 |
69 |
 |
Het recht op privé-leven
Keren wij terug naar de genezing van de blinde. Jezus Christus heeft zijn leerlingen geantwoord, dat dat ongeluk niet het gevolg is van de zonde, maar een aanleiding om de macht van God zichtbaar te maken. En met bewonderenswaardige eenvoud beslist Hij, dat de blinde zal zien.
Dan begint voor deze man zowel zijn geluk als zijn kwelling. Ze laten hem niet met rust. Eerst wordt hij geplaagd door de buren en door hen die hem tevoren hadden zien bedelen (Joh. 9, 8). Het evangelie zegt ons niet dat ze zich verheugden, maar dat ze hem niet konden geloven, ofschoon de genezene onderstreepte dat hij het inderdaad was, die van blind ziende was geworden. In plaats van hem te laten genieten van de verkregen gunst, brengen ze hem naar de Farizeeën, die hem opnieuw vragen hoe het gebeurd is. En hij antwoordt voor de tweede keer: Hij deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie (Joh. 9, 15).
Maar de Farizeeën willen bewijzen dat het gebeurde, een weldaad en een groot wonder, helemaal niet gebeurd is. Sommigen nemen hun toevlucht tot kleingeestige, schijnheilige, zeer onbillijke redeneringen: Hij heeft op een sabbat genezen en daar het verboden is op sabbat te werken, ontkennen zij het wonder. Anderen beginnen wat men tegenwoordig een enquête zou noemen. Zij wenden zich tot de ouders van de blinde: is dit uw zoon, die naar gij zegt blind is geboren? Hoe ziet hij dan nu? (Joh. 9, 19). De vrees van de machtigen brengt de ouders tot een antwoord dat aan alle eisen van wetenschappelijke methodiek voldoet: Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind is geboren. Maar hoe hij nu zien kan, dat weten we niet; of wie hem de ogen geopend heeft, we weten het niet. Vraag het hem zelf. Hij is meerderjarig en zal zichzelf wel verantwoorden (Joh. 9, 20-21).
Zij die deze enquête houden kunnen niet geloven, omdat ze niet willen geloven. Ze riepen de man die blind geweest was nog eens en zeiden hem: (...) Wij weten dat die man - Jezus Christus - een zondaar is (Joh. 9, 24).
In enkele woorden tekent het verslag van Johannes het voorbeeld bij uitstek van een ontstellende aanslag op een grondrecht dat ieder van nature toekomt: het recht om met respect behandeld te worden.
Dat onderwerp is nog altijd actueel. Het zou niet moeilijk zijn in onze tijd gevallen van dezelfde agressieve nieuwsgierigheid te signaleren die tot ziekelijk snuffelen in het privé-leven van andere mensen richt. Een minimum aan gevoel voor rechtvaardigheid vereist zelfs bij het onderzoek naar een vermoedelijke overtreding bedachtzaamheid en terughoudendheid, zodat een pure mogelijkheid niet meteen tot feit wordt gemaakt. Als iets niet alleen geen overtreding maar misschien zelfs een achtenswaardige daad blijkt te zijn, dan moet men de ziekelijke zucht om zich daarmee te bemoeien als verdorven verklaren.
Tegenover hen die munt willen slaan uit verdachtmakingen en die een handeltje met de privé-sfeer schijnen te drijven, is het noodzakelijk de waardigheid van iedere persoon en zijn recht op privé-leven te verdedigen. Over die verdediging zijn alle rechtschapen mensen het eens, christen of niet. Want er staat een gemeenschappelijke waarde op het spel: de legitieme wens om zichzelf te zijn. Dat houdt het recht in zich niet uit te leveren aan de sensatielust van vreemden, maar de vreugden, zorgen en het leed in de familie terecht voor zich te houden; ook het recht om zonder vertoon goed te doen en uit zuivere liefde de behoeftige mens te helpen. Men is niet verplicht zijn hulp aan de naaste aan de grote klok te hangen of, erger nog, het intiemste van zijn eigen ziel bloot te stellen aan de onbescheiden en afgunstige blik van lieden, voor wie het innerlijk leven van een mens alleen maar aanleiding is tot wrede spot.
Maar hoe moeilijk is het te ontkomen aan dat agressieve gesnuffel. De methodes om iemand niet met rust te laten zijn talrijker geworden. We hoeven maar te denken aan de mogelijkheden van de techniek, of ook aan bepaalde door velen geaccepteerde manieren van argumentatie, tegen welke men zich maar moeilijk kan verweren, als men zijn goede naam niet wil verliezen. Zo gaat men soms uit van het beginsel dat alle mensen slecht handelen, en in zo'n denkschema verschijnt de zelfkritiek, het meaculpisme, als onvermijdelijk. Als nu iemand nalaat, zich met een lading modder te besmeuren, dan wordt daar de conclusie uit getrokken dat hij niet alleen een volslagen boosdoener, maar ook nog een arrogante huichelaar is.
Soms gebruikt men een ander procédé: iemand zegt of schrijft laster en laat dan horen dat hij zelf wel bereid is om aan te nemen dat u een achtenswaardig persoon bent, maar anderen misschien niet. Die zouden rondbazuinen dat u een dief bent. En hoe bewijst u dat het niet waar is? Ofwel ze zeggen: u hebt altijd beweerd dat uw gedrag onberispelijk, oprecht en rechtschapen was. Wilt u a.u.b. nog eens onderzoeken of het integendeel niet slecht, oneerlijk en leugenachtig is?
|
 |
|