Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  De Weg > Gebed > Hst 3
81

Actie is niets waard zonder gebed; het gebed krijgt waarde door het offer.


82

Eerst het gebed; vervolgens de boete; op de derde plaats, pas op de “derde plaats” de actie.


83

Het gebed is het fundament van het geestelijk gebouw. - Het gebed is almachtig.


84

Domine, doce nos orare, Heer, leer ons bidden! - En de Heer antwoordde: wanneer jullie gaan bidden, zegt dan: Pater noster, qui es in coelis..., Onze Vader, die in de hemel zijt... Hoe kómen we erbij het mondgebed onbelangrijk te vinden!


85

Langzaam. - Bedenk wát je zegt, wíe het zegt, en tégen wie. - Want dat haastige praten, zonder tijd te nemen voor overweging, is niets dan lawaai, gerammel van lege blikjes.

En met de heilige Teresia zeg ik je, dat ik dát geen bidden noem, hoe ijverig je je lippen ook beweegt.


86

Je gebed moet liturgisch zijn. - Kreeg je maar voorliefde voor het opzeggen van de psalmen en de gebeden uit het missaal in plaats van je privé-gebeden.


87

“De mens leeft niet van brood alléén”, zegt de Heer, “maar van ieder woord dat komt uit de mond van God”. - Brood en woord: Hostie en gebed.

Anders kun je geen bovennatuurlijk leven leiden.


88

Je zoekt gezelschap van vrienden die door hun gesprekken, hun genegenheid en hun vriendschap de ballingschap van deze wereld draaglijker maken..., ofschoon je vrienden je soms verraden. - Het lijkt me niet verkeerd.

Maar... waarom zoek je niet iedere dag steeds intenser het gezelschap van, en het gesprek met de Grote Vriend die je nooit verraadt?


89

“Maria koos het beste deel”, lezen we in het heilig Evangelie. - Dáár is zij en drinkt de woorden van de Meester. Schijnbaar passief, bidt en bemint zij. - Daarna vergezelt zij Jezus op zijn preektochten in steden en dorpen.

Wat is het moeilijk, Hem zonder gebed te vergezellen!


90

Wát, weet je niet hoe je moet bidden? - Stel je in tegenwoordigheid van God, en als je begint met te zeggen: “Heer, ik weet niet hoe ik moet bidden...”, wees er dan zeker van dat je ermee begonnen bent.


91

Je hebt me geschreven: “Bidden is spreken met God. Maar waarover?” - Waarover? Over Hem, over jezelf: je vreugden, je verdriet, je successen en mislukkingen, je edele ambities, je dagelijkse zorgen..., je zwakheden! Je dankbaarheid en je wensen, je Liefde en je eerherstel.

Kortom: Hem kennen en jezelf kennen: met Hem omgaan!


92

Et in meditatione mea exardescit ignis. En in mijn meditatie wordt er een vuur ontstoken. - Daarom ga je bidden: om een levend vuur te worden, dat warmte en licht geeft.

Daarom, wanneer je niet weet hoe je door moet gaan, wanneer je voelt dat je vuur aan het uitgaan is en je er geen geurige houtblokken op kunt werpen, gooi er dán de takken en bladeren op van korte mondgebeden en schietgebedjes om het vuur aan te houden. - En je zult je tijd goed besteed hebben.


93

Je ziet jezelf als zo ellendig, dat je je onwaardig acht om door God te worden gehoord... Maar weet je dan niets van de verdiensten van Maria? En de wonden van de Heer? En...ben jij dan soms geen kind van God?

Bovendien luistert Hij naar je, quoniam bonus..., quoniam in saeculum misericordia eius, omdat Hij goed is, en omdat Zijn barmhartigheid eeuwig duurt.


94

Hij heeft zich zó klein gemaakt - zie je wel: een Kind! - opdat je vol vertrouwen naar Hem toe zou gaan.


95

In te, Domine, speravi, op U, Heer, heb ik mijn vertrouwen gesteld. - En aan de menselijke middelen heb ik mijn gebed en mijn kruis toegevoegd. - En mijn hoop is niet tevergeefs geweest en zal het ook nooit zijn: non confundar in aeternum, in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden!


96

Jezus spreekt: “Ik zeg u: vraagt, en ge zult verkrijgen; zoekt, en ge zult vinden; klopt, en u zal worden opengedaan”.

Bid. In welke menselijke onderneming verkrijg je grotere garanties voor het welslagen?


97

Je weet niet wat je de Heer in het gebed moet zeggen. Je herinnert je niets, en tóch zou je Hem vele dingen willen vragen. - Kijk: maak overdag aantekeningen van die kwesties die je in tegenwoordigheid van God zou willen overwegen. En ga dan later met die aantekeningen bidden.


98

Na het gebed van de priesters en van de godgewijde maagden, is dat van kinderen en zieken aan God het meest welgevallig.


99

Wanneer je gaat bidden, maak dan dit vaste voornemen: niet langer bidden wanneer je er troost in vindt, en niet korter wanneer je je dor voelt.


100

Zeg niet tegen Jezus dat je troost wilt vinden in het gebed. - Als Hij het je geeft, dank Hem er dan voor. - Vraag Hem echter altijd om volharding.


101

Volhard in het gebed. - Volhard, zelfs al lijkt je inspanning vruchteloos. - Het gebed is altijd vruchtbaar.


102

Je verstand is traag en loom. Je doet vergeefse moeite om in de tegenwoordigheid van de Heer je gedachten te ordenen: een volledig onvermogen.

Forceer niets, en wees niet bezorgd. - Geloof me: het is het uur van het hart.


103

Prent de woorden die je in het gebed getroffen hebben, in je geheugen en herhaal ze dikwijls gedurende de dag.


104

Pernoctans in oratione Dei, Hij bracht de nacht door met bidden. - Dit zegt ons St. Lucas over de Heer.

Jij, hoe dikwijls heb jij zó volhard? Dus...


105

Als je niet regelmatig met Christus omgaat in het gebed en in het Brood, hoe wil je Hem dan aan anderen meedelen?


106

Je hebt me geschreven, en ik begrijp het best: “Alle dagen besteed ik een korte tijd aan het gebed, want als ik dat niet deed!”


107

Heilig worden zonder gebed?... - Ik geloof niet in dat soort heiligheid.


108

Ik zeg je, met de woorden van een buitenlandse schrijver, dat je leven van apostel dát waard is, wat je gebed waard is.


109

Als je geen mens van gebed bent, geloof ik niet in de oprechtheid van je bedoelingen wanneer je zegt te werken voor Christus.


110

Je hebt me eens gezegd, dat je net een klok bent die van slag is, en op de verkeerde ogenblikken slaat: je bent leeg, koud en dor tijdens het bidden; daarentegen ontdek je op momenten waarop je het “t minst zou verwachten, op straat, midden in je dagelijkse bezigheden, in de drukte en het geroezemoes van de stad, of in de stilte van je intense beroepsarbeid, tot je verbazing dat je aan het bidden bent... Op de verkeerde ogenblikken? Kan zijn, maar laat die slagen van je klok in ieder geval niet onbenut. - De Geest waait waar Hij wil.


111

Je hebt me aan het lachen gemaakt met je ongeduldige bidden. - Je zei Hem: “Ik wil niet oud worden, Jezus... dan moet ik nog zo lang wachten voor ik U kan zien! Later is mijn hart misschien niet meer zo onstuimig als nu. Later lijkt mij te laat. Nu kan mijn vereniging met U inniger zijn, omdat ik U bemin met de frisse, zuivere liefde van de jeugd”.


112

Het bevalt me dat je op zo grote schaal het eerherstel wilt beoefenen: “Voor heel de wereld”, zei je. - In orde, maar op de eerste plaats voor de leden van je geestelijke familie, je bloedverwanten, je landgenoten.


113

Jij zei Hem: “Vertrouw niet op mij... Ik van mijn kant vertrouw wel op U, Jezus... Ik geef me over in Uw armen. Ik laat er achter wat ik heb: mijn zwakheden!” Dit vind ik een goed gebed.


114

Het gebed van een christen is nooit een monoloog.


115

“Minuten van stilte”. - Laat die over aan mensen met een droog hart. Wij katholieken, kinderen van God, wij spreken met onze Vader die in de hemel is.


116

Verwaarloos je geestelijke lezing niet. - De geestelijke lezing heeft velen heilig gemaakt.


117

Uit de geestelijke lezing vorm ik mijn voorraad brandstof, schrijf je me. - Het lijkt een berg waar geen leven in zit, maar daaruit haalt mijn herinnering vaak spontaan wat ze nodig heeft om mijn gebed levend te maken en mijn dankzegging na de communie te doen opvlammen.


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende