 |
66 |
 |
Het is waar: we zijn niets waard, we zijn niets, we kunnen niets, we hebben niets. En tegelijk is er, te midden van onze dagelijkse strijd, geen gebrek aan hindernissen en bekoringen - Maar de - blijdschap - van je broers zal alle moeilijkheden uit de weg ruimen zodra je weer bij hen bent, omdat je zult zien dat ze vast op Hem bouwen: quia Tu es Deus fortitudo mea - want Gij, o God, zijt onze kracht.
|
 |
|