 |
| 325 |
 |
Vecht tegen die slapheid, die je lui en nalatig maakt in je geestelijk leven. - Denk eraan dat dit het begin kan zijn van lauwheid... en, zoals de Schrift zegt, God zal de lauwen uitbraken.
|
| 326 |
 |
Het doet me leed te zien, hoe je je aan het gevaar van lauwheid blootstelt, wanneer je in je levensstaat niet ernstig naar de volmaaktheid streeft.
- Zeg met mij: Ik wil niet lauw zijn. Confige timore tuo carnes meas! Doordring mijn vlees met uw vrees! - Geef me, mijn God, een kinderlijke vrees, die mij wakker maakt!
|
| 327 |
 |
Ik weet wel, dat je de doodzonden vermijdt. - Je wilt je redden. - Maar maakt het je niet bezorgd dat je voortdurend met volle bewustzijn in dagelijkse zonden vervalt, ofschoon je bij iedere gelegenheid de aansporing van God voelt om jezelf te overwinnen?
- Je lauwheid is er de oorzaak van dat je zo'n slechte wil hebt.
|
| 328 |
 |
Hoe weinig liefde tot God heb je, als je zonder slag of stoot toegeeft, omdat het geen zware zonde is!
|
| 329 |
 |
Dagelijkse zonden brengen de ziel veel schade toe. - Daarom zegt de Heer in het Hooglied: Capite nobis vulpes parvulas, quae demoliuntur vineas. Vangt de kleine vossen, die de wijngaard vernielen.
|
| 330 |
 |
Hoe bedroevend vind ik het, dat je geen verdriet hebt over je dagelijkse zonden! - Want zolang je dat niet hebt, zul je geen waarachtig innerlijk leven kunnen beginnen.
|
| 331 |
 |
Je bent lauw, als je traag en met tegenzin de dingen doet, die betrekking hebben op de Heer; als je met berekening of sluwheid probeert je plichten te verminderen; als je alleen maar aan jezelf en aan je gemak denkt; als je gesprekken ledig en nutteloos zijn; als je de dagelijkse zonde niet verafschuwt; als je handelt uit menselijke beweegredenen.
| |
 |
|