 |
109 |
 |
Elk van deze menselijke gebaren is tevens een gebaar van God. In Jezus woont wezenlijk heel de volheid der Godheid (Kol. 2, 9). Christus is God die mens geworden is, volmaakt mens, door en door. En juist in het menselijke laat Hij ons het goddelijke herkennen.
Als wij ons de menselijke fijngevoeligheid van Christus voor de geest halen, die zijn leven laat opbranden ten dienste van de anderen, dan zijn wij niet zo maar een karaktertrek aan het beschrijven. Nee, dan zijn wij bezig God zelf te ontdekken. Ieder werk van Christus heeft een transcendente betekenis: het doet ons kennen hoe God is, het nodigt ons uit om in zijn liefde te geloven die ons geschapen heeft en die ons wil laten deelnemen aan zijn diepste wezen. Ik heb uw naam verkondigd aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Ze waren van U. Gij hebt ze Mij gegeven en ze hebben uw woord onderhouden. Nu weten ze dat alles wat Gij Mij gegeven hebt van u komt (Joh. 17, 6-7), riep Jezus uit in het lange gebed dat de evangelist Johannes ons heeft overgeleverd.
Daarom blijft het optreden van Jezus niet beperkt tot alleen maar woorden en oppervlakkige gebaren. Jezus neemt de mens serieus en Hij wil hem de goddelijke betekenis van het leven duidelijk maken. Jezus stelt eisen en wijst ieder afzonderlijk op zijn plichten. Hij schudt zijn toehoorders wakker uit hun gemakzucht en hun gebrek aan moed. Zo voert Hij hen tot de driemaal heilige God. Hij ontfermt zich over de hongerenden en lijdenden, maar vooral over de onwetenden. Toen Jezus aan wal stapte, zag Hij een grote menigte. Hij werd door medelijden vervuld, want ze waren als schapen zonder herder. En Hij leerde hun vele dingen (Mc. 6, 34).
|
 |
|