 |
79 |
 |
Door de priesterwijding heeft God ons de mogelijkheid gegeven, dat sommige gelovigen door een nieuwe en onuitsprekelijke instorting van de heilige Geest, een onuitwisbaar merkteken in hun ziel ontvangen. Dat merkteken maakt hen gelijkvormig aan Christus-Priester en stelt hen in staat te handelen in naam van Jezus Christus, Hoofd van zijn Mystiek Lichaam (Concilie van Trente, sess. XXIII, e. 4; Tweede Vaticaans Concilie, Decr. Presbyterorum Ordinis, nr. 2). Op grond van dit ambtelijk priesterschap, dat wezenlijk en niet alleen gradueel van het algemeen priesterschap van de gelovigen verschilt (vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Const. Lumen Gentium, nr. 10), kunnen de gewijde bedienaren het Lichaam en Bloed van Christus consacreren, aan God het Heilig Offer opdragen, in de sacramentele biecht de zonden vergeven en het ambt van de verkondiging onder alle volkeren uitoefenen in iis quae sunt ad Deum (Hebr. 5, 1), in al die zaken die uitsluitend betrekking hebben op God.
Daarom hoort de priester uitsluitend een man Gods te zijn en moet hij de gedachte van zich afzetten, te willen schitteren op terreinen waar de andere christenen hem niet nodig hebben. De priester is geen psycholoog, geen socioloog en geen antropoloog. Hij is een andere Christus, Christus zelf, om voor de zielen van zijn broeders te zorgen. Het zou treurig zijn als de priester, steunend op een profane wetenschap - die hij, als hij zich tenminste wijdt aan zijn priesterlijke taak, slechts als amateur kan beoefenen - zich voor bevoegd zou houden leerstellingen te verkondigen in kwesties van moraaltheologie of dogmatiek. Hij zou alleen maar zijn dubbele onwetendheid aantonen: op theologisch en op profaan-wetenschappelijk terrein, zelfs al zou een oppervlakkige houding van deskundigheid enkele onvoorbereide lezers of hoorders op een dwaalspoor kunnen brengen.
Het is algemeen bekend dat sommige clerici er tegenwoordig kennelijk op uit zijn een nieuwe Kerk te vormen, door verraad jegens Christus te plegen en het geestelijk doel - het heil van de zielen en wel van iedere afzonderlijk - te vervangen door een aards doel. Als ze die bekoring niet weerstaan, zullen ze hun heilig ambt niet meer vervullen en bij het volk het vertrouwen en het respect verliezen. Ze zullen in de Kerk zelf een vreselijke verwoesting aanrichten en bovendien eigenmachtig afbreuk doen aan de politieke vrijheid van de christenen en van alle mensen. Zo worden ze zelfs een gevaar voor de burgerlijke maatschappij. De priesterwijding is het sacrament van de bovennatuurlijke dienst aan de broeders in het geloof. Maar sommigen lijken van dit sacrament een aards werktuig van een nieuw soort machtsuitoefening te maken.
|
 |
|