Als Christus nu langs komt > De openbaring van de Heer > Hst 4
31

Homilie gehouden op 6 januari 1956 (Driekoningen)

Kort geleden heb ik een reliëf in marmer bewonderd, dat de aanbidding van het kind Jezus door de drie koningen voorstelde. Om dat reliëf heen stonden andere figuren: vier engelen, ieder met een symbool, de een met een diadeem, de ander met een aardbol waarop een kruis, de derde met een zwaard en de vierde met een scepter. Deze vertrouwde tekenen maken de gebeurtenis die wij vandaag vieren heel aanschouwelijk. Wijze mannen (volgens de overlevering waren het koningen) werpen zich voor het Kind neer, nadat ze in Jeruzalem gevraagd hebben: Waar is de pasgeboren koning der Joden? (Mt. 2, 2).

Bij mij komt dezelfde vraag op nu ik naar Jezus sta te kijken, liggend in een kribbe (Lc. 2, 12), op een plaats die eigenlijk alleen voor dieren is bestemd. Waar, o Heer, is Uw koninklijke waardigheid? Waar zijn diadeem, zwaard en scepter? Die behoren Hem toe, maar Hij wil ze niet. Hij heerst, in doeken gewikkeld. Hij is een weerloze Koning die daar vóór ons ligt, hulpeloos als een klein kind. Denken wij nu niet aan de woorden van de Apostel: Hij heeft zichzelf ontledigd door de gestalte aan te nemen van een slaaf (Fil. 2, 7)?

De Heer heeft het vlees aangenomen om ons de wil van de Vader bekend te maken. En reeds hier in de wieg onderwijst Hij ons. Jezus Christus zoekt ons, doet een beroep op ons, roept ons op tot heiligheid opdat wij met Hem de Verlossing voltooien. Overweeg het eerste punt van zijn leer: om medeverlossers zijn is het nodig dat we, niet over onze naasten, maar over onszelf zegevieren. Zoals Christus zullen wij afstand doen van onszelf, als dienaren van de anderen om hen nader te brengen tot God.

Waar is de Koning? Is het niet zo, dat Jezus vooral wil heersen in het hart, in uw hart? Daarom werd Hij kind. Want wie houdt niet van zo'n klein schepsel? Waar is de Koning? Waar is Christus, van wie de heilige Geest wil dat Hij vorm aanneemt in onze ziel? Niet door de trots die ons van God scheidt. Niet door liefdeloosheid die ons isoleert. Daar kan Christus niet zijn, want daar is de mens alleen.

Aan de voeten van het Jezuskind, op deze dag van Driekoningen, voor een Koning zonder de uiterlijke te kenen van zijn waardigheid, kunt u zeggen: Heer, bevrijd mijn leven van alle trots, doorbreek mijn eigenlief de, de drang om ten koste van alles mijn wil door te drijven en die wil aan anderen op te dringen. Geef, dat de vereniging met U de grondslag wordt van mijn persoonlijkheid.


32

De weg van het geloof

Met Christus één worden is zeker niet gemakkelijk; maar ook niet moeilijk, als wij leven zoals de Heer het ons geleerd heeft, als wij dagelijks onze toevlucht nemen tot zijn Woord en ons hele leven laten doordringen van de sacramentele werkelijkheid (de Eucharistie) die Hij ons als spijs heeft achtergelaten. Want de weg van de christen is een wandelaar te zijn, zoals een oud lied van mijn land zegt. God heeft ons duidelijk geroepen, op ondubbelzinnige wijze. Evenals de Wijze Koningen hebben wij aan de hemel van onze ziel een ster ontdekt als licht en wegwijzer.

Wij hebben zijn ster in het oosten gezien en zijn, gekomen om Hem te aanbidden (Mt. 2, 2), Dat hebben wij ook ervaren. Ook wij hebben waargenomen hoe langzamer hand een nieuw licht begon te stralen in onze ziel: het verlangen om helemaal christen te zijn.: Het was, als u mij de uitdrukking toestaat, onze rusteloosheid om God helemaal serieus te nemen. Als ieder van u op dit ogenblik het wordingsproces van zijn bovennatuurlijke roeping hardop zou gaan vertellen, dan zouden wij alleen maar kunnen bevestigen dat dit alles Gods werk was. Danken wij God de Vader, God de Zoon, God de heilige Geest, en de heilige Maria, door wier bemiddeling wij alle weldaden van de hemel ontvangen. Danken wij Hen voor dit geschenk, na het geloof het grootste dat de Heer aan een schepsel kan toekennen: het volhardend streven naar de volheid van de liefde, in de overtuiging dat de heiligheid midden in het beroepswerk, het sociale milieu... niet alleen mogelijk, maar ook nodig is.

Zie met welk een fijngevoeligheid de Heer ons uitnodigt. Hij spreekt met menselijke woorden, als een ver liefde: Ik heb u bij uw naam geroepen... u bent van Mij (Jes. 43, 1). God, die de schoonheid is, de grootheid en de wijsheid, die zegt ons dat wij van Hem zijn, dat Hij ons uitverkoren heeft om ons zijn oneindige liefde aan te bieden. Om dit heerlijk geschenk, dat de Voorzienigheid ons heeft toevertrouwd, niet te verspillen, is een sterk geloofsleven vereist. Vereist is een geloof als dat van de drie koningen: de overtuiging dat noch de woestijn, noch noodweer, noch de rust van de oasen ons kunnen beletten om het eeuwige Betlehem te bereiken, het definitieve leven met God.


33

De weg van het geloof is een weg van offer. De christelijke roeping neemt ons niet weg van onze plaats, maar eist van ons dat wij alles verlaten wat de liefde tot God in de weg staat. Het opkomende licht is slechts het begin. Wij moeten dat licht volgen, als wij willen dat het schijnsel voor ons een ster wordt, ja de zon zelf. De heilige Johannes Chrysostomus schrijft: Zolang de Wijzen nog in Perzië waren, zagen ze alleen maar een ster. Maar toen ze hun vaderland verlieten, zagen ze de zon der gerechtigheid zelf. Men kan zeggen dat ze de ster niet waren blijven zien als ze in hun land gebleven waren. Ook wij willen ons haasten! Zelfs als allen het ons willen beletten, zullen we naar het huis van dit Kind rennen (H. Johannes Chrysostomus, In Matthaeum homiliae, 6, 5 [PG 57).

Standvastig in de roeping

Wij hebben zijn ster in het oosten gezien en zijn ge komen om Hem te aanbidden. Toen koning Herodes dat hoorde, schrok hij en met hem heel Jeruzalem (Mt. 2, 2-3). Dat gebeuren herhaalt zich ook nu nog. Tegenover Gods grootheid, tegenover de met menselijke ernst en diepe christelijke overtuiging genomen beslissing om het eigen geloof consequent te beleven, vinden wij altijd weer verbaasde, onthutste, ja zelfs geërgerde mensen. Het lijkt wel of ze geen andere horizon kennen dan die, welke past binnen hun beperkte, aan de aarde gebonden horizon. Als ze het edelmoedig gedrag zien van anderen, die de roep van de Heer vernomen hebben, dan glimlachen ze meewarig. Ze staan verbaasd of werpen zich (soms ziekelijk) met alle kracht op het belemmeren van een vrome gewetensbeslissing, die iemand in vrijheid genomen heeft.

Ik heb wel eens meegemaakt dat er een soort algemeen complot gesmeed werd tegen diegenen die besloten hadden hun leven totaal aan God en de naaste te wijden. Sommige mensen vinden dat God niet mag roepen wie Hij wil zonder eerst toestemming te vragen. Ook denken ze dat de mens niet in staat is zelf vrij te kiezen tussen het beantwoorden aan de liefde of het afwijzen ervan. Voor wie zo denkt staat het bovennatuurlijke leven op de tweede plaats. Zij denken dat het wel aandacht verdient, maar pas nadat aan de menselijke gemakjes en eigenbelang voldaan is. Als dat zo was, wat zou er dan nog van het christendom overblijven? Zijn de liefdevolle, maar tegelijkertijd ook strenge woorden van Jezus alleen maar om naar te luisteren? Of moeten wij ernaar luisteren en ze ook in praktijk brengen? Hij heeft gezegd: Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is (Mt. 5, 48).

De Heer wendt zich tot alle mensen, opdat ze Hem zoeken, opdat ze heilig worden. Hij roept niet alleen de koningen uit het oosten, die wijs en machtig waren. Tevoren al had Hij wel geen ster, maar een van zijn engelen naar de herders gezonden (vgl. Lc. 2, 9). Maar allen, rijk of arm, wijs of minder wijs, moeten in hun ziel de nederige bereidwilligheid koesteren om te luisteren naar de stem van God.

Kijk naar het geval van Herodes. Hij hoorde tot de wereldheersers en kon rekenen op de steun van de geleerden: Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen en legde hun de vraag voor, waar de Messias geboren moest worden (Mt. 2, 4). Maar zijn macht en zijn kennis brengen hem er niet toe God te erkennen. Voor zijn verstokt hart zijn macht en kennis slechts middelen voor het kwaad: de zinloze wens namelijk om God te vernietigen, het leven te verachten van een handvol onschuldige kinderen.

In het evangelie lezen we verder: Die antwoordden hem: In Betlehem in Judea. Want zo staat bij de profeten geschreven: Gij, Betlehem, in het land van Judea, zijt helemaal niet de geringste onder de vorstensteden van Juda. Want uit u zal voortkomen de vorst die mijn volk Israël zal regeren (Mt. 2, 5). Wij mogen deze details van de goddelijke barmhartigheid niet over het hoofd zien: Hij, die de wereld wilde verlossen, werd geboren in een afgelegen dorp. En, zoals de.Schrift nadrukkelijk herhaalt, is er bij God geen aanzien des persoons (vgl. 2 Kron. 19, 7; Rom. 2, l; Ef. 6, 9; Kol. 3, 25 enz.). Om een ziel te roepen tot een leven in totale overeenstemming met het geloof, let Hij niet op rijkdom, noch op afkomst of op kennis. De roeping gaat op elke verdienste vooraf. En zie, de ster die ze in het oosten gezien hadden, trok voor hen uit, tot ze tenslotte bleef staan boven de plaats waar het kindje was (Mt. 2, 9).

Voordat wij weten hoe wij Hem mogen naderen, houdt God al van ons en prent Hij ons de liefde in waarmee wij hem kunnen antwoorden. Gods vaderlijke goedheid komt ons tegemoet (Ps. 78, 8). God is veel meer dan alleen maar recht vaardig: Hij is barmhartig. Hij wacht niet tot wij tot Hem komen. Hij is ons vóór met duidelijke bewijzen van zijn vaderlijke liefde.


34

Goede Herder en Gids

Als de roeping eerst komt, als de ster van te voren straalt om ons te leiden op onze weg naar de liefde van God, dan is er geen reden om te twijfelen, als ze zich wel eens voor ons verbergt. In ons innerlijk leven zijn van die ogenblikken (en bijna altijd is dat onze schuld) waarop het ons vergaat als de Wijzen op hun tocht: de ster verdwijnt. Al weten wij al van de Goddelijke glans van onze roeping, al zijn wij overtuigd dat ze definitief is, toch kan het gebeuren dat het stof dat wij bij het lopen doen opdwarrelen (onze armzaligheid), een dichte wolk vormt, die het licht niet laat doordringen.

Wat kunnen we in zulke gevallen doen? Het voorbeeld van die heilige mensen volgen, en vragen. Voor Herodes diende de wetenschap om onrecht te doen. De Wijzen gebruiken ze voor het goede. Wij christenen hebben het echter niet nodig, bij een Herodes of de wijzen van de wereld te rade te gaan. Want Christus heeft zijn Kerk de veilige leer en de genadestroom van de Sacramenten gegeven. Hij heeft het zo beschikt, dat er mensen zijn die de weg wijzen, ons leiden en voortdurend aan de juiste weg herinneren. Wij beschikken over een oneindige schat aan kennis: het Woord van God dat door de Kerk bewaard wordt, de genade van Christus die door de sacramenten wordt uitgedeeld, het getuigenis en het voorbeeld van hen die een oprecht leven leiden en de weg van trouw aan God zijn ingeslagen.

Laat ik u een raad geven: Mocht u ooit het heldere licht verliezen, neem dan altijd uw toevlucht tot de goede herder. Wie deze goede herder is? Hij die binnen gaat door de deur van de trouw aan de leer van de Kerk; hij die zich niet gedraagt als een huurling die de wolf ziet komen en de schapen in de steek laat en vlucht; en de wolf valt de schapen aan en drijft ze uiteen (vgl. Joh. 1-21). Zie, het woord Gods heeft diepe zin. Als Christus met zoveel nadruk over herders en schapen, over stal en kudde spreekt (wie zou het kunnen ontgaan, met welke liefde Hij dat doet?), dan beklemtoont Hij duidelijk, hoe noodzakelijk een goede leider is voor elke ziel.

De heilige Augustinus schrijft: Waren er geen slechte herders, dan had Hij niet van goede gesproken. Wie is de huurling? Hij die de wolf ziet en vlucht. Hij die zijn eer en niet de eer van Christus zoekt. Hij die de zondaars niet vrijmoedig op hun fouten durft te wijzen. De wolf pakt een schaap bij de keel, de duivel verleidt een gelovige tot echtbreuk. En u zwijgt en wijst niet terecht. U bent een huurling. U hebt de wolf zien komen en bent gevlucht. Misschien wil hij ontkennen en zeggen: Hier ben ik, ik ben niet gevlucht. Maar ik antwoord: Nee, u bent wèl gevlucht, omdat u gezwegen hebt. En u hebt gezwegen om dat u bang was (H. Augustinus, In Ioannis Evangelium tractatus, 46, 8 [PL 35, 1732]).

De heiligheid van de Bruid van Christus is altijd - en ook nu - gebleken uit de overvloed van goede herders. Al leert het christelijk geloof ons dat wij eenvoudig moeten zijn, we mogen niet naïef zijn. Er zijn huurlingen die zwijgen, en er zijn er die spreken, maar van wie de woorden niet die van Christus zijn. Als de Heer toelaat dat wij de weg niet vinden in de duisternis (ook in kleine dingen), als wij bemerken dat ons geloof niet sterk is, dan moeten wij onze toevlucht zoeken bij de goede herder. Hij treedt de deur binnen en oefent zijn recht uit. Hij geeft zijn leven voor de anderen. Hij wil door woord en daad getuigen dat zijn hart vol liefde is. Misschien is ook hij een zondaar, maar hij vertrouwt altijd op de vergeving en de barmhartigheid van Christus.

Als een of andere fout aan uw geweten knaagt, ook al lijkt hij u die niet ernstig; als er twijfels bij u opkomen, ontvang dan het sacrament van de boete. Ga naar de priester die om u bezorgd is, die van u een vast geloof, een fijngevoelig hart en echte christelijke standvastigheid verlangt. In de Kerk is ieder volkomen vrij te biechten bij om het even welke priester, die de nodige volmacht heeft. Maar een christen, die de juiste lijn volgt, zal, in alle vrijheid, naar die priester gaan die hij als een goede herder kent, en die hem kan helpen om de blik te heffen, opdat hij opnieuw de ster van de Heer boven zich ziet.


35

Goud, wierook en mirre

Videntes autem stellam gavisi sunt gaudio magno valde (Mt. 2, 10), zo staat er met heerlijke pleonasmen te lezen in de Latijnse tekst: Toen ze de ster weer zagen, verheugden ze zich met een zeer grote vreugde. Waarom die grote vreugde? Omdat zij, die nooit getwijfeld hebben, van de Heer het bewijs krijgen dat de ster niet verdwenen is. Ze hadden die wel niet meer kunnen zien, maar in hun ziel hadden ze het beeld bewaard. Precies zo gaat het met de roeping van de christen: Als men het geloof niet verliest en de hoop niet opgeeft op Jezus Christus, die bij ons zal zijn tot aan het einde der wereld (Mt. 28, 20), dan zal de ster weer verschijnen. En als wij opnieuw de werkelijkheid van onze roeping ervaren, dan ontbrandt in ons een des te grotere vreugde, die ons geloof, onze hoop en onze liefde vermeerdert.

Ze traden het huis binnen en zagen het Kind met Maria, zijn Moeder. Ze vielen op de knieën en aanbaden het (Mt. 2, 11). Ook wij knielen neer voor Jezus, onder zijn mensheid verborgen God. Wij herhalen, dat wij zijn goddelijke roepstem nooit meer zullen afwijzen, dat wij nooit meer van Hem willen scheiden, dat wij onze weg vrij willen maken van alles wat een beletsel is voor de trouw, dat wij oprecht verlangen zijn ingevingen te volgen. U in uw binnenste, en ik, in mijn stil gebed, als een luid zwijgen, wij willen het Kind vertellen dat wij, zoals de knechten in de gelijkenis, trouw willen zijn, opdat Het ook ons kan zeggen: Verheug u, gij goede en trouwe knecht (Mt. 25, 23).

Ze openden hun schatten en boden Hem geschenken aan: goud, wierook en mirre (Mt. 2, 11). Laten we deze passage in het heilig evangelie even nader bekijken, om het beter te kunnen begrijpen. Hoe kunnen wij, die toch niets en nietswaardig zijn, God geschenken aanbieden? In de heilige Schrift staat: Iedere goede gave en ieder volmaakt geschenk komt van boven (Jac. 1, 17). De mens kan de diepte en de schoonheid van de gaven van God niet eens volledig beseffen. Als gij de gave Gods zoudt kennen (Joh. 4, 10), antwoordt Jezus de Samaritaanse vrouw. Jezus Christus heeft ons geleerd, dat wij alles van de Vader mogen verwachten, dat wij vooral het Rijk Gods en zijn gerechtigheid moeten zoeken, omdat al het andere ons wordt toegeworpen. En Hij weet precies wat wij nodig heb ben (vgl. Mt. 6, 32-33).

In de heilseconomie zorgt onze Vader liefdevol voor elke ziel: Iedereen heeft van God een persoonlijke gave, de één deze, gene weer een andere (1 Kor. 7, 7). Daarom zou het nutteloos zijn te proberen de Heer iets aan te bieden wat Hij nodig heeft. Voorzover wij schuldenaar zijn, niet in staat onze schuld te voldoen (vgl. Mt. 18, 25), zouden onze gaven lijken op die van het Oude Verbond, die door de Heer niet meer aangenomen worden: Offers en gaven, brand en zoenoffers hebt Gij niet gewild, en wat volgens de oude Wet werd opgedragen, daar vond Gij geen behagen in (Hebr. 10, 8).

De Heer weet echter dat verliefden altijd schenken, en Hij zelf zegt ons wat Hij van ons wenst. Hem interesseren niet de rijkdom, noch de vruchten der aarde, noch de dieren van aarde, zee of lucht, want dat alles behoort Hem immers toe. Hij wil iets heel persoonlijks, dat wij Hem uit vrije wil moeten geven: Mijn zoon, schenk mij uw hart (Spr. 23, 26). Kijk, Hij is niet tevreden als Hij met anderen moet delen. Hij wil alles. Hij is niet op zoek naar wat wij bezitten. Ik herhaal: Hij wil ons zèlf. In die overgave alleen ligt de waarde van alle andere geschenken die wij de Heer kunnen aanbieden.

Wij kunnen Hem dus goud geven: het fijne goud van de geest van onthechting aan geld en materiële dingen. Wij mogen niet vergeten dat het goede dingen zijn, die uit Gods hand komen. Maar de Heer heeft gewild dat wij er gebruik van maken zonder er ons met hart en ziel aan te hechten. Hij wil dat we ze inzetten voor het welzijn van alle mensen.

De goederen van de wereld zijn niet slecht. Maar als de mens ze verafgoodt en zich ervoor op de knieën werpt, dan maakt hij er slechte dingen van. Ze worden geadeld als wij ze veranderen in werktuigen voor het goede, als christelijke opdracht van gerechtigheid en liefde. Wij mogen de stoffelijke goederen niet najagen als iemand die op zoek gaat naar een schat. Onze schat is hier, in de kribbe. Het is Christus. Op Hem moet heel onze liefde zich richten, want waar onze schat is, daar zal ook ons hart zijn (Mt. 6, 21).


36

Wij offeren wierook. Wij laten onze wens om een rechtschapen leven te leiden, waar de bonus odor Christi (2 Kor. 2, 15), de fijne geur van Christus uitgaat, opstijgen naar de Heer. Onze woorden en daden geheel vervullen van de bonus odor, dat is begrip en vriendschap verspreiden. Ons leven moet het leven van de mensen om ons heen vergezellen, opdat niemand eenzaam is of zich eenzaam voelt. Onze liefde moet vol menselijke warmte en genegenheid zijn.

Zo leert Jezus het ons. Eeuwenlang verwachtte de mensheid de komst van de Verlosser. De profeten had den Hem veelvuldig aangekondigd. Ofschoon door zonde en onwetendheid een groot deel van de openbaring van God aan de mensen verloren was gegaan, was het verlangen naar God en het smachten naar de verlossing zelf tot in de laatste uithoeken van de aarde blijven leven.

Eindelijk komt de volheid der tijden. Maar om die volheid te verwezenlijken verschijnt er geen filosofisch genie zoals Plato of Socrates. En er verschijnt ook geen machtige wereldveroveraar als Alexander de Grote. Er verschijnt een Kind, in Betlehem geboren. Het is de Verlosser van de wereld. Maar voordat het spreekt, bemint het door de daad. Het Kind brengt geen toverformule mee, want het weet dat de verlossing, die het aanbiedt, slechts kan worden voltrokken in de harten van de mensen. Eerst zien wij niets anders dan het lachen en schreien van een kind, dan de weerloze slaap van de vleesgeworden God. Dat gebeurt opdat wij in liefde ontbranden en het Kind zonder schroom in onze armen nemen.

Opnieuw beseffen wij dat dit het christendom is. Als de christen niet bemint door zijn werken, dan is hij als christen en dus ook als mens mislukt. In uw denken mogen de anderen geen nummers zijn, of middelen om hogerop te komen. Ook geen massa die opgehemeld of vernederd, gevleid of veracht wordt, naar gelang het u beter uitkomt. In uw denken moeten de anderen (maar vooral die uit uw directe omgeving) kinderen God zijn, uitgerust met de waardigheid die deze verheven titel met zich meebrengt.

We dienen ons tegen elkaar te gedragen als kinderen van God met de kinderen van God: met een offervaardige liefde, die elke dag blijkt uit talloze kleine bewijzen van medeleven, stille offervaardigheid, discrete overgave, van zich zelf. Dat is de bonus odor Christi, die de medemensen over onze eerste broeders in het geloof deed opmerken: Ziet, hoe zij elkaar liefhebben! (Tertullianus, Apologeticus, 39 [PL 32 ]).

Het gaat niet om een ideaal in de fantasie. Christus is geen zonderling die, zoals Tartarin de Tarascon, die figuur van de Franse literatuur die leeuwen wil jagen waar er geen zijn, namelijk in de gangen van zijn huis. Het gaat om het concrete dagelijkse leven: de heiliging van de arbeid, het gezinsleven, de vriendschap. Als wij daar geen christenen zijn, waar dan wèl? De geur van de wierook wordt gevoed door een gloed die onopvallend korrel na korrel verteert. De mensen bemerken de bonus odor Christi niet aan het opflakkeren van een strovuur, . maar aan de verborgen, werkzame gloed van de deugden, gerechtigheid, betrouwbaarheid, trouw, begrip, edelmoedigheid en blijdschap.


37

Ten slotte offeren wij met de koningen ook mirre, het offer namelijk, dat in het leven van een christen niet mag ontbreken. De mirre herinnert ons aan het Lijden van de Heer. Aan het Kruis geven ze Hem mirre met wijn te drinken (vgl. Mc. 15, 23), en met mirre zalfden ze zijn Lichaam voor de begrafenis (vgl. Joh. 19, 39) - Als wij over de noodzaak van het offer en de versterving nadenken, dan mag u niet denken dat het feest, dat wij vandaag vieren, daardoor een trieste bijsmaak zou krijgen.

Versterving is geen pessimisme of verbittering. Zonder liefde is versterving waardeloos. Daarom moeten wij die verstervingen zoeken waarbij wij de wereldse zaken de baas blijven zonder de mensen in onze omgeving last te veroorzaken. De christen mag noch een, scherprechter, noch een kniesoor zijn. Hij is iemand die door daden kan beminnen, en voor wie het leed de toetssteen van zijn liefde is.

Ik moet nog eens onderstrepen, dat de versterving in het algemeen niet bestaat in het verzaken aan grote dingen (de gelegenheid daartoe doet zich ook niet vaak voor) maar in kleine overwinningen op zichzelf: hem, die ongelegen komt, vriendelijk ontvangen, aan het lichaam het aangename van overbodige dingen ontzeg gen, naar anderen leren luisteren, de ons door God ge geven tijd goed gebruiken... en veel andere, schijnbaar onbeduidende kleinigheden die wij in de loop van de dag tegenkomen zonder dat we ze zoeken, tegenvallers, moeilijkheden en vervelende dingen.


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende