 |
| 67 |
 |
Homilie gehouden op 15 maart 1961 (woensdag van de 4e week van de vasten)
Wij hebben in de Mis een tekst gelezen uit het evangelie van de heilige Johannes: het verhaal over de wonderbare genezing van de blindgeborene. Ik denk dat wij allemaal opnieuw ontroerd zijn door de macht en de barmhartigheid van God, die zich het menselijk leed aantrekt. Maar vandaag wil ik stil blijven staan bij een ander kenmerk. Ik hoop concreet te laten zien dat, als de christen God bemint, hij ook niet onverschillig mag blijven voor het lot van andere mensen en iedereen met eerbied hoort te behandelen; en dat, als die liefde tot God verdwijnt, de mens gevaar loopt het geweten van de ander fanatiek en meedogenloos te overweldigen.
In het voorbijgaan, zo zegt het evangelie, zag Jezus een man die van zijn geboorte af blind was (Joh. 9, 1). Jezus die langs komt! Ik ben dikwijls enthousiast geweest over die heel eenvoudige weergave van de goddelijke goedertierenheid. Jezus komt voorbij en geeft zich onmiddellijk rekenschap van het leed. Maar kijk eens hoe anders de leerlingen reageerden! Zij vragen Hem: Meester, wie heeft er gezondigd, dat hij blindgeboren is: die man of zijn ouders? (Joh. 9, 2).
Het lichtvaardige oordeel
Het moet ons niet verwonderen dat veel mensen zich gedragen als de leerlingen, ook zij die zich christen beschouwen. Ze beginnen meteen kwaad te denken. Zonder enig bewijs gaan zij er bij voorbaat van uit dat er kwaad was. Sterker nog: ze bazuinen hun lichtvaardige oordeel overal rond.
Het minste wat van de leerlingen gezegd kan worden is, dat ze onbezonnen gesproken hebben, juist zoals dat nu nog gebeurt. Wat dat betreft is er weinig veranderd. Anderen, de Farizeeën, hadden die houding als regel aangenomen. Herinnert u maar hoe Jezus hun gedrag aan de kaak stelt: Johannes kwam; hij at noch dronk, en ze zeggen: Hij is van de duivel bezeten. De Mensenzoon kwam; Hij at en dronk, en ze morren: Ziet wat een gulzigaard, wat een wijndrinker, wat een vriend van tollenaars en zondaars (Mt. 11, 18-19).
Systematische aanvallen op de goede naam van de ander, beschimping van onberispelijk gedrag... Jezus Christus heeft bijtende en kwetsende kritiek ondergaan. Niet zelden doen sommigen hetzelfde lot wedervaren aan hen die, ofschoon ze zich bewust zijn van hun onvermijdelijke en veelvuldige persoonlijke zwakheden en vergissingen (logisch en natuurlijk, zou ik zeggen, gezien de menselijke zwakheid), de Meester willen volgen. Maar al stellen wij vast dat het zo gaat in het leven, toch mogen wij ons niet laten verleiden om zulke zonden en overtredingen tegen de goede naam (praatjes genoemd, maar met verdachte instemming) goed te keuren. Jezus zegt wel dat het de huisgenoten nauwelijks beter vergaat dan de heer des huizes die ze Beëlzebub genoemd hebben (vgl. Mt. 10, 24), maar Hij waarschuwt ook dat hij, die zijn broer een dwaas noemt, strafbaar zal zijn met het helse vuur (Mt. 5, 22).
Waar komt dat onrechtvaardige oordeel over de ander vandaan? Het lijkt wel of sommigen voortdurend valse brillen dragen waardoor hun blik vervormd wordt. Zij geloven principieel niet aan de mogelijkheid dat iemand rechtschapen is of op zijn minst voortdurend vecht om het te worden. Volgens een oud filosofisch gezegde gieten zij alles in hun eigen vorm, d.w.z. oordelen zij in overeenstemming met hun eerst vervormde kijk op de dingen. Voor hen is zelfs het meest rechtschapene ondanks alles een kwaadaardige houding, die huichelachtig verborgen gaat onder een schijn van goedheid. Als zij duidelijk het goede ontdekken, zo schrijft de heilige Gregorius de Grote, zoeken zij zorgvuldig of daarachter niet iets slechts schuilgaat (H. Gregorius de Grote, Moralia, 6, 22 [PL 75, 750]).
|
| 68 |
 |
Het is moeilijk om die mensen, bij wie deze misvorming bijna een tweede natuur geworden is, te doen begrijpen dat het menselijker en meer overeenkomstig de waarheid is, goed te denken van onze naaste. De heilige Augustinus geeft de volgende raad: probeer die deugden te verkrijgen die volgens u aan uw broeders ontbreken en u zult hun fouten niet meer zien, omdat u ze zelf niet meer zult hebben (H. Augustinus, Enarrationes in psalmos, 30, 2, 7 [PL 36, 243]). Sommigen vinden dat naïef en zeggen dat hun eigen instelling realistischer, verstandiger is.
Zulke mensen verheffen het vooroordeel tot norm van hun oordeel. Zo beledigen ze iedereen in plaats van te luisteren naar hun motieven. Pas daarna geven ze, objectief en genadig zoals ze menen, aan de beledigde misschien de mogelijkheid om zich te verdedigen... tegen elke moraal en alle recht in, want in plaats van zelf de bewijslast voor de veronderstelde fout op zich te nemen, staan zij aan de onschuldige het privilege toe om zijn onschuld te bewijzen.
Ik wil niet verhelen (dat zou niet eerlijk zijn) dat er achter de bovenstaande beschouwingen meer steekt dan alleen maar een beknopte weergave uit handboeken van moraaltheologie en recht. Die beschouwingen zijn de vrucht van een ervaring die velen aan den lijve ondervonden hebben. Zij zijn met veel anderen vaak jaren lang het mikpunt van kwaadsprekerij, verdachtmaking en laster geweest. De genade Gods en een niet haatdragende aard hebben kunnen bewerken dat dit alles geen spoor van verbittering nagelaten heeft. Mihi pro minimo est, ut a vobis iudicer (1 Kor. 4, 3), er is mij weinig aan gelegen, of ik door u word geoordeeld, zouden ze met de heilige Paulus kunnen zeggen. Soms hebben ze misschien in een meer volkse taal daaraan toegevoegd: het laat me koud. Want dat is de waarheid.
Van de andere kant word ik toch treurig gestemd bij de gedachte dat hij, die ten onrechte de goede naam van een ander aanvalt, zichzelf daardoor te gronde richt. Ik lijd ook omdat veel mensen tegenover willekeurige en brute beschuldigingen geen raad meer weten. Ze zijn radeloos, ze denken dat zoiets niet mogelijk is en ze vragen zich af of dit alles geen nachtmerrie is.
Enige dagen geleden lazen wij in de Mis het epistel van Suzanna, deze kuise vrouw die ten onrechte door twee bedorven grijsaards van ontucht beschuldigd werd. Suzanna begon te schreien en antwoordde haar aanklagers: van alle kanten voel ik me in het nauw gedreven; want als ik doe wat u voorstelt, zal de dood over mij komen, en als ik weiger zal ik niet aan uw handen ontsnappen (Dan. 13, 21). Hoe vaak brengt de doortraptheid van jaloerse intriganten onschuldige mensen in deze toestand! Ze worden voor het alternatief gesteld, de Heer te beledigen of aangetast te worden in hun eer. De enige edele en waardige oplossing waartoe die mensen kunnen besluiten is tevens uiterst smartelijk: liever val ik onschuldig in uw handen dan de Heer te beledigen (Dan. 13, 22).
|
| 69 |
 |
Het recht op privé-leven
Keren wij terug naar de genezing van de blinde. Jezus Christus heeft zijn leerlingen geantwoord, dat dat ongeluk niet het gevolg is van de zonde, maar een aanleiding om de macht van God zichtbaar te maken. En met bewonderenswaardige eenvoud beslist Hij, dat de blinde zal zien.
Dan begint voor deze man zowel zijn geluk als zijn kwelling. Ze laten hem niet met rust. Eerst wordt hij geplaagd door de buren en door hen die hem tevoren hadden zien bedelen (Joh. 9, 8). Het evangelie zegt ons niet dat ze zich verheugden, maar dat ze hem niet konden geloven, ofschoon de genezene onderstreepte dat hij het inderdaad was, die van blind ziende was geworden. In plaats van hem te laten genieten van de verkregen gunst, brengen ze hem naar de Farizeeën, die hem opnieuw vragen hoe het gebeurd is. En hij antwoordt voor de tweede keer: Hij deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie (Joh. 9, 15).
Maar de Farizeeën willen bewijzen dat het gebeurde, een weldaad en een groot wonder, helemaal niet gebeurd is. Sommigen nemen hun toevlucht tot kleingeestige, schijnheilige, zeer onbillijke redeneringen: Hij heeft op een sabbat genezen en daar het verboden is op sabbat te werken, ontkennen zij het wonder. Anderen beginnen wat men tegenwoordig een enquête zou noemen. Zij wenden zich tot de ouders van de blinde: is dit uw zoon, die naar gij zegt blind is geboren? Hoe ziet hij dan nu? (Joh. 9, 19). De vrees van de machtigen brengt de ouders tot een antwoord dat aan alle eisen van wetenschappelijke methodiek voldoet: Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind is geboren. Maar hoe hij nu zien kan, dat weten we niet; of wie hem de ogen geopend heeft, we weten het niet. Vraag het hem zelf. Hij is meerderjarig en zal zichzelf wel verantwoorden (Joh. 9, 20-21).
Zij die deze enquête houden kunnen niet geloven, omdat ze niet willen geloven. Ze riepen de man die blind geweest was nog eens en zeiden hem: (...) Wij weten dat die man - Jezus Christus - een zondaar is (Joh. 9, 24).
In enkele woorden tekent het verslag van Johannes het voorbeeld bij uitstek van een ontstellende aanslag op een grondrecht dat ieder van nature toekomt: het recht om met respect behandeld te worden.
Dat onderwerp is nog altijd actueel. Het zou niet moeilijk zijn in onze tijd gevallen van dezelfde agressieve nieuwsgierigheid te signaleren die tot ziekelijk snuffelen in het privé-leven van andere mensen richt. Een minimum aan gevoel voor rechtvaardigheid vereist zelfs bij het onderzoek naar een vermoedelijke overtreding bedachtzaamheid en terughoudendheid, zodat een pure mogelijkheid niet meteen tot feit wordt gemaakt. Als iets niet alleen geen overtreding maar misschien zelfs een achtenswaardige daad blijkt te zijn, dan moet men de ziekelijke zucht om zich daarmee te bemoeien als verdorven verklaren.
Tegenover hen die munt willen slaan uit verdachtmakingen en die een handeltje met de privé-sfeer schijnen te drijven, is het noodzakelijk de waardigheid van iedere persoon en zijn recht op privé-leven te verdedigen. Over die verdediging zijn alle rechtschapen mensen het eens, christen of niet. Want er staat een gemeenschappelijke waarde op het spel: de legitieme wens om zichzelf te zijn. Dat houdt het recht in zich niet uit te leveren aan de sensatielust van vreemden, maar de vreugden, zorgen en het leed in de familie terecht voor zich te houden; ook het recht om zonder vertoon goed te doen en uit zuivere liefde de behoeftige mens te helpen. Men is niet verplicht zijn hulp aan de naaste aan de grote klok te hangen of, erger nog, het intiemste van zijn eigen ziel bloot te stellen aan de onbescheiden en afgunstige blik van lieden, voor wie het innerlijk leven van een mens alleen maar aanleiding is tot wrede spot.
Maar hoe moeilijk is het te ontkomen aan dat agressieve gesnuffel. De methodes om iemand niet met rust te laten zijn talrijker geworden. We hoeven maar te denken aan de mogelijkheden van de techniek, of ook aan bepaalde door velen geaccepteerde manieren van argumentatie, tegen welke men zich maar moeilijk kan verweren, als men zijn goede naam niet wil verliezen. Zo gaat men soms uit van het beginsel dat alle mensen slecht handelen, en in zo'n denkschema verschijnt de zelfkritiek, het meaculpisme, als onvermijdelijk. Als nu iemand nalaat, zich met een lading modder te besmeuren, dan wordt daar de conclusie uit getrokken dat hij niet alleen een volslagen boosdoener, maar ook nog een arrogante huichelaar is.
Soms gebruikt men een ander procédé: iemand zegt of schrijft laster en laat dan horen dat hij zelf wel bereid is om aan te nemen dat u een achtenswaardig persoon bent, maar anderen misschien niet. Die zouden rondbazuinen dat u een dief bent. En hoe bewijst u dat het niet waar is? Ofwel ze zeggen: u hebt altijd beweerd dat uw gedrag onberispelijk, oprecht en rechtschapen was. Wilt u a.u.b. nog eens onderzoeken of het integendeel niet slecht, oneerlijk en leugenachtig is?
|
| 70 |
 |
Dit zijn geen gefantaseerde voorbeelden. Ik ben er zeker van, dat iedere mens of iedere bekende instelling andere voorbeelden kan geven. In sommige milieus is de kromme mentaliteit opgekomen, volgens welke “het grote publiek”, het “volk” of wat voor uitdrukking men ook gebruiken mag, het recht heeft om de intiemste bijzonderheden uit andermans leven te weten en er een oordeel over te geven.
Ik moge hier een heel persoonlijke opmerking plaatsen. Al meer dan dertig jaar heb ik altijd weer gezegd en geschreven dat het Opus Dei geen tijdelijke, politieke doeleinden nastreeft, dat het enkel en alleen de heilsleer van Christus en een daarmee overeenkomstig leven onder mensen van alle rassen, alle lagen der bevolking en in alle landen wil verbreiden. Het Opus Dei wil ertoe bijdragen dat God op aarde meer bemind wordt, opdat er zo meer vrede en gerechtigheid komt onder de mensen die kinderen van de ene Vader zijn.
Duizenden, ja miljoenen mensen over heel de wereld hebben dat begrepen. Anderen - weinigen - schijnt dit, om welke redenen dan ook, niet duidelijk te willen worden. Al sta ik met het hart dichter bij de eerste groep, toch acht en bemin ik ook de tweede, want allen hebben hun waarde, die respect en achting verdient, en allen zijn geroepen tot de heerlijkheid van Gods' kinderen.
Er is echter een sektarische minderheid die niet alleen niet begrijpt wat ik en andere mensen beminnen, maar die bovendien verklaringen en motiveringen verlangt die overeenkomen met hun eigen opvatting. Deze is gekoppeld aan exclusief politieke ideeën. Hun denkwijze staat niet open voor het bovennatuurlijke en is slechts bedacht op evenwicht en samenspel van groepsbelangen. Krijgen deze mensen geen verklaring die aan hun smaak is aangepast en daarom vals is, dan blijven ze denken dat er leugen, veinzerij en duistere plannen in het spel zijn.
Ik zeg u ronduit dat ik in deze gevallen noch treurig noch bezorgd ben. Ik zou er zelfs om kunnen lachen als ik kon vergeten dat hier de naaste wordt beledigd en een zonde wordt begaan die ten hemel schreit. Ik kom uit Aragon, de Spaanse streek met mensen van het slag dat houdt van openhartigheid. Van nature al houd ik van oprechtheid en voel ik instinctief afschuw van iedere vorm van veinzerij. Ik heb altijd geprobeerd om zonder grootspraak en aanmatiging met de waarheid te antwoorden, ook al waren degenen die lasterden, ongemanierd, arrogant en vijandig toonden en lieten zij geen spoor van menselijkheid blijken.
Dikwijls heb ik moeten denken aan het antwoord dat de blindgeborene aan de Farizeeën gaf toen zij hem voor de zoveelste keer vroegen, hoe het wonder gebeurd was: ik heb het u al gezegd en u hebt er niet naar geluisterd. Waarom wilt u het nog eens horen? Wilt u misschien ook zijn leerlingen worden? (Joh. 9, 27).
|
| 71 |
 |
Balsem voor de ogen
De zonde der Farizeeën was niet, dat ze in Christus niet God zagen, maar dat ze zich vrijwillig in een halsstarrige negatieve houding opsloten en niet duldden dat Jezus, die het licht is, hun de ogen opende (vgl. Joh. 9, 39-41). Zich opsluiten in negativisme heeft onmiddellijke gevolgen voor onze betrekkingen met de medemensen. De Farizeeër die meent dat hij zelf het licht is en dus niet duldt dat God hem de ogen opent, zal de naaste bejegenen met hoogmoed en onrechtvaardigheid: God, ik dank u, dat ik niet ben zoals de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, en ook niet zoals die tollenaar... (Lc. 18, 11). Dat is zijn gebed. En de blindgeborene die bij de waarheid wil blijven en van een wonderbare genezing spreekt, wordt beledigd: gij zijt in zonden geboren van boven tot onder, en ge leest ons de les? En ze wierpen hem buiten (Joh. 9, 34).
Onder hen die Christus niet kennen, zijn veel rechtschapen mensen die, door een natuurlijk gevoel voor wat passend is, zich fijngevoelig gedragen. Ze zijn oprecht, hartelijk en attent. Als zij en wij niet verhinderen dat Christus ons van onze blindheid geneest, als wij toelaten dat de Heer onze ogen bestrijkt met dat slijk dat onder zijn handen verandert in de meest doeltreffende oogzalf, dan zullen we met een nieuw licht, het licht van het geloof, de aardse dingen waarnemen en de eeuwige bespeuren. Wij zullen een zuivere blik krijgen.
Dit is de roeping van de christen: de volheid der liefde. Die liefde is geduldig, goedertieren, niet afgunstig, niet pronkzuchtig, niet verwaand. Zij handelt niet onedel en zoekt zichzelf niet. Zij laat zich niet verbitteren en rekent het kwade niet aan. Over onrecht is zij niet blij, maar over de waarheid verheugd. Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij (1 Kor. 13, 4-7).
De liefde van Christus is niet slechts een gevoel van welwillendheid tegenover de naaste. Ze is niet alleen maar een opwelling van menslievendheid. De liefde die God in de ziel instort, verandert verstand en wil van binnenuit. Ze geeft aan de vriendschap en de vreugde bij goede werken, een bovennatuurlijke grondslag.
Overweeg de genezing van de lamme waarover de Handelingen van de apostelen verhalen. Petrus en Johannes gaan naar de tempel en treffen in het voorbijgaan een man aan die bij de tempelpoort zit. Hij is van zijn geboorte af lam. Alles herinnert aan de genezing van de blindgeborene. Maar nu brengen de leerlingen dit lot niet meer in verband met de persoonlijke zonden van de zieke of met de fouten van zijn ouders. Ze zeggen hem: in de naam van Jezus Christus van Nazaret, sta op en loop (Hand. 3, 6).
Vroeger waren ze vol onbegrip, nu vol erbarmen. Vroeger oordeelden ze voorbarig, nu genezen ze op wonderbare wijze in de naam van de Heer. Zie, weer is het Christus die langs komt! Christus, die in zijn leerlingen, de christenen, op de straten en pleinen van de wereld langs blijft komen. En ik bid Hem vurig dat Hij langs komt in de ziel van menigeen die mij nu hoort.
|
| 72 |
 |
Respect en liefde
Eerst stonden wij verwonderd over de houding van de leerlingen van Jezus tegenover de blindgeborene. Ze handelden overeenkomstig de betreurenswaardige opvatting: “Denk het slechte en je zult wel juist geraden hebben”. Later, als ze de Meester beter kennen, als ze zich rekenschap geven van wat christen zijn betekent, oordelen ze met begrip.
In ieder mens, zo schrijft de heilige Thomas van Aquino, is er wel iets waarin de anderen hem als superieur kunnen beschouwen, volgens het woord van de Apostel. “In deemoed moge ieder de ander voor hoger achten dan zichzelf” (Fil. 2, 3). En daarom moeten alle mensen elkaar eer bewijzen (H. Thomas van Aquino, S. Th. 11-1I q. 103, a. 2-3). De nederigheid is de deugd die ons doet ontdekken dat de achting voor een mens, voor zijn eer, goede wil en privacy, niet slechts beleefdheid is maar het eerste bewijs van liefde en gerechtigheid.
De christelijke naastenliefde beperkt zich er niet toe de behoeftige in zijn materiële nood te helpen. Ze is er allereerst op gericht ieder mens afzonderlijk op grond van zijn waarde als mens en als kind van de Schepper te achten en te begrijpen. Daarom verraden de aanslagen op de waardigheid van de persoon, op zijn goede naam, zijn eer, dat hij die ze pleegt enige waarheden van ons christelijke geloof niet belijdt of beleeft. In ieder geval kent zo iemand geen echte liefde tot God. De liefde waarmee wij God en de naaste beminnen is een en dezelfde deugd, want God zelf is de grond waarom wij de naaste beminnen, en wij beminnen God wanneer wij de naaste beminnen (H. Thomas van Aquino, S. Th. II-11 q. 103, a. 2-3).
Ik hoop dat het ons zal lukken, uit dit korte gesprek in tegenwoordigheid van de Heer enige heel concrete conclusies te trekken. Op de eerste plaats moeten wij het voornemen maken niet over anderen te oordelen, hen niet te beledigen, zelfs niet door twijfel. Wij moeten ons voornemen, het kwaad te overwinnen door een overvloed van het goede en het bevorderen van een loyale samenleving in vrede en gerechtigheid om ons heen.
Laten wij ons ook voornemen nooit te treuren als ons oprechte gedrag verkeerd wordt uitgelegd en als het goede dat wij met de voortdurende hulp van de Heer trachten te doen, door een willekeurige interpretatie van onze bedoelingen wordt verketterd als sluwheid en huichelarij. Laten we altijd vergeven met een glimlach op onze lippen. Laten wij duidelijk spreken, zonder wrok, als wij in geweten menen dat we moeten spreken. Als het gaat om aanvallen op onze eigen persoon, hoe lomp en onbeschaamd ze ook mogen zijn, laten we dan alles in de handen van God onze Vader leggen, met dat goddelijk zwijgen van Jezus: Jesus autem tacebat (Mt. 26, 63). Jezus echter zweeg. Tenslotte: laten wij er alleen maar naar streven om goede werken te doen. God zal er wel voor zorgen dat ze voor de mensen schijnen (Mt. 5, 16).
| |
 |
|