Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Als Christus nu langs komt > De christelijke roeping > Punt 10
10

Geloof en verstand

Een leven van gebed en boete, evenals de overweging van ons goddelijk kindschap, maken van ons echt vrome christenen, die lijken op kleine kinderen voor God. Vroomheid is de deugd van de kinderen. Om zich toe te vertrouwen aan de armen van zijn vader, moet een kind klein zijn en zich klein en afhankelijk voelen. Vaak heb ik nagedacht over dat leven van geestelijk kindschap, dat toch heel goed te verenigen is met zielekracht, want het eist een krachtige wil, een bezonken rijpheid, een sterk en open karakter.

Laten we dus vroom zijn als kinderen, maar niet onwetend. Ieder van ons moet zich naar best vermogen inspannen om zijn geloof serieus te bestuderen. Dat is theologie. Wij moeten een kinderlijke vroomheid verenigen met de gefundeerde leer van een theoloog.

Onze ijver om deze theologische kennis te verwerven, de goede en zekere christelijke leer, komt op de eerste plaats voort uit het verlangen God te kennen en van Hem te houden. Die ijver is tevens het gevolg van de zorg van elke gelovige mens om de diepste zin te achterhalen van deze wereld, het werk van de Schepper. Telkens weer proberen sommigen het valse twistpunt op te rakelen dat geloof en wetenschap, menselijk verstand en goddelijke Openbaring niet met elkaar te verenigen zijn. Dat die twee polen elkaar uitsluiten lijkt alleen zo als de gegevens van het probleem niet goed begrepen worden.

Daar de wereld uit de hand van God is voortgekomen, Hij de mens geschapen heeft naar zijn beeld en gelijkenis (Gen. 1, 26), en Hij de mens een sprankje van zijn licht heeft gegeven, moet ons verstand - ook al kost dat heel veel moeite - de goddelijke zin, die van nature al in alle dingen ligt, trachten te achterhalen. In het licht van het geloof zullen wij ook de bovennatuurlijke zin ervan bespeuren, die voortvloeit uit onze verheffing tot de orde der genade. Wij mogen geen angst voor de wetenschap koesteren, want iedere echt wetenschappelijke arbeid komt tenslotte op de waarheid uit. En Christus heeft gezegd: Ego sum veritas (Joh. 14, 6), Ik ben de waarheid.

De christen moet naar kennis dorsten. Of het om de behandeling van de abstracte wetenschappen gaat of om technische vaardigheid, alles kan en moet naar God leiden. Er is geen menselijke taak die niet geheiligd kan worden, die niet motief kan zijn om zich persoonlijk te heiligen en een gelegenheid om met God samen te werken tot de heiliging van allen die ons omringen. Het licht van hen die Jezus Christus volgen moet niet onder de korenmaat staan maar boven op de berg schitteren: Opdat men uw goede werken ziet en men uw Vader verheerlijkt die in de hemel is (Mt. 5, 16).

Zo werken is bidden. Ook studeren is bidden. Aan onderzoek doen is bidden. Het komt altijd op hetzelfde neer: alles is gebed, alles kan en moet ons naar God voeren, ons voortdurend contact met Hem versterken, van 's morgens tot 's avonds. Elk eerzaam werk kan gebed zijn. Elk werk dat gebed is, is apostolaat. Zo sterkt de ziel zich in een eenvoudige en hechte eenheid van leven.

[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Zie hoofdstuk Volgende