 |
59 |
 |
De gepaste tijd
Exhortamur ne in vacuum gratiam Dei recipiatis (2 Kor. 6, 1 [Epistel van de Mis]), wij vermanen u bovendien Gods genade niet vruchteloos te ontvangen. Want de goddelijke genade zal in deze vastentijd onze zielen vervullen, indien wij de deuren van ons hart niet sluiten. Wij moeten de goede gesteltenis hebben, de wens om werkelijk te veranderen, om niet te spelen met de genade van de Heer.
Ik spreek niet graag over angst, omdat een christen zich laat leiden door de liefde van God, die in Christus tot uitdrukking is gekomen en die ons leert alle mensen en de gehele schepping te beminnen; maar wij moeten wel over verantwoordelijkheid en over ernst praten. Bedriegt u niet, God laat niet met zich spotten (Gal. 6, 7), vermaant de apostel Paulus ons.
Wij moeten tot besluiten komen. Het is onjuist te leven met twee brandende kaarsen, die - volgens het volkse gezegde - ieder mens zich aanschaft: de ene voor de heilige Michaël, de andere voor de duivel De kaars voor de duivel dient te worden uitgedoofd. Wij moeten ons leven zó beleven, dat het geheel opbrandt in dienst van de Heer. Als ons streven naar heiligheid oprecht is, als wij de volgzaamheid kunnen opbrengen ons in de armen van God te werpen, dan zal alles goed gaan. Want Hij is altijd bereid ons zijn genade te schenken en, bijzonder in deze tijd, de genade van een nieuwe bekering, van een verbetering, van ons leven als christenen.
Wij kunnen deze vastentijd niet zo maar als een bepaalde periode, als een steeds terugkerende herhaling van de liturgische tijd beschouwen. Dit moment is uniek; het is een goddelijk aanbod dat aangegrepen moet worden. Jezus treedt op ons toe en verwacht van ons vandaag, nu - een werkelijke verandering.
Ecce nunc tempus acceptabile, ecce nunc dies salutis (2 Kor. 6, 2 [Epistel van de Mis]): dit is de geschikte tijd, dit is de dag van het heil. Opnieuw horen wij de lokroep van de goede Herder, die liefdevolle oproep: Ego vocavi te nomine tuo (Jes. 43, 1), Ik roep u bij uw naam. Hij roept ieder van ons bij onze voornaam, met de roepnaam waarmee wij aangesproken worden door de mensen die ons liefhebben. De tederheid van Jezus jegens ons is niet onder woorden te brengen.
Overweeg met mij dit wonder van de liefde van God: de Heer die ons tegemoet treedt, die wacht, die langs de weg gaat staan, zodat wij niet anders kunnen dan Hem zien. En Hij roept ieder van ons persoonlijk om met ons te praten over onze belangen, die tevens zijn belangen zijn, om ons geweten tot berouw te bewegen, het toegankelijk te maken voor edelmoedigheid, in onze harten de wens te prenten om trouw te zijn, zodat Hij ons zijn leerlingen kan noemen. Het is voldoende, die intieme woorden van de genade, die als een klacht van liefde zijn, op te vangen, waardoor wij beseffen dat Hij ons niet vergeten heeft, in al die tijd waarin wij Hem door onze schuld niet hadden gezien. Christus houdt van ons met de onuitputtelijke liefde die alleen zijn goddelijk Hart maar kan opbrengen.
Zie hoe Hij aandringt: Ik heb u gehoord op de juiste tijd, Ik heb u geholpen op de dag der verlossing (2 Kor. 6, 2 [Epistel van de Mis]). Aangezien Hij u de glorie, zijn liefde belooft en die ook op de juiste tijd geeft, en Hij u roept, wat gaat u Hem, de Heer, van uw kant geven? Hoe gaat u antwoorden op die liefde van Jezus, die bij ons langs komt?
Ecce nunc dies salutis, zie, dit is de dag van onze verlossing. De roep van de Goede Herder komt tot ons: Ego vocavi te nomine tuo, Ik heb u geroepen bij uw eigen naam. Er moet op geantwoord worden, - tenslotte wordt liefde met liefde terugbetaald - met de woorden: Ecce ego quia vocasti me (1 Sam. 3, 9), Ge hebt me geroepen en hier ben ik. Ik ben vastbesloten deze vastentijd niet voorbij te laten gaan, zoals het water over de stenen glijdt zonder ook maar een spoor na te laten. Ik zal, mij laten doordrenken, omvormen; ik zal mij bekeren, ik zal mij opnieuw tot de Heer wenden en Hem beminnen zoals Hij bemind wil worden.
U zult God de Heer beminnen met geheel uw hart, en geheel uw ziel, en geheel uw verstand (Mt. 22, 37). Wat blijft er nog van uw hart over, zegt de heilige Augustinus, waarmee u uzelf nog kunt liefhebben? Wat blijft er van uw ziel over, wat van uw verstand? “Ex toto. Totum exigit te, qui fecit te” (H. Augustinus, Sermo, 34, 4, 7 [PL 38, 212]); helemaal, alles eist Hij op, die u geschapen heeft.
|
 |
|