Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Als Christus nu langs komt > Christus die door zijn nederigheid overwint > Punt 15
15

Zoals wij iedere andere gebeurtenis in Jezus' leven nooit mogen beschouwen zonder ons persoonlijk aangesproken te voelen, zo kunnen wij ook deze verborgen jaren begrijpen als de roep van de Heer om ons egoïsme en onze gemakzucht te overwinnen De Heer weet van onze beperktheid, zelfzucht en eerzucht. Hij weet hoe zwaar het ons valt onszelf te vergeten en ons aan de anderen weg te schenken. Hij weet wat het betekent geen liefde te vinden en te ervaren dat zelfs zij die beweren dat ze Hem volgen, dit slechts schoorvoetend doen. Denk maar aan die beklemmende gebeurtenissen in het evangelie die ons de apostelen tonen, nog helemaal gevangen in wereldse verwachtingen en zuiver aardse voorstellingen. Maar Jezus heeft hen uitverkoren. Hij houdt hen bij zich en draagt hun de zending over die Hij van de Vader ontvangen heeft.

Ook ons roept Hij, vraagt Hij zoals Hij Jakobus en Johannes gevraagd heeft: Potestis bibere calicem, quem ego bibiturus sum? (Mt. 20, 22), kunt u de kelk drinken, de kelk van de volledige overgave aan de wil van de Vader, die Ik zal drinken? Possumus (Mt. 20 22), ja, dat kunnen we, antwoorden Johannes en Jakobus. U en ik, zijn wij serieus bereid in alles de wil van God onze Vader te vervullen? Hebben wij de Heer ons hele hart geschonken? Of hechten wij aan onszelf, aan onze eigen belangen, gemakzucht, eigenliefde? Is er in ons nog iets wat niet past bij ons christen-zijn? Waar ligt het aan dat wij ons niet willen zuiveren? Vandaag hebben we de gelegenheid ons te beteren.

Laten we eerst bedenken dat Jezus zelf ons deze vragen stelt. Hij is het die vraagt, niet ik. Ik zou het zelfs niet wagen mijzelf zulke vragen te stellen. Ik kan alleen doorgaan met hardop bidden. En u, ieder van u, belijdt in zijn binnenste voor de Heer: Heer, hoe weinig ben ik waard, hoe dikwijls ben ik laf geweest! Hoeveel fouten heb ik begaan bij deze en gene gelegenheid, hier en elders! En ondanks alles kunnen wij nog uitroepen: Dank, Heer, dat U mij bij de hand gehouden hebt, want ik zie dat ik tot alle laagheden in staat ben. Houd mij vast, verlaat mij niet! Hoed mij als een kind, opdat ik sterk mag zijn, moedig en standvastig. Help mij als een onbeholpen schepsel, houd mij hand vast, Heer. Laat ook uw Moeder mij terzijde staan en mij beschutten. Als het zo is, possumus! Wij zullen in staat zijn U tot voorbeeld te nemen.

Dit possumus! is niet aanmatigend. Christus toont ons deze goddelijke weg en wil dat wij hem betreden, want Hij heeft hem toegankelijk gemaakt voor ons, zwakke mensen. Hij heeft zich zo vernederd. Daarom heeft Hij zich ontledigd en de gestalte van een knecht aangenomen die als God gelijk was aan de Vader. Doch slechts zijn majesteit en macht legde Hij af, niet echter zijn goedheid en barmhartigheid (H. Bernardus, Sermo in die Nativitatis, 1, 1-2 [PL 183, 115]).

Gods goedheid wil ons de weg gemakkelijk maken. Laten wij de uitnodiging van Jezus niet afwijzen, Hem niet ontrouw worden, onze oren niet sluiten voor zijn oproep. Want er zijn geen uitvluchten, wij vinden geen redenen om te doen alsof we niet kunnen. Hij toch is ons voorgegaan met zijn voorbeeld. Daarom smeek ik u met aandrang, broeders, laat zo'n waardevol voorbeeld niet vergeefs gegeven zijn. Wordt veeleer aan Hem gelijkvormig en vernieuwt u innerlijk (H. Bernardus, ibid., 1, 1).

[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Zie hoofdstuk Volgende