Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  De Weg > Lauwheid > Hst 14
325

Vecht tegen die slapheid, die je lui en nalatig maakt in je geestelijk leven. - Denk eraan dat dit het begin kan zijn van lauwheid... en, zoals de Schrift zegt, God zal de lauwen uitbraken.


326

Het doet me leed te zien, hoe je je aan het gevaar van lauwheid blootstelt, wanneer je in je levensstaat niet ernstig naar de volmaaktheid streeft.

- Zeg met mij: Ik wil niet lauw zijn. Confige timore tuo carnes meas! Doordring mijn vlees met uw vrees! - Geef me, mijn God, een kinderlijke vrees, die mij wakker maakt!


327

Ik weet wel, dat je de doodzonden vermijdt. - Je wilt je redden. - Maar maakt het je niet bezorgd dat je voortdurend met volle bewustzijn in dagelijkse zonden vervalt, ofschoon je bij iedere gelegenheid de aansporing van God voelt om jezelf te overwinnen?

- Je lauwheid is er de oorzaak van dat je zo'n slechte wil hebt.


328

Hoe weinig liefde tot God heb je, als je zonder slag of stoot toegeeft, omdat het geen zware zonde is!


329

Dagelijkse zonden brengen de ziel veel schade toe. - Daarom zegt de Heer in het Hooglied: Capite nobis vulpes parvulas, quae demoliuntur vineas. Vangt de kleine vossen, die de wijngaard vernielen.


330

Hoe bedroevend vind ik het, dat je geen verdriet hebt over je dagelijkse zonden! - Want zolang je dat niet hebt, zul je geen waarachtig innerlijk leven kunnen beginnen.


331

Je bent lauw, als je traag en met tegenzin de dingen doet, die betrekking hebben op de Heer; als je met berekening of sluwheid probeert je plichten te verminderen; als je alleen maar aan jezelf en aan je gemak denkt; als je gesprekken ledig en nutteloos zijn; als je de dagelijkse zonde niet verafschuwt; als je handelt uit menselijke beweegredenen.


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende