad. Toen zei het Kind Jezus tegen zijn vader: Leg de twee palen zo op de grond dat ze aan één uiteinde gelijk zijn. Dat deed Jozef. Jezus ging aan de andere kant staan, pakte het kortste stuk hout en rekte het uit tot het even lang was als het andere. Bij het zien van het wonder was Jozef, zijn vader, vol bewondering, sloeg zijn armen om het Kind, overlaadde het met kussen en zei: Wat ben ik toch gelukkig dat God mij dit Kind heeft gegeven! (Evangelie van de kinderjaren, ten onrechte toegeschreven aan de apostel Thomas; uit “Los evangelios apócrifos”, edición de A. Santos Otero, Madrid 1956, p. 314—315).

Voor zoiets zou Jozef God niet bedanken, want op die manier zal hij nooit gewerkt hebben. Hij is geen man van gemakkelijke en miraculeuze oplossingen, maar een man die doorzet, zich inspant en zo nodig inventief is. De christen weet dat God wonderen doet; dat Hij ze eeuwen geleden heeft gedaan, dat Hij ze bleef doen en ze nog steeds doet, want non est abbreviata manus Domini, de macht van de Heer is niet kleiner geworden (Jes 59, 1).

Wonderen laten de verlossende almacht van God zien, maar ze zijn geen middel om ons onvermogen op te heffen, of onze gemakzucht een handje te helpen. Het wonder dat de Heer van jou vraagt is dat je volhardt in je christelijke en goddelijke roeping, in de heiliging van het dagelijks werk. Hij vraagt je het wonder om het proza van alledag om te zetten in een heldendicht, door de gewone bezigheden met liefde te doen. Hij verwacht van jou dat je een mens bent met verantwoordelijkheidsbesef, apostolische ijver en dat je goed bent in je beroep.

Als motto voor je werk wil ik je het volgende meegeven: Wil je ergens toe dienen: dien! Maar dan moet je in de eerste plaats weten hoe je je werk tot een goed einde brengt. Ik geloof niet in de oprechte bedoeling van iemand die geen moeite doet om de nodige deskundigheid in zijn beroep te ontwikkelen. Goede wil alleen is niet genoeg, je moet ook weten hoe je het moet aanpakken, en of we dat echt willen zal blijken uit onze inzet om de dingen met de grootst mogelijke perfectie af te ronden.


51

Maar ook dit nuttig zijn en deze deskundigheid in het beroep moeten gedragen worden door een geest van dienstbaarheid, door de wens een bijdrage te leveren aan het welzijn van anderen. Voor de heilige Jozef was dit fundamenteel en dat zou het voor iedere christen moeten zijn. Hij zocht geen zelfbevestiging in zijn werk, hoewel de toewijding waarmee hij het deed een rijpe, buitengewone persoonlijkheid van hem maakte. Hij werkte in het besef dat hij de wil van God vervulde en daarbij had hij het welzijn van de zijnen, Jezus en Maria, en dat van alle inwoners van het kleine Nazareth voor ogen.

Jozef was waarschijnlijk een van de weinige vakmensen in Nazareth, zo niet de enige. Mogelijk was hij timmerman, maar zoals doorgaans in kleine dorpen gebeurt zal hij ook tot andere dingen in staat zijn geweest: een kapotte molen weer op gang krijgen, of voor het invallen van de winter de scheuren in een dak repareren. Hij zal door zijn grondige aanpak veel mensen uit de narigheid geholpen hebben. Zijn werk stond in dienst van de mensen, hij wilde het leven van de bewoners in het dorpje aangenamer maken. Hij zal met een glimlach, een vriendelijk woord of een terloopse opmerking, het geloof en de hoop teruggegeven hebben aan mensen die deze misschien verloren hadden.


52

Hij zal soms weinig in rekening hebben gebracht voor iemand die armer was dan hijzelf om de ander het gevoel te geven dat hij betaald had. Meestal zal hij gevraagd hebben wat redelijk is, niet meer en niet minder, het bedrag dat hem toekwam, want trouw zijn aan God betekent niet dat je afstand doet van rechten die eigenlijk plichten zijn. Zo hoorde de heilige Jozef te handelen, want de inkomsten van zijn werk had hij nodig om het gezin te onderhouden dat God hem had toevertrouwd.

Dat we op onze rechten staan mag niet voortkomen uit een individualistisch egoïsme. Als we een ander niet gunnen waar hij recht op heeft is er geen liefde voor de rechtvaardigheid. Het is ook onjuist zich ten koste van anderen achter een gemakzuchtig soort vroomheid te verschuilen. Wie rechtvaardig wil zijn in de ogen van God zal de rechtvaardigheid onder de mensen bevorderen, niet alleen met de goede bedoeling dat de naam van God niet beledigd wordt, maar ook omdat men als christen alle edele verlangens van de mens tot de zijne maakt. Als we een bekende tekst van de apostel Johannes (zie 1 Joh 4, 20) omschrijven, dan kunnen we stellen dat iemand liegt als hij beweert tegenover God rechtvaardig te zijn, terwijl hij dat niet is tegenover de mensen; in hem woont de waarheid niet.

Ik heb, zoals alle christenen die dat meemaakten, vol vreugde het besluit begroet om het feest van de heilige Jozef arbeider, in de liturgie op te nemen. Dit feest is een erkenning van de bovennatuurlijke waarde van de arbeid en laat zien hoe de Kerk in haar gemeenschappelijke en openbare leven de centrale waarheden van het evangelie weerspiegelt, die God in het bijzonder in onze tijd onder de aandacht wil brengen.


53

Hoewel we er bij andere gelegenheden al veel over hebben gesproken, wil ik de natuurlijkheid en eenvoud van het leven van de heilige Jozef die zich niet van zijn buren afzonderde of onnodig afstand schiep, nog eens onderstrepen.

Ik spreek dan ook niet graag van katholieke arbeiders, katholieke ingenieurs, katholieke artsen — al kan het in bepaalde omstandigheden wenselijk zijn dat te doen — alsof het soorten zijn binnen een geslacht, alsof katholieken een apart groepje vormen. Dit zou de indruk wekken dat er een kloof is tussen christenen en de rest van de mensheid. Ik respecteer een andere mening, maar ik denk dat het juister is om te spreken van arbeiders die katholiek zijn, of van katholieken die arbeider zijn; van ingenieurs die katholiek zijn, of van katholieken die ingenieur zijn. Want de mens die gelovig is en een intellectueel, technisch of ambachtelijk beroep heeft, is met de anderen verbonden, hij is gelijk aan de anderen, hij heeft dezelfde rechten en plichten, dezelfde wens om in het leven vooruit te komen, en zet zich evenzeer in om de gemeenschappelijke problemen aan te pakken en op te lossen.

Een katholiek die deze instelling heeft zal van zijn leven een getuigenis van geloof, hoop en liefde weten te maken; met eenvoud en natuurlijkheid, zonder enige ophef. Door een coherent gedrag laat hij zien dat de Kerk steeds in de wereld aanwezig is, want alle katholieken zijn zelf de Kerk, als volwaardig lid van het ene volk van God.


54

Jozef en Jezus



Al sinds een hele tijd richt ik mij tot de heilige Jozef met woorden die de Kerk in gebeden als voorbereiding op de Mis heeft opgenomen: Jozef, u bent de gezegende en gelukkige man aan wie het gegeven was om God te zien en te horen; vele koningen hadden Hem willen zien en horen en hebben Hem niet gezien of gehoord. U hebt Hem niet alleen gezien en gehoord, maar Hem ook in uw armen gedragen, gekust, gekleed en beschermd. Bid voor ons. Dit gebed leidt het laatste onderwerp in waarover ik vandaag wil spreken: de liefdevolle omgang van Jozef met Jezus.

Voor de heilige Jozef was het leven van Jezus een doorlopende ontdekking van zijn eigen roeping. We hebben al herinneringen opgehaald aan de eerste jaren die vol tegenstrijdigheden leken te zijn: verheerlijking en vlucht, de luister van de drie koningen en de armoede van de grot, het gezang van de engelen en het zwijgen van de mensen. Bij de opdracht in de tempel hoort Jozef, die de bescheiden offerande van twee tortels meebrengt, hoe Simeon en Anna verkondigen dat Jezus de Messias is. Zijn vader en moeder stonden verbaasd over wat van Hem gezegd werd (Lc 2, 33), zegt de heilige Lucas. Later, als het Kind in de tempel achterblijft zonder dat Maria en Jozef het weten, vertelt dezelfde evangelist dat ze verslagen stonden (Lc 2, 48) toen zij Hem na drie dagen zoeken terugvonden.

Jozef is verbaasd, Jozef staat verslagen. God openbaart hem geleidelijk zijn plannen en hij doet zijn best om ze te begrijpen. Net als ieder mens die Jezus van nabij wil volgen, ontdekt hij al gauw dat lopen met een trage pas er niet bij is, dat zijn leven geen routine kan zijn. Want God neemt er geen genoegen mee dat we op een bepaald niveau blijven stilstaan, dat we tevreden zijn met wat we hebben bereikt. God eist steeds meer en zijn wegen zijn niet onze wegen. De heilige Jozef heeft als geen ander vóór of na hem van Jezus geleerd alert te zijn, om de wonderdaden van God te herkennen en zijn hart en ziel daarvoor open te stellen.


55

Maar als de heilige Jozef van Jezus heeft geleerd op een goddelijke manier te leven, durf ik te beweren dat hij van zijn kant op menselijk vlak veel dingen aan Jezus, de Zoon van God, heeft geleerd. Er is iets in de benaming “voedstervader” waarmee Jozef soms wordt aangeduid, wat mij niet helemaal bevalt. Die term kan de indruk wekken dat de verstandhouding tussen Jozef en Jezus koel en formeel was. Ons geloof zegt ons weliswaar dat hij geen vader was naar het vlees, maar dat is niet het enige vaderschap dat er is.

Jozef — lezen we in een preek van de heilige Augustinus — is niet slechts in naam vader, maar het vaderschap komt hem meer toe dan wie dan ook. En hij gaat verder: Hoe was hij vader? Hij was des te meer vader naarmate zijn vaderschap kuiser was. Sommigen dachten dat hij de vader van onze Heer Jezus Christus was op dezelfde manier waarop anderen vader zijn, die hun kinderen niet slechts ontvangen als vrucht van hun geestelijke genegenheid, maar hen ook naar het vlees hebben voortgebracht. Daarom zegt de heilige Lucas: Men dacht dat hij de vader van Jezus was. Waarom zegt hij: men dacht? Enerzijds omdat menselijke gedachten en oordelen betrekking hebben op wat gewoonlijk onder de mensen gebeurt, en anderzijds omdat Jozef fysiek geen aandeel had in de menswording van de Heer. Maar uit de vroomheid en liefde van sint Jozef werd uit de Maagd Maria een Zoon geboren, en deze was de Zoon van God [Sermo 51, 20 (PL 38, 351)].

Jozef hield van Jezus zoals een vader van zijn zoon houdt, en hij gaf Hem het beste wat hij had. Hij heeft voor dit Kind gezorgd zoals hem opgedragen was, en hij gaf Hem zijn beroep mee, hij maakte een ambachtsman van Hem. Daarom noemden de mensen in Nazareth Jezus zowel faber als fabri filius: (Mc 6, 3; Mt 13, 55) ambachtsman en zoon van de ambachtsman. Jezus werkte in de werkplaats van Jozef. Hoe zal Jozef geweest zijn? Hoe zal de genade in hem gewerkt hebben opdat hij in staat was de Zoon van God in het menselijke te vormen?

Jezus moet wel op Jozef geleken hebben in zijn manier van werken, in zijn karakter en in zijn manier van spreken. De kinderjaren en de jeugd van Jezus en zijn omgang met Jozef zullen zich later in het leven van de Heer weerspiegelen: in zijn oog voor de realiteit, de manier waarop Hij aan tafel ging zitten en het brood brak, in zijn voorliefde om op een concrete manier leer te geven aan de hand van voorbeelden uit het dagelijks leven.

Het is onmogelijk de luister van dit mysterie niet te zien. Jezus, een man die spreekt met het accent van zijn streek, die lijkt op een ambachtsman die Jozef heet, Hij is de Zoon van God. En wie zou God iets kunnen leren? En toch is Hij echt mens en leeft Hij zoals anderen: eerst als kind, dan als jongen die in de werkplaats van Jozef helpt en later als volwassen man in de bloei van zijn leven. En met de jaren nam Jezus toe in wijsheid en welgevalligheid bij God en de mensen (Lc 2, 52).


56

Jozef is in het menselijke de leermeester van Jezus geweest. Hij is elke dag met veel liefde met Hem omgegaan en heeft met een blijmoedige zelfverloochening voor Hem gezorgd. Is dat geen reden om in deze rechtvaardige man, deze heilige aartsvader in wie het geloof van het Oude Verbond het hoogtepunt heeft, een meester van het innerlijk leven te zien? Innerlijk leven is niets anders dan de voortdurende, persoonlijke omgang met Christus, waardoor we ons met Hem gaan identificeren. Jozef zal ons veel over Jezus kunnen zeggen. Ga daarom altijd naar hem toe: Ite ad Ioseph, ga naar Jozef, zoals de christelijke traditie het met een paar woorden uit het Oude Testament zegt (Gen 41, 55).

Een leermeester van het innerlijk leven, een arbeider die zich inzet voor zijn werk, een trouwe dienaar van God en voortdurend in contact met Jezus: dat is Jozef. Ite ad Ioseph. De christen leert van hem wat het betekent om van God te zijn en ook helemaal onder de mensen te zijn en zo de wereld te heiligen. Ga met Jozef om en je zult Jezus ontmoeten. Ga met Jozef om en je zult Maria ontmoeten die de dierbare werkplaats van Nazareth altijd met vrede vulde.

[CAP] De bekering van de kinderen van God


57

Homilie gehouden op de eerste zondag van de Veertigdagentijd, 2 maart 1952



We zijn de Veertigdagentijd begonnen, een tijd van boete, zuivering en bekering. Het is niet eenvoudig dit in praktijk te brengen; het christendom is geen gemakkelijke weg. We kunnen ons niet tevreden stellen met in de Kerk te zijn en de jaren voorbij te laten gaan. In ons leven, in het leven van de christen, is de eerste bekering belangrijk — ieder van ons herinnert zich dat unieke moment waarop ons duidelijk werd wat Onze Lieve Heer van ons vraagt — maar nog belangrijker en moeilijker zijn de bekeringen die daarop volgen. Om het werk van de goddelijke genade te vergemakkelijken moet onze ziel jong blijven, moeten we bidden, naar God luisteren en ontdekken wat we verkeerd doen en daar vergiffenis voor vragen.

Invocabit me et ego exaudiam eum, als gij Mij roept, zal Ik u verhoren, lezen we in de liturgie van deze zondag [Ps 90, 15 (Introïtus van de Mis)]. Is het niet geweldig te zien hoe God voor ons zorgt, hoe Hij voor ons klaarstaat en op ieder ogenblik aandacht heeft voor wat de mens Hem zegt? Hij luistert altijd naar ons, maar in het bijzonder vandaag nu ons hart open staat en het zich wil zuiveren. Wat een vermorzeld en deemoedig hart (Ps 50, 19) aan Hem vraagt, zal Hij zeker niet naast zich neerleggen.

Onze Heer luistert naar ons en wil ons helpen, Hij wil zich in ons leven mengen, ons van het kwade verlossen en ons vullen met het goede: eripiam eum et glorificabo eum, Ik zal hem bevrijden en hem verheerlijken,[Ps 90, 15] zegt Hij over de mens. Dus: hoop op de hemel. En hier staan we, zoals vaker, weer aan het begin van deze innerlijke weg die het geestelijk leven is. De hoop op de verheerlijking maakt ons geloof sterker en doet ons groeien in de liefde. Op die manier beginnen de drie theologale deugden — de goddelijke deugden die ons doen lijken op God, onze Vader — zich te ontvouwen.

Is er een betere manier om de Veertigdagentijd te beginnen? Wij hernieuwen ons geloof, onze hoop en onze liefde, de bron van de geest van boetvaardigheid, van het verlangen naar zuivering. De Veertigdagentijd biedt ons een gelegenheid om meer uitwendige werken van boete te doen. Maar als het daarbij zou blijven, zou de diepe betekenis van de Veertigdagentijd voor het leven van de christen ons ontgaan, want nogmaals, uitwendige daden zijn de vrucht van het geloof, van de hoop en van de liefde.


58

De riskante zekerheid van de christen

Qui habitat in adiutorio Altissimi, in protectione Dei coeli commorabitur, wie in de schutse van de Allerhoogste woont, zal verwijlen onder de bescherming van de God des Hemels (Ps 90, 1. ] Wonen onder de bescherming van God, leven met God: dat is de riskante zekerheid van de christen. Wij moeten ervan overtuigd zijn dat God ons altijd hoort en aan ons denkt, want dan zal ons hart vol vrede zijn. Maar leven met God brengt ook een risico met zich mee, want Hij is niet tevreden met een gedeelte: Hij wil alles. Als we iets dichter bij Hem willen komen dan moeten we ook bereid zijn ons opnieuw te bekeren, een stap vooruit te zetten, meer aandacht te schenken aan zijn ingevingen en aan de heilige verlangens die Hij in onze ziel laat ontkiemen, en we moeten bereid zijn die in praktijk te brengen.

Sinds we voor het eerst bewust besloten hebben om volledig volgens de leer van Christus te gaan leven, zijn we zonder twijfel een stuk gevorderd op de weg van de trouw aan zijn woord. Maar is het niet zo dat er nog veel gedaan moet worden, dat er nog veel hoogmoed in ons is? Zonder twijfel moeten we nog ergens in veranderen: we hebben een grotere trouw en een diepere nederigheid nodig om minder egoïstisch te zijn zodat Christus in ons kan groeien, want: Illum oportet crescere, me autem minui, Hij moet groter worden en ik kleiner (Joh 3, 30).

We kunnen niet stilstaan. We moeten op het doel afgaan dat de heilige Paulus ons voorhoudt: Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij (Gal 2, 20). Het is een prachtige ambitie, de hoogste die er is: de vereenzelviging met Christus, de heiligheid. Er is geen andere weg als we consequent willen zijn met het goddelijk leven dat God door het doopsel in onze ziel deed ontkiemen. Vooruitgang is groeien in heiligheid, achteruitgang is zich afsluiten voor de normale ontwikkeling van het christelijk leven. Het vuur van de liefde voor God moet aangewakkerd worden, zodat het elke dag verder om zich heen kan grijpen en dieper in de ziel kan binnendringen. Als er steeds iets op het vuur wordt gegooid blijft het branden, en anders dooft het uit.

Denk aan de woorden van de heilige Augustinus: Zodra je zegt:‘zo is het genoeg’, ben je verloren. Streef naar meer, ga verder, steeds vooruit. Blijf niet op dezelfde plaats staan, wijk niet terug, raak niet van de weg af [Sermo 169, 15 (PL 38, 926)].

De Veertigdagentijd stelt ons vandaag voor fundamentele vragen. Ga ik vooruit in mijn trouw aan Christus? In mijn verlangen naar heiligheid? In onbaatzuchtig apostolaat in het dagelijks leven, op mijn werk en onder mijn collega”s?

Laat ieder deze vragen voor zichzelf beantwoorden en hij zal zien dat hij ergens in moet veranderen om Christus in zich te kunnen laten leven en opdat zijn beeld onvervalst wordt weerspiegeld in zijn gedrag.

Wie mijn volgeling wil zijn moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen (Lc 9, 23). Christus herhaalt het voor ieder van ons, Hij fluistert het vertrouwelijk in ons oor: het kruis van iedere dag. Laten we niet alleen in tijden van vervolging verloochenen wat wij vroeger waren, of wanneer het vooruitzicht van het martelaarschap zich aandient, schrijft de heilige Hiëronymus, maar laten wij in alle omstandigheden, bij alle bezigheden, bij iedere gedachte, bij elk woord belijden wat wij nu zijn, aangezien we in Christus zijn herboren [Epistula 121, 3 (PL 22, 1013)].

Deze overweging is in feite een echo van de woorden van de apostel: Eens waart gij duisternis, nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer. Leeft dan ook als kinderen van het licht. De vrucht van het licht kan alleen maar goedheid, gerechtigheid en waarheid zijn. Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt (Ef 5, 8-10).

Bekering is een kwestie van een ogenblik, heiliging is een taak voor het hele leven. Het goddelijk zaad van de liefde dat God in onze ziel heeft gelegd wil groeien, zich in daden uiten en vruchten dragen die Hem aangenaam zijn. Daarom moeten we bereid zijn om opnieuw te beginnen en dan zullen we in iedere nieuwe situatie het licht en de kracht van onze eerste bekering terugvinden. We kunnen ons daarop voorbereiden door een diepgaand gewetensonderzoek en Onze Lieve Heer vragen ons te helpen om Hem en onszelf beter te leren kennen. Dat is de enige manier om ons opnieuw te bekeren.


59

De gunstige tijd

Exhortamur ne in vacuum gratiam Dei recipiatis, wij vermanen u dan ook: ontvangt zijn genade niet tevergeefs [2 Kor 6, 1 (destijds epistel van de Mis)]. Onze ziel kan zich in deze Veertigdagentijd met goddelijke genade vullen als we de deur van ons hart niet afsluiten. Onze houding moet goed zijn en we moeten willen veranderen; we kunnen niet met de genade van de Heer spelen.

Ik spreek niet graag over vrees voor God, want wat de christen beweegt is de liefde die ons in Christus is geopenbaard en die ons leert om alle mensen en de hele schepping lief te hebben. Maar we moeten het wel hebben over verantwoordelijkheid, want we moeten de dingen serieus nemen. Bedriegt u niet, God laat niet met zich spotten (Gal 6, 7), waarschuwt de apostel ons.

We moeten een besluit nemen. Je mag niet zo leven dat je, zoals ze zeggen, één kaarsje brandend houdt voor de heilige Michaël en een ander voor de duivel. De kaars voor de duivel moet worden gedoofd. We moeten ons leven helemaal opbranden in dienst van de Heer. Als we echt ons best doen om heilig te worden, als we volgzaam zijn en ons leven in de handen van God leggen, dan zal alles goed gaan. Hij staat altijd klaar om ons zijn genade te geven, vooral in deze Veertigdagentijd: de genade voor een nieuwe bekering, voor een stap vooruit in ons leven als christen.

We mogen de Veertigdagentijd niet als een willekeurige periode beschouwen, als een steeds terugkomend deel van de liturgische cyclus. Dit moment is uniek, het is het aanbod van God om ons te helpen en dat horen we aan te nemen. Jezus komt langs en Hij verwacht — vandaag, nu — een grote verandering in ons te zien.

Ecce nunc tempus acceptabile, ecce nunc dies salutis, dit is de gunstige tijd, dit is de dag van het heil (2 Kor 6, 2). Weer klinkt het geroep van de goede herder, zijn liefdevolle oproep: Ecce vocavi te nomine tuo, Ik heb je bij je naam geroepen (Js 4, 1). Hij roept ieder van ons bij de roepnaam die mensen die van ons houden voor ons gebruiken. De liefde van Jezus is niet in woorden te vatten.

Laten we het wonder van de liefde van God overwegen: de Heer komt ons tegemoet, Hij wacht op ons, Hij gaat aan de kant van de weg staan zodat we Hem wel moeten zien! En Hij roept ons persoonlijk, spreekt met ons over onze dingen die ook de zijne zijn, brengt ons tot berouw, maakt dat ons geweten zich openstelt voor een grotere edelmoedigheid, Hij prent in onze ziel het verlangen om trouw te zijn en ons zijn leerlingen te kunnen noemen. De intieme woorden van de genade zijn als een liefdevol verwijt en we moeten erkennen dat Hij ons, in al die tijd dat we Hem door onze eigen schuld niet hebben gezien, niet vergeten is. Christus houdt van ons met de onuitputtelijke liefde van zijn goddelijk hart.

Kijk hoe hij aandringt: Op de gunstige tijd heb ik u verhoord, op de dag van het heil ben ik u te hulp gekomen (2 Kor 6, 2). Als Hij je de heerlijkheid belooft, je op het gunstige moment zijn liefde aanbiedt en je roept, wat ga je Hem dan geven? Welk antwoord ga jij geven, welk antwoord ga ik geven, op de liefde van Jezus die langskomt?

Ecce nunc dies salutis, deze dag die vóór ons ligt is de dag van het heil. Het geroep van de goede Herder bereikt ons: ego vocavi te nomine tuo, Ik heb jou bij je naam geroepen. We kunnen niet anders dan Hem antwoorden — liefde wordt met liefde beantwoord — en zeggen: Ecce ego quia vocasti me (1 Sam 3, 5). U hebt mij geroepen en hier ben ik! Ik heb me vast voorgenomen deze Veertigdagentijd niet voorbij te laten gaan als water dat zonder een spoor na te laten over stenen stroomt. Ik zal me laten doordrenken, laten omvormen; ik zal me bekeren, mij opnieuw tot de Heer richten, Hem liefhebben zoals Hij wil dat we Hem liefhebben.

Gij zult de Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw verstand (Mt 22, 37). Wat blijft er dan nog in uw hart over — zegt de heilige Augustinus — waarmee u uzelf nog liefhebt? Wat blijft er over in uw ziel, in uw verstand? ‘Ex toto’, staat er, ‘totum exigit te, qui fecit te’, Degene die je gemaakt heeft, vraagt alles van jou [Sermo 34, 4, 7 (PL 38, 212)].


60

Na dit liefdevolle verwijt horen we ons te gedragen als mensen die van God houden. In omnibus exhibeamus nosmetipsos sicut Dei ministros, in alles proberen wij ons te gedragen als dienaars van God (2 Kor 6, 4). Door je te geven zoals Hij het wil wordt de werking van de genade zichtbaar in je beroepswerk, je andere bezigheden en in je inzet om alles, of het nu om kleine of grote dingen gaat, op een goddelijke manier te doen. Door de liefde krijgt alles immers een nieuwe dimensie.

Maar in de Veertigdagentijd mogen we niet vergeten dat het niet gemakkelijk is God werkelijk te dienen. Laten we verder gaan met de tekst van de heilige Paulus uit de lezing van de Mis van deze zondag, waarin we aan de moeilijkheden worden herinnerd: In alle omstandigheden proberen wij ons te gedragen als dienaars van God, schrijft de apostel, door het standvastig verduren van ontberingen, nood en ellende: slagen, gevangenschap, oproer, oververmoeidheid, gebrek aan slaap, te weinig eten. Onze aanbeveling is: zuiverheid, inzicht, geduld, goedheid, een geest van heiligheid en ongeveinsde liefde, het woord van de waarheid, de kracht van God zelf (2 Kor 6, 4-7).

Op de meest uiteenlopende momenten van ons leven en in allerlei situaties horen we ons als dienaar van God te gedragen, want we weten dat Hij bij ons is en dat wij zijn kinderen zijn. We kunnen steeds voor ogen hebben dat de Heer ons leven op een goddelijke stam heeft geënt, en daar moeten we naar handelen.

De woorden van de apostel moeten voor jullie een reden tot blijdschap zijn, want ze zijn als een plechtige erkenning van jullie roeping als gewone christenen die in de wereld leven en die delen in de idealen, activiteiten en vreugden van hun medemensen. Dat alles is een goddelijke weg. Wat de Heer van jullie vraagt is steeds als zijn kinderen en zijn dienaars te handelen.

Maar de gewone omstandigheden van het leven zullen alleen een goddelijke weg zijn als we ons echt bekeren en ons echt geven. De heilige Paulus spreekt harde taal. Hij verzekert de christen van een moeilijk leven, vol risico”s, een leven dat voortdurend onder spanning staat. Wat wordt het christendom toch vervormd wanneer ze er een gemakkelijke weg van willen maken! Maar de waarheid wordt ook geweld aangedaan als men denkt dat zo”n intens en serieus leven, dat alle obstakels van het menselijk bestaan maar al te goed kent, een leven is van angst, benauwdheid of vrees.

Een christen is een realist met een bovennatuurlijke én menselijke zin voor de realiteit. Hij kent alle schakeringen van het leven: lief en leed, het eigen lijden en dat van anderen, zekerheid en verwarring, edelmoedigheid en de tendens tot egoïsme… Een christen kent dat alles en probeert daar goed mee om te gaan, heel menselijk en met de sterkte die hij van God krijgt.


61

De bekoringen van Christus

De Veertigdagentijd brengt de dagen in herinnering die Jezus doorbracht in de woestijn als voorbereiding op de jaren van prediking die naar het hoogtepunt van het Kruis en de heerlijkheid van Pasen voeren. Het waren veertig dagen van gebed en boetedoening. Aan het einde van deze dagen vond de gebeurtenis plaats die de liturgie ons vandaag laat overdenken in het evangelie van de Mis: de bekoringen van Christus (zie Mt 4, 1-11).

Deze gebeurtenis is vol mysterie. De mens probeert dat tevergeefs te bevatten — God die zich aan de bekoring onderwerpt, die de duivel zijn gang laat gaan — maar we kunnen daarover mediteren. We kunnen de Heer vragen dat Hij ons laat begrijpen welke les erin besloten ligt.

Jezus wordt bekoord! De traditie licht deze gebeurtenis toe met de overweging dat Onze Lieve Heer de bekoring wilde ondergaan om ons in alles het voorbeeld te geven. Zo is het, want Christus was volmaakt mens, aan ons gelijk, behalve in de zonde (zie Heb 4, 15). Na veertig dagen vasten, misschien met als enig voedsel kruiden, wortels en een beetje water, krijgt Jezus honger, echte honger, zoals ieder ander schepsel. En als de duivel Hem voorstelt stenen in brood te veranderen, wijst Hij niet alleen het voedsel af waar zijn lichaam om vraagt, maar Hij houdt een nog grotere aanvechting van zich af: zijn goddelijke macht gebruiken om bij wijze van spreken een persoonlijk probleem op te lossen.

Je hebt ongetwijfeld in elk evangelie opgemerkt dat Jezus geen wonderen doet voor zichzelf. Hij verandert water in wijn voor het jonge paar in Kana (zie Joh 2, 1-11). Hij vermenigvuldigt broden en vissen om een hongerige menigte te eten te geven (zie Mc 6, 33-46), maar Hij verdient jarenlang zijn brood door zelf te werken. En later, in de tijd dat Hij door de streken van Israël rondtrekt, leeft Hij van de hulp van degenen die Hem volgen (zie Mt 27, 55).

De heilige Johannes vertelt dat Jezus zijn leerlingen naar de stad stuurt om eten te kopen wanneer Hij na een lange tocht bij de put van Sichar aankomt. Als een Samaritaanse vrouw naar de put komt vraagt Hij haar water, want Hij heeft niets waarmee Hij het uit de put kan halen (zie Joh 4, 4 e.v). Zijn lichaam dat uitgeput is door de lange tocht ervaart de vermoeidheid. Bij andere gelegenheden komt Hij weer op krachten door te gaan slapen (zie Lc 8, 23). Wat een edelmoedigheid om zich zo te vernederen en de menselijke conditie volledig te aanvaarden. Hij maakt geen gebruik van zijn goddelijke macht om moeilijkheden of inspanning te ontvluchten. Zo leert Hij ons sterk te zijn, van werken te houden en waardering te hebben voor wat menselijk en goddelijk nobel is, wanneer we de gevolgen van de overgave ondervinden.

Bij de tweede bekoring, als de duivel Hem voorstelt zich van de bovenbouw van de tempel naar beneden te werpen, wijst Jezus opnieuw de mogelijkheid af om zijn goddelijke macht te gebruiken. Hij zoekt geen ijdele glorie, geen ophef, geen menselijk vertoon dat van God gebruik wil maken als decor van eigen voortreffelijkheid. Jezus wil de wil van de Vader volbrengen zonder op de tijd vooruit te lopen of het uur van de wonderen te vervroegen. Hij wil stap voor stap de harde weg van de mensen gaan, de beminnelijke weg van het kruis.

Bij de derde bekoring zien we iets dat daar erg op lijkt. Hij krijgt koninkrijken, macht en glorie aangeboden. De duivel wil dat we voor onze menselijke ambities een houding aannemen die we uitsluitend voor God moeten reserveren: hij belooft een gemakkelijk leven aan wie voor hem, voor de afgoden, neerknielt. De HeereerHeer Heer richt de aanbidding weer naar het enige en echte doel — God — en maakt opnieuw duidelijk dat Hij wil dienen: Ga weg, satan; er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen (zie Mt 4, 10).


62

Laten wij van deze houding leren. Zelfs de glorie die Hem toekwam heeft Jezus hier op aarde niet gewild. Hij had er recht op als God behandeld te worden, maar Hij heeft de gestalte aangenomen van een knecht, van een slaaf (zie Fil 2, 6-7). Hiervan leert de christen dat alle eer voor God is en dat niemand de luister en grootsheid van het evangelie mag gebruiken voor menselijke belangen en ambities.

Laten we van Jezus leren. Zijn verzet tegen alle menselijke eer gaat perfect samen met de grootsheid van zijn unieke zending als de veelgeliefde Zoon van God die mens wordt om de mensen te redden. In zijn liefde heeft de Vader die zending met de tederste zorg omringd: Filius meus es tu, ego hodie genui te. Postula a me et dabo tibi gentes hereditatem tuam, Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt. Vraag Mij, dan geef Ik U de volkeren tot erfdeel (Ps 2, 7).

De christen die — in navolging van Jezus — met de houding leeft van volledige aanbidding van de Vader, krijgt van de Heer ook woorden van liefdevolle zorg: Omdat hij op Mij heeft vertrouwd, zal Ik hem redden; hem beschermen, omdat hij mijn Naam kent [Ps 90, 14 (Tractus van de Mis)].


63

Jezus heeft de duivel, de vorst van de duisternis, afgewezen. En onmiddellijk breekt het licht door: Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem hun diensten te bewijzen (Mt 4, 11). Jezus heeft de beproeving doorstaan, een echte beproeving. De heilige Ambrosius zegt daarover: Hij ging niet te werk als God door zijn macht te gebruiken (wat voor nut had zijn voorbeeld anders voor ons gehad?), maar Hij bediende zich als mens van de middelen die Hij met ons gemeen heeft [Expositio Evangelii secundum Lucam 1, 4, 20 (PL 15, 1525)].

De duivel haalde met een verwrongen bedoeling het Oude Testament aan: want aan zijn engelen heeft Hij last gegeven u op al uw wegen te beschermen (Ps 90, 11). Maar Jezus weigert zijn Vader op de proef te stellen en geeft aan deze Bijbelse passage zijn ware betekenis terug. En als de tijd daarvoor is gekomen, verschijnen de boden van God de Vader om Hem te dienen als beloning voor zijn trouw.

Het is de moeite waard om te kijken naar de manier waarop de satan tegen Christus optreedt: hij argumenteert met teksten uit de heilige Schrift en verdraait en vervormt lasterlijk hun betekenis. Maar Jezus laat zich niet bedriegen: het Woord dat vlees geworden is kent het Woord van God heel goed. Het is geschreven voor het heil van de mensen en niet om hen te misleiden en tot verdoemenis te brengen. Wie door de liefde met Jezus verbonden is, zo is onze conclusie, zal zich nooit door bedrieglijke manipulaties van de heilige Schrift laten misleiden. Hij weet dat het eigen aan de duivel is om te proberen het christelijk geweten in de war te brengen, en dat hij daarvoor listig dezelfde uitdrukkingen gebruikt als de eeuwige Wijsheid, in een poging duisternis te brengen waar licht is.

Laten we eens kijken naar de rol van de engelen in het leven van Jezus, wat ons kan helpen om hun zending in ieder mensenleven beter te begrijpen. De christelijke traditie stelt de engelbewaarders voor als grote vrienden die God aan ieder mens heeft gegeven om hem op zijn weg te begeleiden en moedigt de mens dan ook aan om met de engelbewaarder om te gaan en zijn toevlucht tot hem te nemen.

De Kerk laat ons deze passages uit het leven van Christus overwegen en brengt ons in herinnering dat er in de Veertigdagentijd, waarin wij erkennen dat we zondaars zijn die vol ellende zitten en zuivering nodig hebben, ook plaats is voor vreugde. Want de Veertigdagentijd is ook een tijd van sterkte en van blijdschap: we moeten weer moed vatten, want het zal ons niet ontbreken aan de genade van God. Hij zal ons bijstaan en ons zijn engelen als reisgenoten sturen, als verstandige raadgevers op onze weg, als onze medewerkers bij alles wat we ondernemen. In manibus portabunt te, ne forte offendas ad lapidem pedem tuum, zij zullen u op hun handen dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen zult stoten (Ps 90, 12).

We moeten leren om vol vertrouwen met de engelen om te gaan. Richt je tot hen, zeg je engelbewaarder dat het genadebrengende water van de Veertigdagentijd niet langs jouw ziel is afgegleden maar dat het, door je berouwvol hart, tot op de bodem is doorgedrongen. Vraag hun of zij onze goede wil, die de genade in ons heeft laten ontkiemen, naar de Heer willen brengen, als een lelie die opgebloeid is op een mestvaalt. Sancti Angeli, Custodes nostri, defendite nos in proelio, ut non pereamus in tremendo iudicio, heilige engelbewaarders, verdedig ons in de strijd, opdat wij niet omkomen bij het verschrikkelijke oordeel [Uit een gebed tot de h. Michaël (Missale Romanum, 1960: Mis ter ere van de h. Michaël)].


64

Goddelijk kindschap

Hoe kunnen we met vertrouwen bidden, met de overtuiging dat we niet zullen omkomen in de strijd? Die overtuiging vloeit voort uit ons goddelijk kindschap en dat is iets waarover ik me iedere keer weer verwonder. De Heer die ons in deze Veertigdagentijd vraagt om ons te bekeren is geen tirannieke heerser en ook geen starre, onverbiddelijke rechter. Hij is onze Vader. Hij spreekt met ons over onze zonden, onze fouten en tekortkomingen, maar Hij doet dat om ons ervan te bevrijden en ons zijn vriendschap en liefde aan te bieden. We bekeren ons met blijdschap, want we zijn ons bewust van ons goddelijk kindschap en we weten dat we terugkeren naar het huis van de Vader.

Het goddelijk kindschap is het fundament van de geest van het Opus Dei. Alle mensen zijn kinderen van God, maar een kind kan op heel verschillende manieren op zijn vader reageren. Wij moeten ons best doen om kinderen te zijn die beseffen dat de Heer — in zijn liefde voor ons, zijn kinderen — ervoor gezorgd heeft dat wij midden in deze wereld in zijn huis wonen, dat wij tot zijn gezin behoren, dat Hij alles met ons en wij alles met Hem delen, dat wij op een vertrouwelijke manier met Hem kunnen omgaan zoals eigen is aan een gezin, waardoor we, als een klein kind, zelfs om de maan durven te vragen!

Een kind van God gaat met Hem om als met zijn Vader, niet met slaafse onderworpenheid, ook niet met formeel respect of louter uit beleefdheid, maar heel open en vol vertrouwen. God neemt geen aanstoot aan de mensen. God wordt niet moe van onze ontrouw. Onze hemelse Vader vergeeft iedere belediging zodra zijn kind zich omkeert en zich weer tot Hem richt, als het spijt heeft en vergiffenis vraagt. God is zozeer een Vader, dat Hij ons verlangen naar vergeving ziet aankomen en ons vol liefde en met open armen tegemoetkomt om ons zijn genade te schenken.

Wees ervan overtuigd dat ik dit niet verzin. Denk maar aan de parabel die de Zoon van God ons vertelt om ons de liefde van de Vader in de hemel te laten begrijpen: de parabel van de verloren zoon (zie Lc 15, 11 e.v).

Zijn vader zag hem al in de verte aankomen — zegt de Schrift — en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem af, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk (Lc 15, 20). Dat zijn woorden uit de heilige Schrift: kuste hem hartelijk! Kan het nog menselijker worden uitgedrukt? Kan de vaderlijke liefde van God voor de mensen nog sprekender worden beschreven?

Tegenover een God die op ons toesnelt kunnen wij niet stilzwijgen, maar we zeggen Hen met de heilige Paulus: Abba, Pater! (Rom 8, 15) Vader! Mijn Vader! Want Hij, de Schepper van het universum, hecht geen belang aan klinkende titels, het gaat Hem niet om de plechtige erkenning van zijn heerschappij. Hij wil dat wij Hem Vader noemen en dat we dat woord vol blijdschap uitspreken.

In zekere zin is het menselijk leven een voortdurend terugkeren naar het huis van onze Vader. Terugkeren door het berouw, door de bekering van het hart en met de wens om te veranderen; het vaste besluit om ons leven te beteren wat zich uit in daden van offervaardigheid en overgave. We keren terug naar het huis van de Vader door het boetesacrament, waarin wij ons door de belijdenis van onze zonden opnieuw bekleden met Christus en zo zijn broeders en zusters worden, leden van het gezin van God.

God wacht met uitgestrekte armen op ons, zoals de vader in de parabel, ook al hebben wij dat niet verdiend. Het maakt niet uit wat we Hem schuldig zijn. Zoals de verloren zoon hoeven we alleen maar ons hart voor Hem te openen en heimwee te hebben naar het huis van de Vader. We hoeven ons alleen maar te verwonderen en te verheugen over het geschenk van God dat we ons zijn kinderen mogen noemen en dat ook werkelijk zijn, ook al beantwoorden wij vaak niet aan de genade.


65

Wat een merkwaardig vermogen heeft de mens toch om de wonderbaarlijkste dingen te vergeten en het mysterie gewoon te gaan vinden! Laten we er in deze Veertigdagentijd nog eens bij stilstaan dat een christen niet oppervlakkig mag zijn. Ook als hij het zoals iedereen erg druk heeft en volledig in beslag genomen wordt door zijn werk, wat de nodige spanningen met zich meebrengt, moet een christen tegelijkertijd opgaan in God, omdat hij een kind van God is.

Het goddelijk kindschap is een blije waarheid, een troostvol mysterie. Het geeft volheid aan ons geestelijk leven omdat het ons leert hoe we met onze Vader in de hemel moeten omgaan, hoe we Hem beter kunnen leren kennen en liefhebben. Het maakt onze innerlijke strijd vol hoop en geeft ons het vertrouwen en de onbevangenheid van kleine kinderen. En er is meer: juist omdat wij kinderen van God zijn, kijken we met liefde en bewondering naar alle dingen die uit de hand van onze Vader en Schepper zijn voortgekomen. Op die manier leven wij contemplatief in de wereld waarvan we heel veel houden.

De liturgie van de Veertigdagentijd verduidelijkt wat de gevolgen van de zonde van Adam zijn voor het leven van de mensen. Adam wilde geen goede zoon van God zijn en kwam tegen Hem in opstand, maar ook horen we voortdurend de echo van die felix culpa — die gelukkige, zalige schuld — die de Kerk vol vreugde zal zingen tijdens de paaswake (Paasjubelzang).

Toen de volheid der tijden gekomen was, heeft God de Vader zijn eniggeboren Zoon naar de wereld gezonden om daar opnieuw vrede te brengen; om de mens van de zonde te verlossen zodat hij adoptionem filiorum reciperemus, het kindschap kon verkrijgen (Gal 4, 5), bevrijd van het juk van de zonde en met het vermogen om deel te krijgen aan het leven van de Allerheiligste Drie-eenheid. En daardoor werd het mogelijk voor deze nieuwe mens, voor deze nieuwe enting van de kinderen van God (zie Rom 6, 4-5), de hele schepping te bevrijden van de wanorde en alle dingen te herstellen in Christus (zie Ef 1, 5-10) die ons met God heeft verzoend (zie Kol 1, 20).

Het is dus tijd voor boete. Maar zoals we hebben gezien is dit geen negatieve opgave. We moeten de Veertigdagentijd beleven in de geest van het kindschap waarover Christus ons heeft gesproken en dat in onze ziel leeft (zie Gal 4, 6). De Heer roept ons, Hij wil dat wij naar Hem toe komen met het verlangen om te worden zoals Hij: Weest navolgers van God, zoals geliefde kinderen past (Ef 5, 1). Zo kunnen we nederig maar vol vuur meewerken aan het goddelijk plan en helen wat gebroken is, redden wat verloren is, samenvoegen wat door de zondige mens uit zijn voegen is geraakt, tot een goed einde brengen wat ontspoord is, en de door God gewilde eendracht in de schepping herstellen.


66

De liturgie van de Veertigdagentijd krijgt soms een tragische toon doordat zij overweegt wat het voor de mens betekent zich van God te verwijderen. Maar die overweging heeft niet het laatste woord. Het laatste woord is aan God. Het is het woord van zijn reddende en barmhartige liefde en dus het woord van ons goddelijk kindschap. Daarom herhaal ik met de heilige Johannes: Ziet welk een liefde de Vader ons heeft gegeven, dat wij kinderen van God genoemd worden; en wij zijn het ook! (1 Joh 3, 1). Kinderen van God, broers van het Woord dat vlees is geworden en van wie is gezegd: In Hem was leven, en dat leven was het licht der mensen! (Joh 1, 4). Kinderen van het licht, broeders van het licht — dat is wat wij zijn! Dragers van de enige vlam die bij machte is licht te geven aan de harten van vlees!

Ik stop hier om verder te gaan met de heilige Mis. Ieder van jullie kan nadenken over wat de Heer van hem vraagt; over de voornemens en de beslissingen die de genade in jullie wil losmaken. En wanneer jullie de bovennatuurlijke en menselijke eisen van de overgave en de strijd ervaren, denk er dan aan dat Jezus ons voorbeeld is. Bedenk dat Jezus, die God is, toeliet dat Hij op de proef werd gesteld zodat wij vol goede moed kunnen zijn en zeker van de overwinning. Hij verliest geen veldslag. Als we met Hem verenigd zijn, zullen we nooit worden overwonnen, maar ons overwinnaar kunnen noemen en dat zijn we dan ook echt: goede kinderen van God.

Laten we met blijdschap in het leven staan. Ik ben blij. Als ik naar mijn leven kijk en mijn geweten onderzoek zoals dat in deze Veertigdagentijd van ons gevraagd wordt, dan zie ik geen reden om blij te zijn… Maar ik ben blij omdat ik zie dat de Heer mij voor de zoveelste keer zoekt en dat Hij mijn Vader blijft. Ik weet dat jij en ik met het heldere licht en de hulp van de genade beslist zullen zien welke dingen in ons vernietigd moeten worden, en die zullen we vernietigen; welke dingen eruit getrokken moeten worden, en die zullen we eruit trekken; welke dingen we moeten inleveren, en die zullen we inleveren.

Dit is geen eenvoudige opgave. Maar we hebben een duidelijke leidraad die we niet buiten beschouwing moeten en mogen laten: wij worden door God bemind en we willen de heilige Geest in ons laten werken en ons laten zuiveren. Dan kunnen wij de Zoon van God aan het kruis omhelzen en daarna met Hem verrijzen, want de vreugde van de verrijzenis is geworteld in het kruis.

Maria, onze Moeder, auxilium christianorum, refugium peccatorum, hulp van de christenen, toevlucht van de zondaars, spreek voor ons ten beste bij uw Zoon. Bidt dat Hij ons de heilige Geest mag zenden en dat die het besluit in ons hart wakker maakt om moedig en vastberaden onze weg vervolgen. Bidt dat Hij in het diepst van onze ziel het roepen mag laten klinken dat een van de eerste christenen bij zijn marteldood met vrede vervulde: Veni ad Patrem [H. Ignatius van Antiochië, Epistula ad Romanos, 7, 2 (PG 5, 694)]. Kom, kom terug bij je Vader die op je wacht!


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende