Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  De Smidse > Nederlaag > Hst 3
158

Als we merken dat onze blik vertroebeld is en onze ogen aan helderheid verliezen, moeten we het licht opzoeken. Christus heeft ons gezegd dat Hij het Licht van de wereld is en dat Hij gekomen is om de zieken te genezen.

Mocht de Heer toelaten dat je ziek wordt of valt, zorg er dan voor dat dit je niet van Christus verwijdert, maar je juist dichter bij Hem brengt!


159

In mijn ellende heb ik me eens bij een vriend beklaagd, omdat het me leek dat Jezus alleen maar voorbijging... en mij alleen liet.

Ik had er meteen spijt van en vol vertrouwen zei ik tegen de Heer: zo is het niet, mijn geliefde Jezus. Zonder twijfel ben ik het die zich van U heeft afgewend. Dát zal nooit meer gebeuren!


160

Smeek de Heer om de genade je uit liefde... en door voortdurende boetedoening te louteren.


161

Richt je tot de heilige Maagd en vraag haar - als bewijs van haar liefde voor jou - het geschenk van het berouw over je zonden en over de zonden van alle mannen en vrouwen van alle tijden; een diep berouw met verdriet uit liefde.

En durf er vanuit deze houding aan toe te voegen: Moeder, U bent mijn Leven en mijn Hoop, neem mij bij de hand... en als er op dit moment iets in mij is dat God, mijn Vader, niet aangenaam is, laat het mij dan zien, zodat wij het samen kunnen uitrukken.

Ga onbevangen verder: O goedertieren, o liefdevolle, o zoete Maagd Maria; bid voor mij, heilige Moeder van God, opdat ik, door de allerbeminnelijkste wil van uw Zoon te vervullen, de belofte van Christus waardig word.


162

Moeder in de hemel, help mij de vurigheid, de overgave en de zelfverloochening terug te vinden, in één woord: help mij de Liefde opnieuw te ontdekken!


163

Wees toch niet zo gemakzuchtig! Wacht niet op het nieuwe jaar om voornemens te maken. Iedere dag is geschikt voor een stap in de goede richting. Hodie, nunc, vandaag, nu!

Het zijn in de regel van die arme mismoedige mensen, die op het nieuwe jaar wachten om te beginnen..., maar als het zover is... beginnen ze niet!


164

Akkoord, je hebt uit zwakheid slecht gehandeld. Maar ik begrijp niet dat je geweten zich niet met alle duidelijkheid meldt; je kunt geen slechte dingen doen en dan zeggen - of denken - dat ze goed zijn, of dat ze van geen belang zijn.


165

Vergeet niet dat geestelijke vermogens worden gevoed met wat de zintuigen aandragen. Waak daar dus goed over!


166

Je weet heel goed dat je de vrede kwijtraakt door toe te geven op punten die je van de weg afleiden!

Neem het besluit om consequent te zijn en je verantwoordelijkheid te dragen.


167

De onuitwisbare herinnering aan de gunsten die je van God ontvangen hebt, moet altijd een krachtige drijfveer voor je zijn. Dat geldt temeer in tijden van beproeving.


168

Er is maar één dodelijke ziekte; je kunt maar één fatale fout maken: in de nederlaag berusten, niet meer willen strijden met de geest van een kind van God. Als de persoonlijke inzet wegvalt, raakt de ziel verlamd en blijft zij alleen achter, niet in staat vrucht te dragen...

Met die lafheid verplicht het schepsel de Heer ertoe de woorden in de mond te nemen, die Hij hoorde uit de mond van de lamme aan de rand van het bad bij de Schaapspoort: Hominem non habeo, ik heb niemand!

Wat beschamend als Jezus in jou niet de man of de vrouw aantreft die Hij verwacht.


169

De ascetische strijd is geen negatieve en dus ook geen trieste strijd; het is een blijde bevestiging. Het is een sport.

Een goed sporter streeft er niet naar om maar één keer te winnen, laat staan bij de eerste poging. Hij bereidt zich voor, traint langdurig, wordt niet zenuwachtig en zet door. Hij probeert het steeds weer opnieuw. Ook als hij de eerste keer geen succes heeft, gaat hij vastberaden door, totdat het doel bereikt is.


170

Alles verwacht ik van U, mijn Jezus: bekeer mij!


171

Toen die priester, een vriend van ons, ondertekende met 'de zondaar', deed hij dat in de overtuiging de waarheid te schrijven.

Mijn God, zuiver mij ook!


172

Zorg dat je, als je een grote of kleine fout begaan hebt, zo snel mogelijk terugkeert naar God!

Proef de woorden van de psalm: Cor contritum et humiliatum, Deus, non despicies, God zal een berouwvol en nederig hart nooit verachten.


173

Gebruik je hoofd en je hart bij de overweging van het volgende: Heer, hoe vaak ben ik niet gevallen en hebt U mij weer overeind geholpen! Hoe vaak hebt U mij niet vergeven en aan uw Hart gedrukt!

Overweeg dat..., en ga nooit meer van Hem weg.


174

Je beschouwt jezelf als een bediende die geen livrei heeft, omdat zijn meester hem die heeft afgenomen. Als een arme zondaar begrijp je de naaktheid die onze oerouders gevoeld hebben.

Je hebt alle reden om te huilen en dat deed je ook. Je hebt veel gehuild en veel geleden. Toch ben je heel gelukkig en je zou met niemand willen ruilen. Al jaren heb je de gaudium cum pace, een serene blijdschap, die je niet meer kwijtraakt. Daar ben je God dankbaar voor, en je zou iedereen het geheim van het geluk willen doorgeven.

Ik weet dat je geen belang hecht aan wat ze zeggen, maar het is heel begrijpelijk dat je vaak een 'mens van vrede' genoemd wordt.


175

Sommigen doen alleen maar wat binnen het bereik van een paar arme schepselen ligt, waardoor ze hun tijd verkwisten. Het is precies hetzelfde als wat Petrus heeft ervaren: Praeceptor, per totam noctem laborantes nihil cepimus, Meester, de hele nacht hebben wij gezwoegd en we hebben niets gevangen!

Als deze mensen voor eigen rekening werken, niet verenigd met de Kerk, zonder de Kerk, hoe doeltreffend zal hun apostolaat dan zijn? Het zal niets opleveren!

Ze moeten gaan inzien dat ze op eigen krachten niets kunnen. Jij moet hen helpen het vervolg van het relaas uit het evangelie te begrijpen: In verbo autem tuo laxabo rete, op uw woord zal ik de netten uitgooien. De vangst zal dan overvloedig en succesvol zijn.

Het is mooi te rectificeren als men inziet dat men, om welke reden dan ook, voor eigen rekening bezig was!


176

Ik neem iets over van wat je geschreven hebt: “Domine, tu scis quia amo te, Heer, Gij weet dat ik U bemin! Jezus, hoe vaak heb ik deze woorden van uw Petrus niet herhaald als een zoetzure litanie. Ik weet dat ik van U houd, maar ik ben niet zo zeker van mijzelf! Daarom durf ik het U niet onomwonden te zeggen. Ik verloochen U zo vaak! Tu scis, Domine, U weet, dat ik van U houd! Jezus, ik zou graag willen dat mijn doen en laten nooit in tegenspraak is met deze opwellingen van mijn hart.”

Blijf op deze manier bidden! Hij zal je zeker horen.


177

Zeg Hem vol vertrouwen: Heer, waren mijn tranen, maar tranen van berouw geweest...!

Vraag Hem nederig om het berouw dat je verlangt.


178

Wat een laag gedrag, en wat een ontrouw aan de genade!

Moeder, toevlucht van de zondaars, bid voor mij, opdat ik het werk van God in mijn hart nooit meer in de weg sta.


179

Al zoveel jaren dicht bij Christus en... nog steeds zo'n zondaar!

Doet de vriendschap van Jezus met jou je niet in tranen uitbarsten?


180

Het ontbreekt me niet aan echte blijdschap, integendeel... Maar telkens als ik bedenk hoe weinig ik voorstel, heb ik zin om met de heilige Paulus uit te roepen: “Ongelukkige mens die ik ben!”

Zo zal het verlangen steeds sterker worden om de hindernissen die door het eigen ik worden opgeworpen, met wortel en al uit te rukken.


181

Schrik niet als je ontdekt dat je fouten hebt... en wát voor fouten! Laat je niet ontmoedigen!

Doe je best om ze met wortel en al uit te rukken. En wees ervan overtuigd dat het goed is je van je zwakheden bewust te zijn. Je zou anders alleen maar hoogmoedig worden en de hoogmoed scheidt ons van God.


182

Beschouw de verbazingwekkende goedheid van God! Je bent je bewust van de last van je lichamelijke en geestelijke ellende, het gevolg van de armzalige klei waarvan je gemaakt bent... en toch wil Christus in jou leven.

Ja, ook dan moet je duidelijk voor ogen hebben dat God je roept: Jezus Christus - God en Mens - begrijpt mij en zorgt voor mij, want Hij is mijn Broer en mijn Vriend.


183

Je bent tevreden en heel gelukkig, ook al voel je zo nu en dan iets van verdriet, en ervaar je gewoonlijk zelfs een spoor van droefheid.

Die blijdschap en die droefheid kunnen beide in dezelfde mens aanwezig zijn: de een in de nieuwe, de ander in de oude.


184

De oorsprong van de nederigheid ligt in het kennen van God en het kennen van zichzelf.


185

Heer, ik vraag U een geschenk: Liefde..., een liefde die me zuivert. En nog iets: zelfkennis, opdat ik nederig word.


186

Heiligen strijden tot het einde van hun leven. Ze weten na een misstap of een lelijke val weer overeind te komen en moedig hun weg te vervolgen; met nederigheid, met liefde en met hoop.


187

Als je fouten je nederiger maken en je daardoor houvast zoekt door de sterke hand van God te grijpen, dan zijn zij een weg naar heiligheid: Felix culpa, gelukkige schuld! zingt de Kerk.


188

Het gebed is almachtig, zelfs dat van mij!


189

Wie nederig is zal de moed niet verliezen bij het zien van de eigen fouten.

Echte nederigheid zet ertoe aan... vergiffenis te vragen.


190

Als ik lepra had, zou mijn moeder mij toch omhelzen en mijn wonden kussen, zonder ook maar even te aarzelen of bang te zijn.

En de allerheiligste Maagd dan? Als wij merken dat wij lepra hebben, dat wij onder de wonden zitten, laten we dan roepen: Moeder! En de bescherming van onze Moeder is als een heilzame kus op onze wonden.


191

In het sacrament van de boete vergeeft Jezus ons.

Daar worden de verdiensten van Christus op ons toegepast. Uit liefde voor ons hangt Hij met uitgestrekte armen aan het Kruis, waaraan Hij - meer dan door de spijkers - uit liefde voor ons is vastgenageld.


192

Mijn kind, als je eens mocht vallen, zoek dan je heil in de biecht en de geestelijke leiding. Laat de wond zien, zodat ze die grondig kunnen behandelen en iedere mogelijkheid tot infectie wegnemen, ook als zo'n ingreep pijn doet.


193

Als je steeds meer verenigd wilt zijn met God is het noodzakelijk dat je eerlijk bent.

Als je een 'steen' met je meesleept, mijn kind, gooi die dan van je af! Doe wat ik je altijd aangeraden heb. Vertel eerst alles waarvan je zou willen, dat niemand het te weten komt. Het is een hele opluchting als die 'steen' eenmaal van je is weggenomen in de biecht!


194

Nam, et si ambulavero in medio umbrae mortis, non timebo mala; ook al zou ik in de schaduw des doods wandelen, ik zal geen kwaad vrezen. Noch mijn ellende, noch de bekoringen van de vijand mogen mij bezorgd maken, quoniam tu mecum es, want de Heer is met mij.


195

Toen ik daarnet heel mijn ellende overwoog, heb ik U, Jezus, gezegd: laat U door uw kind voor de gek houden, zoals goede, toegeeflijke vaders doen, die hun kind het cadeautje in de hand stoppen dat het hun daarna zal geven..., omdat ze heel goed weten dat het kind niets heeft.

En wat een plezier hebben vader en kind, ook al zitten beiden in het complot!


196

Jezus, U bent mijn grote Liefde! En toch is het helaas niet uitgesloten dat ik U opnieuw beledig... Tuus sum ego... salvum me fac, Ik ben van U: red mij!


197

Je beseft hoe weinig deugden, talenten en capaciteiten je hebt... Krijg je geen zin om met de blinde Bartimeüs uit te roepen: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij?!

Het is een prachtig schietgebedje dat je vaak zou moeten herhalen: Heer, heb medelijden met mij!

Hij zal naar je luisteren en je verhoren.


198

Voed in je binnenste het verlangen naar eerherstel, om een steeds dieper berouw te krijgen.


199

Als je trouw bent zul je uiteindelijk de overwinning behalen.

Je zult in de loop van je leven enkele slagen verliezen, maar geen nederlagen lijden. Wees ervan overtuigd dat je niet kunt mislukken, als je werkt met een zuivere bedoeling en met het verlangen de wil van God te doen.

Succes of geen succes, je zult altijd overwinnen, omdat je je werk uit liefde hebt gedaan.


200

Ik ben er zeker van dat jouw nederig en vurig gebed Hem aangenaam was: Mijn God, wat anderen zeggen kan mij niets schelen. Vergeef mij dat mijn manier van leven beneden peil is. Ik wil heilig worden...! Maar alleen voor U.


201

In het leven van de christen dient 'alles' voor God te zijn, ook de persoonlijke - steeds weer gecorrigeerde - zwakheden. God begrijpt ze en vergeeft ze.


202

Wat heb ik gedaan, Jezus, dat U zoveel van mij houdt? Ik beledig U... maar ik heb U ook lief.

U liefhebben. Zó zal mijn leven worden en niet anders.


203

Al deze vertroostingen van de Heer. Zal het zijn opdat ik er alert op ben Hem in het kleine te dienen, zodat ik Hem ook in het grote kan dienen?

Voornemen: met de kleinste kleinigheden van het dagelijks leven wil ik Jezus een plezier doen.


204

We moeten God liefhebben, want het hart is gemaakt voor de liefde. Als wij het niet - met een zuivere liefde - bij God, bij onze Moeder de heilige Maagd Maria en bij de zielen hebben..., dan zal het zich wreken... en veranderen in een haard van bederf.


205

Zeg de Heer uit het diepst van je hart: ondanks al mijn ellende ben ik gek op U, ben ik 'dronken' van Liefde!


206

Het doet me pijn dat ik zo vaak gevallen ben. Vanaf nu zal ik - met de hulp van God - altijd bij het Kruis zijn.


207

De zonden van het vlees moeten door het vlees uitgeboet worden: wees edelmoedig in je boetedoening.


208

Roep de Heer aan, smeek Hem om de geest van boetvaardigheid die eigen is aan iemand die zich elke dag weet te overwinnen en Hem dat onopgemerkt en onzelfzuchtig aanbiedt.


209

Als je de zwakte van het vlees voelt, zeg Hem dan steeds weer: uw kruis, Heer, voor mijn arme lichaam dat moe wordt en in opstand komt!


210

Wat indrukwekkend zijn deze woorden van een priester: “Ondanks mijn ondankbaarheid heeft Jezus mij een heleboel zonden vergeven. Wat is Hij edelmoedig! Als Hij de vele zonden van Maria Magdalena heeft vergeven, omdat zij zoveel liefhad, hoeveel liefde ben ik Hem dan niet verschuldigd, aangezien Hij mij nóg meer heeft vergeven.”

Jezus, ik wil U liefhebben tot aan de dwaasheid en de heldhaftigheid toe! Met uw genade, Heer, zal ik U nooit meer in de steek laten, ook al zou ik voor U moeten sterven.


211

Lazarus verrees omdat hij de stem van God hoorde. Hij wilde onmiddellijk uit de toestand komen waarin hij verkeerde. Als hij niet in beweging had 'willen' komen, zou hij opnieuw gestorven zijn.

Een oprecht voornemen: altijd in God blijven geloven; altijd op God blijven hopen; altijd van God blijven houden... Hij laat ons nooit in de steek, ook niet als wij al in ontbinding zijn, zoals Lazarus.


212

Bewonder deze beminnelijke paradox van het christen-zijn: onze persoonlijke ellende zet ons ertoe aan onze toevlucht te nemen tot God, ons te 'vergoddelijken'. Met Hem kunnen wij alles.


213

Als je gevallen bent of het gevoel hebt te bezwijken onder de last van je ellende, herhaal dan vol vertrouwen: Heer, U ziet dat ik ziek ben. U bent uit liefde voor mij aan het Kruis gestorven. Kom mij genezen.

Ik herhaal het: heb vertrouwen en blijf aankloppen bij zijn allerbeminnelijkst Hart. Hij heeft de melaatsen uit het evangelie genezen en zal ook jou genezen.


214

Heb het grootste vertrouwen in God en een steeds dieper en sterker verlangen om Hem nooit meer te ontvluchten.


215

Onbevlekte Maagd Maria. Moeder! Laat mij niet alleen. U ziet dat ik heel bedroefd ben. Ik wil God niet beledigen!

Ik weet dat ik niets waard ben, en ik denk dat ik dat ook nooit zal vergeten. De last van mijn nietigheid en van mijn eenzaamheid drukt zwaar op mij! Maar toch... ik ben niet alleen: Gij, mijn lieve Moeder, en God, mijn Vader, laten mij nooit alleen.

Bij de opstandigheid van mijn vlees en de duivelse argumenten tegen het geloof blijf ik van Jezus houden en in Hem geloven: ik bemin en ik geloof.


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende