Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  De Voor > Edelmoedigheid > Hst 1
1

Veel christenen zijn er wel van overtuigd, dat de Verlossing in alle milieus van de wereld werkelijkheid zal worden en dat er enkele zielen moeten zijn - wie weten ze niet - die met Christus samenwerken om haar te verwerkelijken. Maar ze zien dat in termijnen van eeuwen... : het zou inderdaad een eeuwigheid gaan duren als het zou afhangen van de mate van hun overgave.

Zo dacht ook jij, tot ze je “wakker kwamen maken.


2

De overgave is de eerste stap van een leven van opoffering, vreugde, liefde en vereniging met God. - En zo wordt het hele leven doordrongen van een gezegende dwaasheid, die het geluk daar doet vinden waar de menselijke logica niets anders kan zien dan negatie, lijden en verdriet.


3

“Bid voor mij”, zei je: “dat ik edelmoedig mag zijn, dat ik vooruit mag gaan, dat ik zo mag veranderen dat ik ooit ergens nuttig voor kan zijn.”

Goed. - Maar welke middelen wil je gebruiken zodat die voornemens tot resultaat leiden?


4

Dikwijls vraag je je af, waarom zielen die het geluk hebben gehad om de werkelijke Jezus vanaf hun kinderjaren te kennen, zo vaak aarzelen om daaraan te beantwoorden door middel van het beste wat zij bezitten: hun leven, hun gezin, hun verlangens.

Kijk: juist omdat jij - alles - ineens hebt gekregen, ben je verplicht om je tegenover de Heer heel dankbaar te tonen; zoals een blinde zou reageren die plotseling zijn gezichtsvermogen had teruggekregen, terwijl het in anderen niet eens opkomt dat ze dankbaar moeten zijn omdat ze zien.

Maar... dat is niet voldoende. Je moet de mensen in je omgeving iedere dag helpen zich dankbaar te gedragen omdat ze kinderen van God zijn. Zeg me anders niet dat je dankbaar bent.


5

Overweeg eens rustig: het is heel weinig wat er van me wordt gevraagd, vergeleken met het vele dat ik krijg.


6

Jij die jezelf nog niet van allerlei dingen kunt losmaken moet eens nadenken over wat een van je broers me schreef: “het is moeilijk, maar wat geeft het een opluchting als “de beslissing” eenmaal is genomen, wat een geluk als je voelt dat je veilig op de goede weg bent!”.


7

De laatste dagen, vertelde je me, waren gelukkiger dan ooit. - En zonder dat ik er ook maar een moment over hoefde na te denken gaf ik je als antwoord: omdat je met een beetje meer overgave “hebt geleefd” dan anders.


8

De roep van de Heer - de roeping - klinkt altijd zo: “als iemand Mijn leerling wil zijn, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen”.

Ja: roeping vraagt onthechting, offer. Maar wat geeft het offer een geluk - gaudium cum pace, vreugde en vrede - als de onthechting volkomen is!


9

Toen zij er met hem over spraken om zich persoonlijk in te zetten, was zijn reactie deze redenering: “Ja, in dat geval zou ik dit kunnen doen..., en ik zou dat moeten doen...”.

- Ze antwoordden hem: “Hier wordt niet met God gemarchandeerd. Je aanvaardt de wet van God, de uitnodiging van de Heer zoals hij is, of je aanvaardt dit niet. Je moet beslissen: voorwaarts, zonder enige reserve en met veel geestdrift, of weggaan. Qui non est mecum - wie niet met Mij is, is tegen Mij.”


10

Van een tekort aan edelmoedigheid naar lauwheid is maar één stap.


11

Uit een brief schrijf ik een voorbeeld over van lafheid, in de hoop dat jij dat niet zal navolgen: “natuurlijk ben ik u er zeer erkentelijk voor dat u aan mij denkt, want ik heb veel gebed nodig. Maar ik zou u ook dankbaar zijn als u bij uw gebed tot de Heer om een “apostel” van mij te maken, geen moeite zou doen om Hem te vragen dat Hij zou willen dat ik mijn vrijheid zou moeten opgeven.”


12

Die kennis van je, een heel intelligent iemand, een goed burger, een goed mens, zei: “Je moet de wet naleven, maar met mate, zonder te overdrijven, precies voor zover het strikt nodig is”.

En hij voegde eraan toe: “Zondigen? Nee; maar zichzelf geven, ook niet.”

Ze zijn werkelijk meelijwekkend, die zuinige, berekenende mensen die niet in staat zijn om een offer te brengen, om zich aan een nobel ideaal te geven.


13

Van jou moet méér worden gevraagd: want jij kàn meer geven en moet meer geven. Denk daarover na!


14

“Het is zo moeilijk!” roep je ontmoedigd uit.

Luister, als je strijdt is de genade van God voldoende. Dan zal je afzien van je persoonlijke belangen, je medemens dienen omwille van God en de Kerk helpen op het gebied waar vandaag de dag slag wordt geleverd: op straat, in de fabriek, in de werkplaats, op de universiteit, op kantoor, in je eigen omgeving, tussen de jouwen.


15

Je hebt me geschreven: “het is eigenlijk altijd hetzelfde, een groot tekort aan edelmoedigheid. Wat jammer en beschamend is het om na eerst de weg te hebben gevonden, vervolgens toe te laten dat een paar stofwolken - die toch onvermijdelijk zijn - het doel verduisteren!”

Neem me niet kwalijk als ik je zeg dat dat je eigen schuld is: pak jezelf dapper aan. Je hebt meer dan voldoende middelen.


16

Als je egoïsme je afhoudt van het gemeenschappelijke streven naar het gezonde en gezegende welzijn van de mensen, als je berekenend bent en de materiële of morele ellende van je naasten je niets doet, dwing je me iets heel hartigs tegen je te zeggen, recht in je gezicht, om je in beweging te krijgen: als je geen gelukkige broederschap voor de mensen, je broeders, en buiten de grote christelijke familie leeft, ben je een arme vondeling.


17

Het toppunt?... Voor een ziel die zich heeft gegeven, wordt alles een top die gehaald moet worden: iedere dag ontdekt zij nieuwe doelen, want ze kan en wil geen grenzen stellen aan de Liefde van God.


18

Hoe edelmoediger je bent voor God, hoe gelukkiger je zult zijn.


19

Dikwijls krijg je de bekoring om een beetje tijd voor jezelf te willen houden...

Leer jezelf voor eens en voor altijd van die kleinzieligheid te genezen, door jezelf onmiddellijk te corrigeren.


20

Je was een van die “alles of niets” figuren. En aangezien je niets kon..., wat een ellende!

Begin nederig te strijden om die zuinige zelfovergave van jou te doen ontvlammen tot hij “geheel” doeltreffend wordt.


21

Wij die ons aan God hebben toegewijd, zijn niets kwijtgeraakt.


22

Ik zou graag zoveel moeders en vaders in het oor willen schreeuwen: het is geen offer om je kinderen aan de dienst van God te geven: het is een eer en een vreugde.


23

Het moment van de grote beproeving was voor hem gekomen en vertwijfeld kwam hij je opzoeken.

-Herinner je je nog? Hij - de vriend die je “verstandige” adviezen gaf - vond jouw gedrag utopisch, het gevolg van verwrongen ideeën, van een wil die was gemanipuleerd en - meer van zulke “scherpe” inzichten.

“Die overgave aan de Heer”, was zijn oordeel, “is een abnormale overspanning van het religieuze gevoel.” En in zijn zielige logica dacht hij dat er tussen jou en je gezin een vreemde was gaan staan: Christus.

Nu heeft hij begrepen wat je hem zo vaak hebt gezegd: Christus trekt nooit zielen uit elkaar.


24

Dit is een dringende taak: het geweten van gelovigen en ongelovigen wakker schudden - mensen van goede wil mobiliseren - om ze te laten meehelpen en ze de materiële middelen te laten verschaffen die nodig zijn bij het werk voor de zielen.


25

Hij toont veel enthousiasme en begrip. Maar als hij in de gaten krijgt dat het om “hem” gaat, dat “hij” serieus moet meedoen, trekt hij zich laf terug.

Hij doet me denken aan diegenen die in het uur van het gevaar met valse dapperheid “oorlog, oorlog!” schreeuwden, maar die geen geld wilden geven en zich ook niet wilden aanmelden om hun land te verdedigen.


26

Het doet pijn te constateren wat sommigen onder aalmoes verstaan: een paar centen of wat oude kleren. Ze schijnen het evangelie niet te hebben gelezen.

Wees niet àl te voorzichtig: help de mensen om voldoende geloof en kracht op te bouwen dat zij zich in dit leven edelmoedig kunnen onthechten aan datgene wat zij nodig hebben.

Leg de achterblijvers uit dat het niet erg edel is en niet erg elegant, ook vanuit een aards gezichtspunt, om daarmee tot het einde te wachten, wanneer ze niets meer met zich mee kùnnen nemen.


27

“Wie iets uitleent, krijgt het nooit meer terug; en krijgt hij het terug, dan is het niet meer het hele bedrag; en als het het hele bedrag is, dan krijgt hij het niet zó maar; en als hij het zó maar krijgt, heeft hij een doodsvijand gemaakt” (Spaans gezegde).

Dus?... Geef! Zonder berekening, en altijd omwille van God. Op die manier leef je, ook wat het menselijke betreft, dichter bij de mensen en draag je ertoe bij dat er minder ondankbaren zijn.


28

Ik zag het gezicht van die eenvoudige man rood worden en er stonden bijna tranen in zijn ogen: hij had edelmoedig met zijn eigen, eerlijk verdiende geld bijgedragen aan goede werken, en toen kreeg hij te horen dat “de goeden” zijn daden als oneerlijk brandmerkten.

Met de naïviteit van de beginneling in deze veldslagen van God mompelde hij: “ze zien dat ik me opoffer... en toch slachten ze me af!”.

-Ik heb rustig met hem gesproken: hij kuste mijn crucifix en zijn begrijpelijke verontwaardiging veranderde in vrede en vreugde.


29

Voel je dat brandende verlangen niet om je overgave nog vollediger te maken, nog “onherroepelijker”?


30

Wat is het toch een belachelijke houding van ons, arme menselijke schepselen, dat wij de Heer steeds opnieuw zulke kleinigheden weigeren! Na verloop van tijd gaan we de dingen in hun ware perspectief zien... en komt er schaamte en verdriet.


31

Aure audietis, et non intelligetis: et videntes videbitis, et non perspicietis. Duidelijke woorden van de Heilige Geest: zij horen met hun eigen oren, maar begrijpen niet; met hun eigen ogen kijken zij, maar ze zien niets.

Waarom maak je je druk als sommigen die het apostolaat “zien” en zijn grootsheid kennen, zich niet willen geven? Bid in alle gemoedsrust en volhard op je weg: als zij er niet tegenaan gaan, zullen er wel anderen komen!


32

Sinds je “ja” tegen Hem hebt gezegd, verandert in verloop van tijd je horizon van kleur: iedere dag wordt hij mooier, wijder en stralender. Maar je moet doorgaan met “ja” te zeggen.


33

De heilige maagd Maria, leermeesteres van de overgave zonder beperkingen. - Herinner je je nog? Op haar sloeg dat prijzende woord van Jezus Christus: “Hij die de wil van Mijn Vader volbrengt, hij - zij - is Mijn moeder!”

Vraag die goede Moeder dat in je ziel het antwoord aan kracht moge winnen - kracht van liefde en van bevrijding -, dat zij met zo'n voorbeeldige edelmoedigheid heeft gegeven: ecce ancilla Domini! - zie de dienstmaagd des Heren.


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende