Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Als Christus nu langs komt > Christus Koning > Punt 187
187

Engelen van God

Ego cogito cogitationes pacis et non afflictionis (Jer. 29, 11), mijn gedachten zijn gedachten van vrede en niet van onheil, zegt de Heer. Laten we mensen zijn van vrede, mensen van gerechtigheid. Laten wij het goede doen en de Heer zal voor ons geen rechter zijn, maar een vriend, een broeder, de liefde van God.

Mogen de engelen van God ons vergezellen langs deze blijde weg op aarde. Vóór de geboorte van onze verlosser, zo schrijft de heilige Gregorius de Grote, hadden wij de vriendschap der engelen verloren. De erfzonde en onze zonden van iedere dag hadden ons verwijderd van hun stralende zuiverheid. Maar vanaf het ogenblik dat wij onze koning weer erkend hebben, hebben ook de engelen ons weer als medeburgers aangenomen.

En daar de hemelse koning mens heeft willen worden, trekken ze zich het lot van de mensen aan. Zij durven die menselijke natuur - die zij in de persoon van de hemelse koning aanbidden en boven hen verheven zien - niet meer te beschouwen als geringer dan de hunne. En zij hebben er geen bezwaar meer tegen in de mens een metgezel te zien
(H. Gregorius de Grote, In Evangelia homiliae, 8, 2 [PL 76, 1104]).

Maria, de heilige moeder van onze koning en de koningin van ons hart, zorgt voor ons zoals alleen zij het kan doen. Barmhartige moeder, troon van genade, wij vragen u ons te helpen om van ons leven en dat van hen die ons omringen een ongekunsteld lied te maken dat couplet na couplet de liefde zal bezingen, quasi flumen pacis (Jes. 66, 12; 48, 18), als een stroom van vrede. Want gij zijt een oceaan van oneindige barmhartigheid: alle stromen vloeien naar de zee, maar de zee loopt nooit vol (Pred. 1, 7).

[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Zie hoofdstuk