 |
89 |
 |
Wij luisteren nu naar het Woord van de Schrift, de lezingen uit Oude en Nieuwe Testament, met als laatste het Evangelie. Daarin straalt voor ons het licht van de heilige Geest, die in menselijke taal spreekt, opdat ons verstand zal begrijpen en overwegen, onze wil gesterkt wordt, de daad door ons gesteld wordt. Omdat wij een volk zijn, dat een geloof belijdt, bidden we een Credo; we zijn dan een volk verenigd in de eenheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest (H. Cyprianus, De dominica oratione, 23 [PL 4, 553]).
Dan volgt de offerande: het brood en de wijn van mensen. Het is niet veel, maar het gaat vergezeld van het gebed: aanvaard, Heer, onze vernederde geest en ons rouwmoedig hart, en laat heden ons offer zó voor Uw aangezicht komen, dat het U behaagt, Heer God. Opnieuw denken we aan onze ellende, maar ook aan het verlangen dat alles wat de Heer wordt aangeboden zuiver en gereinigd moge zijn: ik zal mijn handen wassen, ik houd van de waardigheid van Uw huis.
Vóór de handwassing hebben wij de heilige Geest aangeroepen en Hem gevraagd het offer te zegenen, dat in zijn heilige Naam wordt opgedragen. Na de reiniging wenden wij ons tot de Drie-eenheid: - Suscipe, Sancta Trinitas - aanvaard, heilige Drievuldigheid, dit offer, dat wij U opdragen ter gedachtenis aan het leven, het lijden, de verrijzenis en de hemelvaart van Jezus Christus onze Heer, ter ere van de heilige Maria altijd Maagd en ter ere van alle heiligen.
Moge het offer tot ons aller heil strekken - bidt broeders, zo smeekt de priester - , want mijn offer is het uwe, het offer van de gehele Kerk. Bidt, mijn broeders, zelfs al zijt gij maar klein in aantal, zelfs al is er maar één christen lichamelijk aanwezig, en zelfs al is de celebrant alleen. Want elke Mis is een offer van allen, de losprijs van alle stammen, alle talen, alle volken en alle naties (vgl. Apok. 5, 9).
Alle christenen ontvangen, door de gemeenschap van de heiligen, de genade van iedere Mis, of zij nu wordt opgedragen in tegenwoordigheid van duizenden personen of alleen van een kind, dat misschien nog verstrooid is ook. In alle gevallen verenigen zich hemel en aarde om met Gods engelen aan te heffen: heilig, heilig, heilig...
Ik juich mee en verenig me met de lofzang van de engelen. Dat valt me niet moeilijk, want ik weet me door hen omringd wanneer ik de heilige Mis opdraag. Zij zijn een en al aanbidding van de Drie-eenheid. Zo weet ik ook dat de allerheiligste Maagd in zekere zin tussenbeide komt, innig verbonden als zij is met de heilige Drie-eenheid en ook omdat zij Moeder is van Christus, van zijn Vlees en zijn Bloed: Moeder van Jezus Christus, volmaakt God en volmaakt Mens. Jezus Christus, in de schoot van de heilige Maria ontvangen zonder tussenkomst van een man, alleen door de kracht van de heilige Geest, heeft het bloed van zijn Moeder; dat bloed nu is opgedragen als verlossingsoffer op Kalvarië en in de heilige Mis.
|
 |
|