 |
| 73 |
 |
Homilie gehouden op 4 april 1971 (Palmzondag)
Zoals ieder christelijk feest is ook de dag van vandaag heel bijzonder een feest van vrede. De palmtakken, met hun oude, sterke symboliek, brengen uit het boek Genesis deze scène in herinnering: dan wachtte Noë nog zeven dagen en liet toen opnieuw een duif uit de ark. De duif keerde tegen de avond naar hem terug en droeg een frisse olijftak in de snavel. Toen begreep Noë dat het water van de aarde moest zijn weggezakt (Gen. 8, 12). Wij herdenken ook dat het verbond tussen God en zijn volk in Christus gesloten werd, want Hij is onze vrede (Ef. 2, 14). De liturgie van onze heilige, katholieke Kerk laat het oude op prachtig mooie wijze doorklinken in het nieuwe. Zo lezen wij vandaag vol vreugde: de kinderen van de Hebreeën droegen olijftakken in de hand. Zij trokken de Heer tegemoet terwijl ze uitriepen: hosanna in de hoge! (Antifoon bij de uitdeling van de gewijde palmtakken).
Die lofzang klinkt in onze ziel samen met de vreugdevolle groet bij zijn geboorte in Betlehem. Toen Jezus voorbijkwam, vertelt de heilige Lucas, spreidden de mensen hun mantels uit over de weg. En toen Hij reeds aan de helling van de Olijfberg was gekomen, begon heel de groep van leerlingen vol blijdschap met luider stem God te verheerlijken om al de wonderen die ze hadden aanschouwd. En ze zeiden: gezegend de Koning, die komt in de naam des Heren! Vrede in de hemel en glorie in de hoge! (Lc. 19, 36-38).
Vrede op aarde
Pax in coelo, vrede in de hemel. Wij houden ook de wereld in het oog. Waarom is er geen vrede op aarde? Inderdaad, er heerst geen vrede. Er is een schijnbare vrede, een evenwicht van angst, van gebrekkige compromissen. Ook in de Kerk is geen vrede. De Kerk wordt getekend door spanningen die het vlekkeloze kleed van de Bruid van Christus dreigen te verscheuren. En evenmin is er vrede in veel harten die vergeefs proberen de onrust van de ziel te onderdrukken door rusteloze bedrijvigheid, door oppervlakkig genieten van dingen die niet verzadigen, omdat ze steeds een wrange, bittere nasmaak van droefheid geven.
De heilige Augustinus schrijft: de palmtakken betekenen verering, omdat ze tekenen van overwinning zijn. De Heer stond kort voor zijn overwinning door zijn dood aan het Kruis. In het teken van het Kruis overwon Hij de duivel, de vorst van de dood (H. Augustinus, In Ioannis Evangelium tractatus, 51, 2 [PL 35, 1764]). Christus is onze vrede, omdat Hij overwonnen heeft. Overwonnen heeft Hij, omdat Hij gestreden heeft in een onverbiddelijke strijd tegen alle boosheid in de harten van de mensen.
Christus, onze vrede, is ook de Weg (Joh. 14, 6). Als wij vrede willen hebben, moeten wij zijn voetstappen volgen. De vrede is het resultaat van oorlog, strijd; een ascetische strijd, die iedere christen in zijn innerlijk moet uitvechten tegen alles wat in zijn leven niet van God is. Tegen hoogmoed, zinnelijkheid, egoïsme, oppervlakkigheid en enghartigheid. Vergeefs roept men om uiterlijke rust als de rust ontbreekt in het geweten, in het diepst van de ziel, want uit het hart komen slechte gedachten voort, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen, godslasteringen (Mt. 15, 19).
|
| 74 |
 |
De liefde en de gerechtigheid verplichten tot strijd
Is zo'n taal niet ouderwets? Is ze niet vervangen door een modepraat die het prijsgeven van persoonlijke idealen bemantelt met een zogenaamd wetenschappelijk kostuum? Bestaat er niet een stilzwijgend akkoord dat de echte goederen andere zijn: geld waarvoor alles te koop is, aardse macht, sluwheid om altijd boven anderen te komen, en menselijke wijsheid die zichzelf voor mondig verklaart en meent “het sacrale” overwonnen te hebben?
Ik ben noch was ooit een pessimist, want het geloof zegt mij dat Christus definitief overwonnen heeft en ons als onderpand van zijn zege een gebod gaf, dat tevens een antwoord van trouw vraagt: te strijden. Wij, christenen, hebben ons uit liefde gebonden. Door de genade Gods geroepen, hebben wij deze verplichting uit vrije wil aangegaan. Die verplicht ons vasthoudend te vechten, juist omdat wij weten dat wij, zoals alle andere mensen zwak zijn. Tegelijkertijd mogen wij niet vergeten dat wij, als wij maar gebruik maken van de middelen, zout, licht en zuurdesem van de wereld zullen zijn. Wij zullen Gods vertroosting worden.
De wil om onwrikbaar trouw te blijven aan deze Liefde is bovendien een plicht van gerechtigheid; een verplichting die alle christenen bindt en die niets anders tot voorwerp heeft dan de voortdurende strijd. De kerkelijke overlevering heeft de christenen steeds getypeerd als milites Christi, als strijders voor Christus die aan anderen de innerlijke vrede brengen, terwijl ze met volharding tegen hun eigen slechte neigingen vechten. Uit gebrek aan bovennatuurlijke kijk op het leven, door praktisch ongeloof, wil men er soms niet van weten dat het leven op aarde een krijgsdienst is. Arglistig wordt erop gewezen dat wij, als wij ons als milites Christi beschouwen, ons geloof zouden kunnen misbruiken voor aardse oogmerken: geweld en sektarisme. Achter de al te simplistische logica van zo'n gedachtengang gaat vaak niets anders verborgen dan gemakzucht en lafheid.
Niets is meer in strijd met het christelijk geloof dan het fanatisme, dat zo typerend is voor de vreemde vermenging van het profane met het religieuze, onder welke vlag dan ook. Dat gevaar bestaat echter niet als wij de strijd opvatten zoals Christus ons heeft geleerd, namelijk als een strijd van de mens met zichzelf, als een voortdurend hernieuwde poging God meer te beminnen, onze eigenliefde uit te rukken en alle mensen te dienen. Wie ophoudt te vechten, hoe mooi de verontschuldigingen die hij aanvoert ook klinken, verklaart zich bij voorbaat voor overwonnen en verslagen. Hij is een uitgebrande ziel die het geloof laat vallen en zich zelfgenoegzaam overgeeft aan waardeloze dingen.
De geestelijke strijd voor Gods aanschijn en voor de ogen van zijn broeders in het geloof is voor een christen het noodzakelijke gevolg van zijn christen-zijn. Wie niet vecht, pleegt verraad aan Jezus Christus en heel zijn mystiek Lichaam, de Kerk.
|
| 75 |
 |
Voortdurende strijd
De christen voert een voortdurende strijd. Want in zijn innerlijk leven moet hij steeds opnieuw beginnen. Dat verhindert dat wij hoogmoedig worden en ons inbeelden dat we al volmaakt zijn. Moeilijkheden op onze weg zijn onvermijdelijk. Zouden we niet op hindernissen stoten, dan waren wij geen mensen van vlees en bloed. Steeds zullen wij met hartstochten te maken krijgen die ons omlaag trekken. Steeds zullen wij ons moeten verweren tegen min of meer hevige aanvallen.
Wij zouden ons niet moeten verbazen dat wij in lichaam en ziel de prikkels voelen van trots, zinnelijkheid, afgunst, luiheid, en de neiging anderen te overheersen. Dat alles is een van oudsher bekend kwaad, waarvan het bestaan ons steeds weer wordt bevestigd door de eigen ervaring. Dat kwaad is het uitgangspunt en de normale achtergrond van onze innerlijke strijd om de zege, van onze wedren naar het huis van de Vader. Daarom zegt de heilige Paulus ons: en daarom loop ik niet als een die in den blinde voortholt, en worstel ik niet als een die in de lucht slaat. Maar het is mijn eigen lichaam dat ik beuk en dat ik er onder houd, om na heraut geweest te zijn voor anderen, zelf niet afgewezen te worden (1 Kor. 9, 26-27).
De christen kan niet op uiterlijke tekenen of op een gunstige, innerlijke stemming wachten om de strijd te beginnen of te doorstaan. Het innerlijk leven is geen kwestie van gevoel of stemming, maar van de genade Gods en van onze wil, een kwestie van liefde. Alle leerlingen konden Christus op de dag van zijn triomf in Jeruzalem volgen, maar bijna allen lieten Hem in de steek op het uur van de schande aan het Kruis.
Om echt te beminnen zijn grote zielskracht en trouw nodig. Het hart moet verankerd zijn in geloof, hoop en liefde. Slechts wie lichtvaardig en oppervlakkig is, verandert al te gemakkelijk het voorwerp van zijn liefde. Dat is echter geen liefde, maar bevrediging van het egoïsme. Waar liefde is, daar is zielegrootheid: het vermogen zich weg te schenken, de bereidwilligheid offers te brengen en afstand te doen. Juist in die overgave, in offer en afstand doen, in de kwelling van tegenspoed vinden wij geluk en vreugde. Deze vreugde zal niemand en niets ons kunnen ontnemen.
Bij die liefdesstrijd mogen wij de moed niet verliezen als wij vallen, zelfs niet als wij diep vallen, mits wij maar rouwmoedig en met goede voornemens in het sacrament van de boete bij God onze toevlucht zoeken. De christen is er niet krampachtig op uit een vlekkeloos curriculum vitae te verkrijgen. Hoezeer Jezus Christus onze Heer ook getroffen is door de onschuld en de trouw van Johannes, als Petrus na zijn val rouwmoedig omkeert, wendt Hij zich weer vol tedere liefde tot hem. Jezus heeft begrip voor onze zwakheid en trekt ons naar zich toe als over een hellend vlak. Hij verwacht alleen dat wij steeds opnieuw ons best doen elke dag een beetje hoger te komen. Hij zoekt ons op zoals Hij de beide leerlingen van Emmaüs opzocht en vergezelde en zoals Hij Thomas opzocht, hem de open wonden van zijn handen en zijn zijde toonde en hem verzocht deze met zijn vingers aan te raken. Juist omdat Jezus onze zwakheid kent, wacht Hij er voortdurend op dat wij naar Hem terugkeren.
|
| 76 |
 |
De innerlijke strijd
Draag de moeilijkheden als goed strijder van Christus Jezus (2 Tim. 2, 3). zegt de heilige Paulus ons. Het leven van de christen is een krijgsdienst, een heerlijke strijd voor de vrede, die niets gemeen heeft met de oorlogszuchtige conflicten van de mensen. Deze ademen de geest van scheiding en vaak van haat, terwijl de strijd van de kinderen Gods tegen hun eigenliefde, in eenheid en liefde wortelt. Want wel wandelen we in het vlees, maar we strijden niet naar het vlees. De wapens toch, waarmee we strijden, zijn niet vleselijk maar krachtig voor God, om er burchten mee neer te halen. Diepzinnigheden werpen we ermee omver, ook elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God (2 Kor. 10, 3-5). Dit is de onverbiddelijke slag tegen onze trots en zelfgenoegzaamheid, die ons bereid maken het kwade te doen, de slag tegen ons eigengereid oordeel.
Op Palmzondag, nu de Heer de beslissende week van onze verlossing begint, willen wij niet bij oppervlakkige beschouwingen blijven staan. Laten wij doordringen tot het beslissende, tot het echt belangrijke. Waarnaar wij moeten streven is, in de hemel te komen, anders zou ons leven niet de moeite waard zijn. Om in de hemel te komen moeten wij de leer van Christus trouw volgen. En om trouw te zijn, moeten wij voortdurend vechten tegen de hindernissen die onze eeuwige zaligheid in de weg staan.
Ik weet het, als er van strijd gesproken wordt, hebben wij direct onze zwakheid voor ogen. Wij hebben een voorgevoel van komende nederlagen en dwaalwegen. Maar God houdt daar rekening mee. Daar wij onderweg zijn, is het niet te vermijden dat wij bij het voortgaan het stof van de weg doen opwaaien. Wij zijn schepselen vol gebreken. Het lijkt mij zelfs dat er in onze ziel altijd zwakke plekken moeten zijn als schaduwen, als een donkere achtergrond, waartegen de genade Gods en ons pogen aan dit goddelijk geschenk te beantwoorden des te glanzender afsteken. En dit donkere licht zal ons menselijk, nederig, begripvol en edelmoedig maken.
Laten we ons toch niets wijs maken: als we in ons leven op roem en succes rekenen, zullen we ook rekening moeten houden met nederlagen en tegenslagen. Zo is de weg van de christen op aarde altijd geweest, ook de weg van hen die wij nu als heiligen vereren. Denk maar aan Petrus, Augustinus en Franciscus. Levensbeschrijvingen van heiligen die uit naïviteit, maar ook door een gebrekkige kijk op ons geloof, hun helden voorstellen alsof ze vanaf de moederschoot in de genade waren bevestigd, zijn mij nooit bevallen. Nee, de ware levensgeschiedenissen van de christelijke heiligen lijken precies op de onze. Ze worstelden en wonnen, ze worstelden en verloren. En daarna trokken ze vol berouw wéér ten strijde.
Het moet ons niet verwonderen dat wij betrekkelijk vaak nederlagen moeten slikken, ook als het gewoonlijk, misschien zelfs altijd, om dingen van weinig belang gaat, die ons pijn doen alsof ze heel belangrijk waren. Als wij God beminnen, nederig zijn en strijden dan zullen dergelijke nederlagen nooit ernstig zijn. Wij zullen dan standhouden in de strijd, overwinningen behalen in de ogen van God. De mislukkingen vallen weg als men met een zuivere bedoeling werkt, als men werkt met het verlangen Gods wil te vervullen, en altijd rekening houdt met zijn genade en onze nietigheid.
|
| 77 |
 |
Maar een machtige vijand loert op ons. Die verzet zich tegen ons streven de leer van Christus geheel te beleven: de hoogmoed. Deze groeit als wij na een mislukking of nederlaag nalaten de liefdevolle, barmhartige hand van de Heer te zoeken. Dan wordt onze ziel vervuld van schemer - van trieste duisternis - en waant zich verloren. De verbeelding fantaseert hindernissen die er in werkelijkheid niet zijn en die zouden verdwijnen als wij ze met wat meer nederigheid zouden bekijken. In haar trots en inbeelding schept de ziel zich soms een smartelijk Golgota. Daar vindt ze echter Christus niet. Want waar de Heer is, daar heerst vrede en vreugde, zelfs als de ziel één grote wonde is en zich door duisternis omgeven ziet.
Wij moeten rekening houden met nog een leugenachtige vijand van onze heiliging, namelijk de gedachte, dat wij in onze innerlijke strijd te maken zouden hebben met buitengewone hindernissen en met vuurspuwende draken. Dit is de trots in een ander kleed. Wij willen wel strijden, maar slechts met vliegende vaandels en slaande trom.
Laten wij niet vergeten dat noch het houweel of de bijl, noch de slagen van om het even welk ander werktuig, hoe scherp dan ook, de gevaarlijkste vijanden van het gesteente zijn. Maar het is het water dat druppelsgewijze tussen de kieren van de rots sijpelt, tot het de rotspartij doet springen. Hier ligt voor de christen het grote gevaar! Hij is geneigd de dagelijkse schermutselingen te onderschatten, die langzamerhand hun sporen in de ziel achterlaten en haar tenslotte slap en broos maken, onverschillig en niet meer ontvankelijk voor de stem van God.
Luisteren wij naar wat de Heer ons zegt: wie betrouwbaar is in het kleine, is ook betrouwbaar in het grote. En wie onbetrouwbaar is in het kleine, is ook onbetrouwbaar in het grote (Lc. 16, 10). Het is alsof Hij ons zegt: vecht voortdurend in deze schijnbaar onbelangrijke punten, want ze zijn groot in mijn ogen. Wees stipt in de vervulling van je plichten. Heb een glimlach over voor hem die het nodig heeft, zelfs als je innerlijk lijdt. Bespaar niet op de tijd die je aan het gebed wijdt. Ga hem die jouw hulp zoekt tegemoet. Beoefen de gerechtigheid en overstijg die zelfs met de genade van de liefde.
Deze en andere aansporingen voelen wij dagelijks in ons binnenste als een stille uitnodiging ons te trainen in die bovennatuurlijke sport van de zelfoverwinning. Het licht van God moge ons verlichten, opdat wij zijn ingevingen beter waarnemen. De Heer moge ons in de strijd helpen en bij de zege terzijde staan. Hij moge bij ons blijven in het uur van de nederlaag, opdat wij altijd weer kunnen opstaan en verder vechten.
Wij mogen niet blijven staan. De Heer vraagt van ons dat wij de strijd steeds sneller, grondiger en op meer fronten voeren. Wij moeten onszelf overtreffen, want het enige doel bij deze wedloop is de hemelse heerlijkheid. En als wij de hemel niet bereiken, is alles vergeefs.
|
| 78 |
 |
De sacramenten van Gods genade
Wie werkelijk wil strijden, zet de passende middelen in. En deze zijn in twintig eeuwen christendom niet veranderd: gebed, versterving en het regelmatig ontvangen van de sacramenten. Daar de versterving ook gebed is - het gebed van de zintuigen - kunnen wij deze middelen in slechts twee woorden samenvatten: gebed en sacramenten.
We willen nu samen de sacramenten beschouwen, die bron van goddelijke genade, dat wonderbaar blijk van goddelijk erbarmen. We zullen de definitie ervan, in de catechismus van de heilige Pius V, zorgvuldig overwegen: sommige uitwendige tekenen, die genade voortbrengen en ze tevens aanduiden en ons voor ogen stellen (Catechismus Romanus Concilii Tridentini, II, c I, 3). God onze Heer is oneindig, zijn liefde onuitputtelijk, zijn mildheid en erbarmen met ons grenzeloos. Ofschoon Hij ons zijn genade op vele andere manieren schenkt, heeft Hij uitdrukkelijk en vrijwillig - Hij alleen kan dat doen - die zeven krachtdadige tekenen ingesteld, opdat wij op een blijvende, eenvoudige en voor allen toegankelijke wijze deel kunnen hebben aan de verdiensten van de verlossing.
Zonder het ontvangen van de sacramenten verdwijnt elk echt christelijk leven. Toch valt het niet te ontkennen dat er juist in onze tijd niet weinigen zijn, die deze stroom van genade door de verlossing van Christus schijnen te vergeten of zelfs minachten. Het is pijnlijk op deze open wonde van een maatschappij die zich christelijk noemt de vinger te leggen, maar het is noodzakelijk, opdat wij in ons de wens versterken met meer liefde en dankbaarheid deze bronnen van heiliging op te zoeken.
Zonder bezwaar stelt men de doop van pasgeborenen uit en ontneemt ze zo - door een zware misdaad te begaan tegen de liefde en de rechtvaardigheid - de genade van het geloof en de onmetelijke schat van de inwoning van de allerheiligste Drievuldigheid in de ziel, die met de erfzonde bevlekt ter wereld komt. Men wil ook het wezen van het vormsel in twijfel trekken. De Overlevering heeft in dit sacrament altijd eenstemmig een versterking van het geestelijk leven gezien en een vruchtbare instorting van de heilige Geest, opdat de ziel, bovennatuurlijk gesterkt, als miles Christi, als soldaat van Christus, kan standhouden in de inwendige strijd tegen egoïsme en begeerlijkheid.
Als de fijne intuïtie voor de dingen van God verloren gaat, is het sacrament van de Boete nauwelijks te begrijpen. De sacramentele biecht is geen menselijke dialoog maar een gesprek met God. De biecht is een rechtbank van veilige en goddelijke gerechtigheid. Het is vooral een rechtbank van barmhartigheid waar een liefdevolle Rechter zetelt, die geen behagen schept in de dood van de zondaar, maar wil dat hij zich bekeert en leeft (Ez. 33, 11).
De tedere liefde van Jezus Christus is waarlijk oneindig. Zie, met welke genegenheid Hij zijn kinderen behandelt. Het huwelijk heeft Hij tot een heilige band gemaakt, tot een afbeelding van de vereniging van Christus met zijn Kerk (vgl. Ef. 5, 32). Het is een groots sacrament, grondslag van het christelijk gezin dat met Gods genade, als school van heiligheid, vrede en eendracht wil uitstralen. De ouders zijn medewerkers van God en daarom hebben de kinderen de aangename plicht hen te eren. Men zou het vierde gebod - zo schreef ik vele jaren geleden - het zeer beminnelijke gebod van de Tien geboden kunnen noemen. Als het huwelijk heilig beleefd wordt, zoals God het wil, dan wordt het thuis een vreedzaam, licht en blij verblijf.
|
| 79 |
 |
Door de priesterwijding heeft God ons de mogelijkheid gegeven, dat sommige gelovigen door een nieuwe en onuitsprekelijke instorting van de heilige Geest, een onuitwisbaar merkteken in hun ziel ontvangen. Dat merkteken maakt hen gelijkvormig aan Christus-Priester en stelt hen in staat te handelen in naam van Jezus Christus, Hoofd van zijn Mystiek Lichaam (Concilie van Trente, sess. XXIII, e. 4; Tweede Vaticaans Concilie, Decr. Presbyterorum Ordinis, nr. 2). Op grond van dit ambtelijk priesterschap, dat wezenlijk en niet alleen gradueel van het algemeen priesterschap van de gelovigen verschilt (vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Const. Lumen Gentium, nr. 10), kunnen de gewijde bedienaren het Lichaam en Bloed van Christus consacreren, aan God het Heilig Offer opdragen, in de sacramentele biecht de zonden vergeven en het ambt van de verkondiging onder alle volkeren uitoefenen in iis quae sunt ad Deum (Hebr. 5, 1), in al die zaken die uitsluitend betrekking hebben op God.
Daarom hoort de priester uitsluitend een man Gods te zijn en moet hij de gedachte van zich afzetten, te willen schitteren op terreinen waar de andere christenen hem niet nodig hebben. De priester is geen psycholoog, geen socioloog en geen antropoloog. Hij is een andere Christus, Christus zelf, om voor de zielen van zijn broeders te zorgen. Het zou treurig zijn als de priester, steunend op een profane wetenschap - die hij, als hij zich tenminste wijdt aan zijn priesterlijke taak, slechts als amateur kan beoefenen - zich voor bevoegd zou houden leerstellingen te verkondigen in kwesties van moraaltheologie of dogmatiek. Hij zou alleen maar zijn dubbele onwetendheid aantonen: op theologisch en op profaan-wetenschappelijk terrein, zelfs al zou een oppervlakkige houding van deskundigheid enkele onvoorbereide lezers of hoorders op een dwaalspoor kunnen brengen.
Het is algemeen bekend dat sommige clerici er tegenwoordig kennelijk op uit zijn een nieuwe Kerk te vormen, door verraad jegens Christus te plegen en het geestelijk doel - het heil van de zielen en wel van iedere afzonderlijk - te vervangen door een aards doel. Als ze die bekoring niet weerstaan, zullen ze hun heilig ambt niet meer vervullen en bij het volk het vertrouwen en het respect verliezen. Ze zullen in de Kerk zelf een vreselijke verwoesting aanrichten en bovendien eigenmachtig afbreuk doen aan de politieke vrijheid van de christenen en van alle mensen. Zo worden ze zelfs een gevaar voor de burgerlijke maatschappij. De priesterwijding is het sacrament van de bovennatuurlijke dienst aan de broeders in het geloof. Maar sommigen lijken van dit sacrament een aards werktuig van een nieuw soort machtsuitoefening te maken.
|
| 80 |
 |
Maar laten we de sacramenten verder bewonderen. In de ziekenzalving ervaren wij hoe op liefdevolle wijze de weg bereid wordt voor een reis die eindigt in het huis van de Vader. In de heilige Eucharistie - wij zouden die het sacrament van de 'verkwistende edelmoedigheid' van God kunnen noemen - geeft God ons zijn genade en schenkt Hij zichzelf. Want Jezus Christus is in de Eucharistie werkelijk tegenwoordig - en niet alleen tijdens de heilige Mis - met zijn Lichaam en zijn Bloed, met zijn Ziel en zijn Godheid.
Ik denk dikwijls aan de verantwoordelijkheid die op de priesters drukt om alle christenen te verzekeren van de goddelijke genadestroom van de sacramenten. De genade van God komt iedere ziel te hulp. Ieder schepsel heeft concrete, persoonlijke hulp nodig. Zielen kunnen niet allemaal tegelijk, massaal behandeld worden! Als de priester zich niet persoonlijk bezighoudt met ieder mens, deemoedig in het besef dat hij slechts het werktuig en de bemiddelaar van Christus' liefde is, dan wordt aan hun waardigheid als mens en als kind van God te kort gedaan. Want iedere ziel is een kostbare schat. Ieder mens is uniek en onvervangbaar. Iedereen is al het Bloed van Christus waard.
Wij hebben van strijd gesproken. Maar de strijd vereist training, een juiste voeding, en dringende geneesmiddelen bij ziekte, kwetsuren en wonden. De Sacramenten, voornaamste heilsmiddelen van de Kerk, zijn geen luxe. Wie ze opzettelijk afwijst, is niet in staat ook maar één stap voorwaarts te doen op de weg van de navolging van Christus. Wij hebben ze nodig als onze adem, als onze bloedsomloop, als het licht, om altijd te kunnen zien wat de Heer van ons wil.
Om de weg naar de heiligheid te gaan heeft de christen kracht nodig. Deze vindt hij in de Schepper. Wij zijn duisternis, Hij is het helderste licht. Wij zijn ziek, Hij de sterke gezondheid. Wij zijn arm, Hij is de oneindige rijkdom. Wij zijn zwak, Hij is ons houvast. Quia tu es Deus, fortitudo mea (Ps. 42, 2), want Gij, mijn God, zijt altijd onze kracht. Niets op deze wereld kan de ongeduldig bruisende stroom van het verlossende Bloed van Christus weerstaan. Maar menselijke kleinheid kan ons zicht op Gods grootheid vertroebelen. Op alle gelovigen, vooral op hen die krachtens hun ambt het volk van God geestelijk moeten leiden - dienen -, rust dus de verantwoordelijkheid de bronnen van de genade niet te laten opdrogen en zich niet te schamen voor het Kruis van Christus.
|
| 81 |
 |
De verantwoordelijkheid van de herders
In Gods Kerk zijn alle gelovigen verplicht met volharding en groeiende trouw te leven volgens de leer van Christus. Niemand is daarvan uitgezonderd. Als de herders ervoor terug zouden schrikken zich persoonlijk in te spannen om een fijngevoelig geweten te verkrijgen en een rotsvaste trouw aan de geloofs- en zedenleer, die immers het depositum fidei en het gemeenschappelijk erfdeel vormen, dan zouden de profetische woorden van Ezechiël werkelijkheid worden: Mensenkind, ge moet profeteren tegen de herders van Israël. Profeteer en zeg tot de herders: Zo spreekt Jahwe, de Heer! Wee de herders van Israël die alleen zichzelf weiden! Moeten de herders hun schapen niet weiden? De melk drinkt gij wel op, van de wol maakt gij uw kleding... Het verzwakte dier hebt gij niet gesterkt, het zieke niet genezen, het gewonde niet verbonden, het verdwaalde niet teruggebracht, het vermiste niet gezocht, maar allen hebt gij afgebeuld (Ez. 34, 2-4).
Dat zijn harde verwijten. Veel ernstiger is het echter, als God beledigd wordt door hen die de opdracht ontvangen voor het geestelijk heil van allen, maar die in plaats daarvan de zielen slecht behandelen en hun het reinigende water van de doop, de sterkende zalving van het vormsel, de vergevende rechtspraak en de spijs voor het eeuwig leven onthouden.
Wanneer kan dat gebeuren? Als deze vredelievende strijd opgegeven wordt. Wie niet vecht, stelt zich bloot aan de veelsoortige vormen van slavernij die een hart van vlees kunnen ketenen: aan de slavernij van een louter aardse visie, aan de slavernij van het begerig streven naar macht en aanzien in de wereld, aan de slavernij van de ijdelheid, van het geld en de zinnelijkheid...
Als God ooit eens deze beproeving toelaat en u herders ontmoet die deze naam niet verdienen, neemt er dan geen aanstoot aan. Christus heeft de Kerk zijn onfeilbare en altijddurende bijstand beloofd, maar Hij staat er niet voor in dat de mensen, die de Kerk vormen, trouw blijven. Aan genade in overvloed zal het hun niet ontbreken. God schenkt die altijd edelmoedig als zij van hun kant maar het weinige opbrengen dat God van hen verwacht: waakzaam zijn en, met Gods genade, de hindernissen uit de weg gaan die zij op hun weg naar de heiligheid tegenkomen. Wie niet strijdt, kan in Gods ogen zeer laag staan, al lijkt hij nog zo hooggeplaatst. Ik ken uw werken, uw gedrag. Ge hebt de naam dat ge leeft, maar ge zijt dood. Word wakker en geef steun aan de rest die op het punt van sterven staat. Want Ik heb uw werken niet volmaakt bevonden voor het aanschijn van mijn God. Herinner u dus hoe ge ontvangen hebt en geluisterd. Onderhoud het en kom tot inkeer (Apok. 3, 1-4).
Met deze woorden vermaande de apostel Johannes in de eerste eeuw reeds degene, die in de stad Sardes de verantwoording voor de Kerk droeg. Want het mogelijk verdwijnen van het gevoel voor verantwoordelijkheid bij sommige herders is geen nieuw verschijnsel. Dat was er al ten tijde van de apostelen, in dezelfde eeuw dat Onze Heer Jezus Christus op aarde leefde. In feite kan niemand die ophoudt tegen zichzelf te strijden, zich veilig voelen. Niemand kan zich alleen redden. Wij allen in de Kerk zijn aangewezen op de concrete middelen die ons sterken: de nederigheid die ons toegankelijk maakt voor hulp en goede raad; de versterving die ons hart bereid maakt om Christus in ons te laten heersen; de studie van de veilige Leer die voor alle tijden geldt en ons helpt het geloof te bewaren en te verbreiden.
|
| 82 |
 |
Gisteren en vandaag
De liturgie van Palmzondag legt de christenen dit gezang in de mond: Gij, poorten, gaat open; verheft u, gij oude poorten, opdat de Koning der heerlijkheid kan binnentrekken (Antifoon bij de uitdeling van de palmtakken). Wie zich in de burcht van zijn egoïsme verschanst, zal het slagveld niet zoeken. Maar als hij de poorten opent en de Koning van de vrede binnenlaat, zal hij met Hem de strijd aanbinden tegen al het erbarmelijke dat de blik dof maakt en het geweten afstompt.
Opent de oude poorten. Deze uitnodiging tot de strijd is niets nieuws in het christendom. Het is de eeuwige waarheid. Zonder strijd geen overwinning. Zonder overwinning geen vrede. En zonder vrede is de vreugde van de mens maar schijn en bedrog. Zo'n vreugde blijft onvruchtbaar. Ze brengt er niet toe de mensen te helpen werken te verrichten van liefde en gerechtigheid, van vergeving en erbarming, van dienen voor God.
Tegenwoordig krijgt men de indruk dat velen, binnen en buiten de Kerk, van hoog tot laag, hebben opgehouden te strijden. Ze hebben de persoonlijke strijd tegen het eigen falen gestaakt en zich in volle wapenrusting overgeleverd aan de slavernij die de ziel vernedert. Dat gevaar bedreigt ons, christenen, voortdurend.
Daarom is het dringend nodig, de Allerheiligste Drievuldigheid vurig te smeken dat Zij zich over ons allen ontfermt. Als ik over deze dingen spreek, huiver ik bij de gedachte aan de gerechtigheid Gods. Maar ik neem mijn toevlucht tot zijn barmhartigheid en medelijden, opdat Hij niet onze zonden ziet, maar de verdiensten van Christus en zijn heilige Moeder, die ook onze Moeder is, en naar de verdiensten van de patriarch, de heilige Jozef, die voor Hem een vader was, en naar de verdiensten van de heiligen.
Op het feest van vandaag lezen we in de misteksten dat God de christen bij de hand neemt. Wij allen kunnen in die zekerheid leven, als we maar bereid zijn te strijden. Jezus, die op een armzalige ezel Jeruzalem binnentrekt, Hij, de Koning van de vrede, heeft gezegd: Het rijk der hemelen wordt met geweld bestormd, en de bestormers nemen het weg (Mt. 11, 12). Dit geweld is niet tegen anderen gericht. Het is veeleer de kracht in de strijd tegen onze eigen zwakheid en ellende. Het is de moed de persoonlijke trouweloosheid niet te verhullen. Het is de moed het geloof te belijden, ook in een vijandelijke omgeving.
Vandaag, evenals gisteren, wordt van de christen verwacht dat hij heldhaftig leeft. Heldhaftig als het nodig is, in belangrijke omstandigheden. Heldhaftig - en dat zal de normale toestand zijn - in de kleine alledaagse dingen. Als we zonder ophouden uit Liefde strijden op deze schijnbaar onbeduidende wijze, dan zal de Heer zijn kinderen altijd terzijde staan als een liefdevolle herder: Ik zelf zal mijn schapen weiden, Ik zelf geef ze een rustplaats. Het verdwaalde zal Ik zoeken, het van de kudde weggeraakte naar huis leiden, het gewonde verbinden, het zieke versterken... Ze zullen op hun geboortegrond in veiligheid wonen en erkennen dat Ik de Heer ben, als Ik de stangen van hun juk breek en ze uit de macht bevrijd van hen die hen tot slaaf gemaakt hebben (Ez. 34, 15-16; 27).
| |
 |
|