Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  De Voor > Nederigheid > Hst 8
259

- Gebed - is de nederigheid van de mens die zijn diepe ellende en de grootheid van God erkent. Tot Hem richt hij zich en aanbidt Hem zo, dat hij alles van Hem verwacht en niets van zichzelf.

Geloof - is de nederigheid van het verstand, dat zijn eigen maatstaven opgeeft en zich buigt voor de oordelen en het gezag van de Kerk.

Gehoorzaamheid - is de nederigheid van de wil, die zich onderwerpt aan de wil van een ander, omwille van God.

Kuisheid - is de nederigheid van het vlees, dat zich ondergeschikt maakt aan de geest.

Versterving - in het uitwendige is de nederigheid van de zintuigen.

Boetvaardigheid - is de nederigheid van alle hartstochten, die aan de Heer worden geofferd.

Nederigheid is de waarheid op de weg van de ascetische strijd.


260

Het is iets groots zich niets te weten bij God, omdat het zo ís.


261

“Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart”. De nederigheid van Jezus! - Wat een les voor jou, armzalig instrument van stof. Hij - de altijd Barmhartige - heeft jou verheven laat in je laagheid, onverdiend verheerlijkt wordt stralen van de zon der genade schijnen. En jij, hoe vaak heb je jouw trots niet verborgen onder de dekmantel van waardigheid of van rechtvaardigheid! En hoeveel gelegenheden om van de Meester te leren heb je niet voorbij laten gaan omdat je niet wist hoe je die op een bovennatuurlijke manier kon gebruiken!


262

Die depressies als je je gebreken ziet, of als de anderen die gebreken ontdekken, missen elke grondslag

Vraag om de ware nederigheid.


263

Sta mij toe je te herinneren aan enkele van de duidelijke tekenen van een gebrek aan nederigheid:

denken dat wat jij doet of zegt beter is dan wat anderen doen of zeggen;

altijd je zin willen doordrijven;

discussiëren zonder dat je gelijk hebt, of als je het wel hebt, koppig of slechtgemanierd doordrammen;

je mening geven zonder dat erom gevraagd wordt, of zonder dat de liefde dat gebiedt;

de mening van anderen minachten;

al je gaven en capaciteiten niet als geleend beschouwen;

niet inzien dat je alle eer en achting onwaardig bent, met inbegrip van de aarde waar je op loopt en van de dingen die je bezit;

jezelf in gesprekken als voorbeeld voorhouden;

slecht over jezelf spreken met de bedoeling dat ze een gunstig oordeel over je krijgen of je tegenspreken;

je verontschuldigen, als je berispt wordt;

vernederende gebreken voor je geestelijk leidsman verbergen, opdat hij zijn gunstige mening over jou niet zal verliezen;

er genoegen in scheppen als je geprezen wordt of blij zijn omdat ze gunstig over je hebben gesproken;

er pijnlijk door getroffen zijn als anderen meer eer krijgen dan jij;

weigeren minderwaardige werkzaamheden uit te voeren;

het bijzonder zijn zoeken of verlangen;

in een gesprek eigen roem suggereren of hints geven in de richting van je rechtschapenheid, je scherpzinnigheid, je bekwaamheid, je beroepsaanzien;

je schamen omdat je sommige goederen niet hebt


264

Nederig zijn is niet hetzelfde als angstig of bevreesd zijn.


265

Laten we vluchten voor die valse nederigheid die gemakzucht heet.


266

Petrus zegt Hem: “Heer! Wilt Gíj mijn voeten wassen?” Jezus antwoordde: “Wat Ik doe, kunt ge nu nog niet begrijpen, maar zult ge later begrijpen”. Petrus houdt aan: “Nooit zult Gij mij de voeten wassen!” En Jezus weer: “Als Ik je voeten niet was, zul je mijn deelgenoot niet zijn”. Simon Petrus geeft zich over: “Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd”.

Als we in onszelf de oproep horen tot een totale zelfovergave, zonder terughoudendheid, gaan wij daar vaak met een valse nederigheid tegenin, zoals Petrus - O, waren wij óók maar mensen met een groot hart, zoals die apostel! Petrus kan het niet hebben dat iemand méér houdt van Jezus dan hij. Zo'n liefde leidt tot de reactie: hier ben ik! Was mijn handen, hoofd, voeten! Reinig me helemaal! Want ik wil me aan U geven zonder enige reserve.


267

Voor jou schrijf ik uit een brief het volgende over: “Ik ben met de evangelische nederigheid zeer ingenomen. Maar de schaapachtige en onnozele schuchterheid van sommige christenen, die zo de Kerk te schande maken, stuit mij tegen de borst. Hen moet die atheïstische schrijver op het oog hebben gehad toen hij zei, dat de christelijke moraal een moraal van slaven is”. In werkelijkheid zijn wij dienaars: dienaars die zijn verheven tot de categorie van kinderen van God, die zich niet willen gedragen als slaven van hun hartstochten.


268

Het overtuigd zijn van je inferieure kwaliteit - dat is namelijk zelfkennis - zal een bovennatuurlijke reactie in je teweegbrengen. Hoe langer hoe meer zullen vreugde en vrede in je ziel wortel gaan schieten als je vernederd wordt, geminacht, belasterd.

In die gevallen zul je na je fiat - Heer, Uw Wil geschiede! - moeten denken: “Is dat alles wat hij heeft gezegd? Het is duidelijk dat hij me niet kent, anders zou hij het daar niet bij hebben gelaten.”

Omdat je ervan overtuigd bent dat je een slechtere behandeling had verdiend, zal je dankbaar zijn tegenover die persoon en blij zijn met wat een ander verdriet zou doen.


269

Hoe hoger je een standbeeld neerzet, des te groter en gevaarlijker is de klap als het naar beneden komt.


270

Ga iedere keer nederiger naar je geestelijk leidsman - en stipter, want ook dat is nederigheid.

Bedenk dan - en je vergist je niet, want God zelf is het die tot je spreekt - dat je als een klein kind bent, dat openhartig is, dat geleerd wordt te praten en te lezen, de bloemen en de vogels te kennen, vreugde en verdriet te verwerken, te letten op de grond waarop het loopt.


271

“Ik blijf een armzalig schepsel”, zeg je tegen me.

Als je dat vroeger in de gaten had, voelde je je daar heel vervelend door! Maar nu maak je er een gewoonte van om met een glimlach op je fouten te reageren, zonder dat je er aan went en het erbij laat, en begin je de strijd opnieuw met een vreugde die steeds groter wordt.


272

Als je verstandig bent, nederig, zal het je opgevallen zijn, dat een mens nooit te oud is om te leren - In het leven gaat het net zo; ook de grootste geleerden kunnen nog iets leren, tot het einde van hun leven toe; zo niet, dan zijn het geen geleerden meer.


273

Goede Jezus, als ik apostel moet zijn, moet U me heel nederig maken.

Alles wat door de zon wordt aangeraakt, wordt verlicht: Heer, vul me met Uw licht, vergoddelijk me: maak dat ik me vereenzelvig met Uw aanbiddelijke Wil, om het werktuig te kunnen worden dat U wilt - Geef me Uw onvoorstelbare nederigheid die U ertoe heeft gebracht om arm te worden geboren, arbeid zonder glans te verrichten, roemloos te sterven, vastgenageld aan een stuk hout, en om zich geheel weg te cijferen in de verborgenheid van het Tabernakel.

Maak dat ik mezelf leer kennen: mezelf en U. Dan zal ik nooit mijn niets uit het oog verliezen.


274

Alleen domme mensen zijn koppig. Erg domme mensen erg koppig.


275

Onthoud dat als het over menselijke onderwerpen gaat, ook de anderen gelijk kunnen hebben: ze zien hetzelfde vraagstuk als jij, maar vanuit een ander gezichtspunt, in een ander licht, met andere nuances, in een andere vorm.

Alleen in het geloof en de moraal bestaat er een maatstaf waarover niet te discussiëren valt: die van onze Moeder de Kerk.


276

Wat goed is het om altijd bereid te zijn de eigen mening te herzien! En wat zijn er maar weinigen die die kunst leren verstaan!


277

Geef liever toe dan dat je in de liefde te kort schiet: verzet je, als dat maar enigszins mogelijk is, niet. Wees nederig als het gras, dat wordt platgetrapt zonder dat het de voet kan zien die er op gaat staan.


278

Afdalen naar de nederigheid, zo klim je op naar de bekering.


279

Je zei me: “Mijn - ik - moet onthoofd worden!” - Maar wat is dat lastig, hè?


280

Vaak moet je jezelf geweld aandoen om je tegenover de Heer te vernederen en gemeend tegen Hem te zeggen: Serviam!, Ik zal U dienen!


281

Memento, homo, quia pulvis es - mens, bedenk wel: stof zijt gij - Als je stof bent, waarom moet je je dan ergeren als ze op je trappen?


282

Langs de weg van de nederigheid kom je overal, in de eerste plaats in de hemel.


283

Een veilige weg tot de nederigheid is te overwegen dat we - ook al hebben we geen talent, naam of fortuin - efficiënte werktuigen kunnen zijn als we ons tot de Heilige Geest wenden om te vragen of Hij ons zijn gaven meedeelt.

Ondanks dat de Apostelen drie jaar lang door Jezus waren onderwezen, vluchtten ze ontzet voor de vijanden van Christus. En toch lieten ze zich na Pinksteren geselen en opsluiten en gaven ze ten slotte hun leven als getuigenis van hun geloof.


284

Het is waar dat niemand er zeker van kan zijn dat hij zal volharden - Maar die onzekerheid is een reden te meer om nederig te zijn, en een duidelijk bewijs van onze vrijheid.


285

Hoewel je zo weinig voorstelt, heeft God Zich van jou bediend en zal Hij Zich van je blijven bedienen om vruchtbare werken te zijner ere uit te voeren.

Word niet trots. Denk maar: wat zou het stalen of ijzeren gereedschap dat door de goudsmid wordt gebruikt om gouden juwelen en edelstenen mee te zetten, wel voor geweldigs over zichzelf kunnen vertellen?


286

Wat heeft meer waarde: een kilo goud of een kilo koper? - En toch heb je in veel gevallen meer aan koper dan aan goud.


287

Het is je roeping - de roep van God - de richting aan te geven, mee te trekken, te dienen, leider te zijn. Als jij je uit valse of verkeerd begrepen nederigheid isoleert, je in je hoekje afsluit, verzaak je je plicht om een instrument van God te zijn.


288

Als de Heer Zich van je bedient om zijn genade in de zielen uit te storten, denk er dan aan dat je niet méér bent dan de verpakking van het geschenk: een stuk papier dat wordt opengescheurd en weggegooid.


289

Quia respexit humilitatem ancillae suae - want Hij zag de nederigheid van zijn dienstmaagd

Ik raak er iedere dag meer van overtuigd dat de echte nederigheid de bovennatuurlijke basis is van alle deugden! Spreek met Onze Lieve Vrouw, opdat zij ons oefent om die weg te begaan.


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende