Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Als Christus nu langs komt > Christus Koning > Punt 179
179

Homilie gehouden op 22 november 1970 (feest van Christus Koning)

Het liturgisch jaar loopt ten einde en in deze heilige mis brengen wij opnieuw het offer aan God de Vader, dat Christus zelf is, koning van heiligheid en genade, koning van rechtvaardigheid, liefde en vrede, zoals wij over enkele ogenblikken zullen bidden in de prefatie (...regnum sanctitatis et gratiae; regnum iustitiae amoris et pacis). Als u de heilige menselijkheid van onze Heer overdenkt, zult u allemaal weer met overgrote vreugde vervuld worden, want deze koning heeft een hart van vlees als het onze. Hij, de schepper van hemel en aarde en van ieder schepsel, legt ons zijn heerschappij niet op, maar vraagt om een blijk van liefde door ons zwijgend de wonden van zijn handen te tonen.

Waarom kennen zoveel mensen Hem niet? Waarom moeten wij altijd die wrede afwijzing blijven horen: nolumus hunc regnare super nos (Lc. 19, 14), wij willen niet dat deze man koning over ons wordt? Er zijn op aarde miljoenen mensen die zich op deze wijze opstellen tegen Christus of tegen de wijze waarop Hij wordt verkondigd. Zij kennen Hem gewoonweg niet. Zij hebben de schoonheid van zijn gelaat niet gezien en zijn heerlijke leer heeft niemand hun geleerd.

Bij dit trieste schouwspel voel ik mij gedwongen om de Heer eerherstel te bieden. Als ik de onophoudelijke afwijzing bespeur, die meer metterdaad dan met woorden geschiedt, dan voel ik de behoefte om uit te roepen: oportet illum regnare! (1 Kor 15, 25). Hij moet koning zijn.

Het verzet tegen Jezus Christus

Veel mensen verdragen niet dat Christus heerst. Op duizend-en-één manieren verzetten ze zich tegen Hem, in hun opvattingen over de wereld en de menselijke samenleving, in hun zedelijke gedragslijn, in hun wetenschap en kunst. Verzet tot zelfs in het binnenste van de kerk toe! Ik bedoel niet, schrijft de heilige Augustinus, de ontaarden die tegen Christus godslasterlijke taal uitslaan. Inderdaad, het zijn er maar weinigen die God lasteren met de mond, maar het zijn er velen die Hem beledigen door hun daden (H. Augustinus, In Ioannis Evangelium tractatus 27, 11 [PL 35, 1621]).

Zelfs de uitdrukking Christus Koning hindert sommigen, alsof het rijk van Christus door die uitdrukking samen zou vallen met politieke inzichten, of omdat het belijden van het koningschap van Christus ertoe zou voeren tot het aanvaarden van een wet. En wetten dulden ze niet, zelfs niet het zoete voorschrift van de christelijke liefde. De liefde van God wijzen zij af, ze willen slechts hun eigen egoïsme dienen.

De Heer heeft mij ertoe gedreven om al vele jaren in mijzelf de stille kreet te herhalen: serviam! ik zal dienen. Moge Hij het verlangen naar overgave - eenvoudig, zonder rumoer of vertoon - en trouw aan zijn goddelijke oproep, in ons doen toenemen. Midden in de wereld, waar je ook gaat of staat. Laten wij Hem uit de grond van ons hart danken en als zijn onderdanen - zijn kinderen! - ons gebed tot Hem richten. Dan zullen onze tong en verhemelte met melk en honing worden verzadigd. Spreken over het rijk van God, het rijk van vrijheid, een vrijheid die Hij voor ons verdiend heeft (vgl. Gal. 4, 31), zal voor ons iets heerlijks worden.

[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Zie hoofdstuk Volgende