Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Als Christus nu langs komt > De christelijke roeping > Punt 7
7

Gods barmhartigheid

Vandaag begint de Advent. Het is goed, in deze tijd te overwegen welke strikken er gespannen worden door de vijanden van onze ziel: de zinnelijkheid en de lichtzinnigheid die wanorde scheppen in ons, de ziekelijke neiging van de rede als ze zich tegen de Heer verzet, de trotse verwaandheid die de liefde tot God en de schepselen onmogelijk maakt. Al die zielstoestanden vormen onoverkomelijke hinderpalen en hun kracht om de harmonie te verstoren is groot. Daarom laat de liturgie ons de goddelijke barmhartigheid afsmeken: Tot U verhef ik mijn ziel, o Jahwe, mijn God! Op U blijf ik hopen. Laat mij niet beschaamd worden en de vijand niet de spot met mij drijven (Ps. 24, 1-3). Zo hebben wij in het openingsgebed gevraagd. En in de antifoon van het Offertorium herhalen wij, op U hoop ik, Heer, moge ik niet beschaamd worden.

Nu het ogenblik van het Heil nadert, is het troostend uit de mond van Sint Paulus te horen dat toen de goedertierenheid en mensenliefde van God, onze Zaligmaker, zich had geopenbaard, Hij ons verlost heeft, niet op grond van gerechte werken die we hadden gedaan, doch op grond van zijn eigen barmhartigheid (Tit. 3, 4-5).

Bij het doorlezen van de heilige Schrift ontdekken wij voortdurend de aanwezigheid van Gods barmhartigheid. Ze vervult de aarde (Ps. 32, 5), ze strekt zich uit over al haar kinderen, over alle vlees (Sir. 18, 12). Ze omgeeft ons (Ps. 31, 10), ze gaat ons vooruit (Ps. 58, 11), ze vermenigvuldigt zich (Ps. 35, 8) om ons te helpen, en ze heeft voortdurend bevestiging gekregen (Ps. 116, 2). God, die zich als een zeer liefhebbende Vader met ons bezig houdt, blijft ons gedenken in zijn barmhartigheid (Ps. 24, 7), een milde barmhartigheid (Ps. 108, 21), schoon als een regenwolk (Sir. 35, 26).

Jezus vat heel de geschiedenis van deze goddelijke barmhartigheid samen met de woorden: Zalig de barmhartigen, want ze zullen barmhartigheid verwerven (Mt. 5, 7). Bij een andere gelegenheid zegt Hij: Wees barmhartig, zoals uw hemelse Vader barmhartig is (Lc. 6, 36). Heel wat taferelen in het evangelie blijven in onze herinnering gegrift, de vergevingsgezindheid ten opzichte van de echtbreekster, de parabel van de verloren zoon, van het verloren schaap en van de schuldenaar die kwijtschelding verkrijgt. Ten slotte de opwekking van de zoon van de weduwe van Naïm (Lc. 7, 11-17). Hoeveel motieven van rechtvaardigheid zou je kunnen vinden om dat grote wonder te verklaren! De enige zoon van die arme weduwe is dood, hij die zin gaf aan haar leven, hij die haar in haar ouderdom kon helpen. Toch doet Christus geen wonderen uit rechtvaardigheid maar uit barmhartigheid, omdat Hij innerlijk ontroerd is bij het zien van het menselijk leed.

Hoe veilig zullen we ons voelen als wij het medelijden van de Heer overwegen! Hij zal mij roepen en ik zal hem horen, want ik ben barmhartig (Ex. 22, 27). Het is een uitnodiging, een belofte die Hij zal vervullen. Laat ons dus met vertrouwen opgaan tot de troon der genade, om barmhartigheid te verkrijgen, en de hulp van de genade te vinden op de geschikte tijd (Hebr. 4, 16). De vijanden van onze heiliging zijn tot onmacht gedoemd, omdat de barmhartigheid van God ons beschermt. Als wij door onze schuld en zwakheid vallen, dan zal de Heer te hulp komen en ons weer doen opstaan. Je hebt geleerd om niet nalatig te zijn, om de aanmatiging van je af te schudden, om vroom te worden, om niet de gevangene te zijn van de dingen van de wereld, om het vergankelijke niet boven het eeuwige te stellen. Omdat de menselijke zwakheid je belet om met vaste tred te lopen over de glibberige grond van deze wereld, heeft de goede geneesheer je ook de middelen aangeduid tegen het verlies van de juiste weg, en de barmhartige rechter heeft je de hoop op vergiffenis niet geweigerd (H. Ambrosius, Expositio Evangelii secundum Lucam, 7 [PL 15, 1540]).

[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Zie hoofdstuk Volgende