Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Als Christus nu langs komt > De christelijke roeping > Punt 2
2

De Apostelen: gewone mensen

Deze gedachte spoort me aan om iets dat in het Evangelie in details wordt verteld, nader te beschouwen: de roeping van de eerste twaalf. Wij willen rustig daarover nadenken en aan die heilige getuigen van de Heer vragen ons Christus te leren volgen zoals zij het hebben gedaan.

De eerste apostelen, voor wie ik een grote devotie en genegenheid heb, waren naar menselijke maatstaven heel gewone mensen. Hun sociale status, met uitzondering van Matteüs die zeker een goede boterham verdiende maar alles verliet toen Jezus hem riep, was die van vissers, die van de ene op de andere dag leefden en 's nachts moesten zwoegen om in hun onderhoud te voorzien.

Maar hun sociale status is van minder belang. Ze waren niet ontwikkeld en stonden niet open voor de bovennatuurlijke werkelijkheid. Ze begrepen zelfs de eenvoudigste voorbeelden en vergelijkingen niet, en moesten de Meester om uitleg vragen: Domine, edissere nobis parabolam (Mt. 13, 36), Heer, verklaar ons de gelijkenis. Als Jezus, zich van een beeld bedienend, een toespeling maakt op het zuurdeeg van de Farizeeën, denken ze dat Hij hun verwijt geen brood te hebben gekocht (vgl. Mt. 16, 6-7).

Ofschoon arm en onwetend, waren ze niet eenvoudig en vrij hoogmoedig. Binnen hun beperkingen hadden ze veel ambities. Het gebeurt vaak dat ze twisten over de vraag, wie de grootste zal zijn wanneer - volgens hun verwachting - Christus het koninkrijk van Israël definitief op aarde zal hebben gesticht. Op het verheven ogenblik dat Jezus zich gaat opofferen voor de mensheid, in de intimiteit van het Cenakel, zijn ze nog aan het ruzie maken en winden ze zich op (vgl. Lc. 22, 24-27).

Hun geloof? Dat was eerder zwak! Jezus zelf zegt het (vgl. Mt. 14, 31; 16, 8;17, 19;21, 21). Ze hebben doden zien verrijzen, allerlei ziekten zien genezen, brood en vissen zien vermenigvuldigen, stormen zien bedaren en duivels zien uitdrijven... en toch was Petrus, gekozen als hoofd, de enige die prompt kon antwoorden: Gij zijt Christus, de Zoon van de levende God (Mt. 16, 16). Maar dat is een geloof dat hij op zijn manier verstaat. Daarom neemt hij de vrijheid zich tegen Jezus te verzetten, opdat Hij zich niet als Zoenoffer voor de mensen zal aanbieden. Jezus moet hem antwoorden: Weg van Mij, satan. Ge zijt Mij een ergernis. Want ge zijt niet bedacht op wat God wil, maar slechts op wat de mensen willen (Mt. 16, 23). De heilige Johannes Chrysostomus geeft dit commentaar: Petrus redeneerde als mens en hij dacht dat dat alles - lijden en dood - Christus onwaardig was en afkeuring verdiende. Jezus moest hem dan ook onder handen nemen en zei: neen, lijden is Mijner niet onwaardig. Gij denkt dat, omdat gij redeneert volgens vleselijke, menselijke maatstaven (H. Johannes Chrysostomus, In Matthaeum homiliae, 54, 4 [PG 58, 537]).

Was het misschien dat deze mensen met zo weinig geloof zich tenminste door hun liefde voor Christus onderscheidden? Ongetwijfeld hielden ze van Hem, tenminste met woorden. Soms lieten ze zich door geestdrift meeslepen: Laten we gaan en met Hem sterven (Joh. 11, 16). Maar in het uur van de waarheid vluchtten ze allemaal, behalve Johannes, die Hem echt met daden beminde. Alleen hij, de jongste van de apostelen, bleef bij het Kruis. De anderen hadden niet die liefde, zo sterk als de dood (Hoogl. 8, 6).

Dat waren nu de door de Heer uitverkoren leerlingen! Zo had Christus hen gekozen. Zo traden ze op voordat ze, vervuld van de heilige Geest, werden omgevormd tot steunpilaren van de Kerk (vgl. Gal. 2, 9). Gewone mensen met hun fouten, hun zwakheden, kwistiger met woorden dan met daden. En toch heeft Jezus ze geroepen om er mensenvissers van te maken (Mt. 4, 9), medeverlossers, bedienaars van Gods genade.

[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Zie hoofdstuk Volgende