Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  De Weg > Versterving > Hst 6
172

Als je geen versterving doet, word je nooit een mens van gebed.


173

Dat treffende woord, die grap die je binnensmonds hebt gehouden; een vriendelijke glimlach voor wie je lastig valt; dat stilzwijgen tegenover een onrechtvaardige beschuldiging; een welwillend gesprek met vervelende en ongelegen komende mensen; inschikkelijkheid ten aanzien van de lastige gewoonten van degenen met wie je dagelijks te doen hebt en die je op je zenuwen werken..., dit alles, met volharding beoefend, is degelijke innerlijke versterving.


174

Zeg niet: die mens werkt me op de zenuwen. - Denk: die mens heiligt mij.


175

Geen ideaal wordt verwezenlijkt zonder offer. - Verzaak aan jezelf. Het is zo mooi om slachtoffer te zijn!


176

Hoe dikwijls neem je je niet voor, God in iets te dienen..., en moet je je in je armzaligheid er tevreden mee stellen, Hem de ergernis aan te bieden, het gevoel dat je zo'n makkelijk voornemen niet hebt kunnen uitvoeren!


177

Laat geen gelegenheid onbenut om je eigen oordeel prijs te geven. - Het kost moeite..., maar, hóe aangenaam is het in de ogen van God!


178

Als je soms een arm, houten kruis ziet, eenzaam, verachtelijk en zonder waarde... en zonder Gekruisigde, vergeet dan niet dat dát kruis jouw kruis is: het kruis van iedere dag, het verborgene, zonder glans en zonder troost..., dat wacht op de Gekruisigde die eraan ontbreekt: en die Gekruisigde moet jij zijn.


179

Zoek verstervingen die voor anderen geen versterving met zich brengen.


180

Zonder versterving bestaat er geen deugd.


181

Innerlijke versterving. - Ik geloof niet in je innerlijke versterving als ik zie dat je de versterving van de zintuigen veronachtzaamt en niet beoefent.


182

Laten wij in dit arme leven van nu de kelk van pijn en smart tot de laatste druppel leegdrinken. - Wát maakt het uit om tien, twintig, vijftig jaar te lijden..., als daarna voor altijd de hemel komt, voor altijd..., voor altijd!

En bovenal - beter nog dan om de hierboven neergeschreven reden: propter retributionem, vanwege het loon -, wat gééft het te lijden als men dat doet om te troosten, om welgevallig te zijn aan God onze Heer, in de geest van herstel, verenigd met Hem in het dragen van Zijn Kruis; kortom: als men lijdt uit Liefde?...


183

De ogen! Door hen heen komt heel wat verdorvenheid de ziel binnen. - Hoevelen moeten niet ervaren wat David overkomen is!... - Als jullie je blik bewaken, heb je de bewaking van je hart zeker gesteld.


184

Waarom rondkijken, als je “je wereld” in je draagt?


185

Wereld bewondert alleen maar het offer dat opzien baart, omdat zij de waarde niet kent van het verborgen en stille offer.


186

Je moet je helemaal geven, je moet jezelf geheel wegcijferen: het offer moet een brandoffer zijn.


187

Paradox: om te leven moet je sterven.


188

Let op, het hart is een verrader. - Houd het gesloten met zeven grendels.


189

Alles wat je niet naar God voert, is een hindernis. Ruk het uit en gooi het ver weg.


190

De Heer gaf iemand, wiens meerdere opvliegend en grof was, deze woorden in: dank, mijn God, voor deze waarlijk goddelijke schat. Waar vind ik een ander, die iedere vriendelijkheid beantwoordt met een trap?


191

Overwin jezelf iedere dag vanaf het eerste moment, door op tijd op te staan, op een vast tijdstip, zonder ook maar één minuut toe te geven aan je luiheid.

Als je jezelf, met de hulp van God, weet te overwinnen, heb je al veel gewonnen voor de rest van de dag.

Het is zo ontmoedigend zich bij de eerste schermutseling al overwonnen te voelen!


192

Altijd delf je weer het onderspit. - Stel je iedere keer de redding van een ziel ten doel, of haar heiliging, of haar roeping tot het apostolaat... - Op déze manier ben ik zeker van je overwinning.


193

Wees niet slap en week. - Het is nu toch wel tijd dat je dat rare medelijden met jezelf van je afzet.


194

Opdat je ze je niet zult laten ontglippen, zal ik je zeggen welke de schatten van de mens op aarde zijn: honger, dorst, hitte, koude, pijn, smaad, armoede, eenzaamheid, verraad, laster, gevangenis...


195

Terecht zei iemand dat de ziel en het lichaam twee vijanden zijn die niet van elkaar kunnen scheiden, en twee vrienden die elkaar niet kunnen uitstaan.


196

Aan het lichaam moet men iets minder geven dan het strikt nodig heeft. Zo niet, dan pleegt het verraad.


197

Als ze getuigen zijn geweest van je zwakheden en fouten, wát geeft het dan dat ze het ook zijn van je boetedoening?


198

Dit zijn de heerlijke vruchten van de verstorven ziel: begrip en inschikkelijkheid voor de zwakheden van anderen, onverbiddelijkheid voor die van haar zelf.


199

Als de graankorrel niet sterft, blijft hij onvruchtbaar. - Zou jij geen graankorrel willen zijn, en willen sterven door versterving, om volle aren voort te brengen? - Moge Jezus je akker zegenen!


200

Je overwint jezelf niet, je doet geen verstervingen, omdat je hoogmoedig bent. Je zegt me dat je een leven van boetedoening leidt? Vergeet niet dat hoogmoed kan samengaan met boetedoening... - Nog een argument: je droefheid na de val of na je tekort aan edelmoedigheid, is dat werkelijk verdriet of slechts ergernis, omdat je je zo klein en krachteloos ziet? - Hoe ver ben je nog van Jezus, als je niet nederig bent..., zelfs als je geselslagen iedere dag nieuwe rozen doen opbloeien!


201

Wat een smaak van gal en azijn, van as en aloë! Je gehemelte wordt erdoor samengetrokken en uitgedroogd. - Deze lichamelijke indruk is niets, vergeleken met de bitterheid van je ziel. - Van jou wordt namelijk “meer verlangd”, en je wilt het niet geven. - Verneder je. Zou die bittere smaak in je vlees en in je geest blijven, als je alles op alles zou zetten?


202

Wát, je gaat jezelf vrijwillig een straf opleggen voor je zwakheid en je gebrek aan edelmoedigheid? - Goed, maar dan een bescheiden boetedoening, zoals je die oplegt aan een vijand die tegelijkertijd onze broeder zou zijn.


203

Aan de vreugde van ons, armzalige mensen, zelfs als zij een bovennatuurlijke beweegreden heeft, kleeft altijd een bittere bijsmaak. - Wat had je verwacht? - Hier beneden is de smart het zout van ons leven.


204

Velen die zich voor de blikken van duizenden verstomde toeschouwers op een kruis zouden laten nagelen, zijn níet in staat de speldeprikken van alledag op een christelijke wijze te verdragen! - Overdenk maar eens, wat nu het meest heldhaftig is.


205

Wij lazen samen het heldhaftig-gewone leven van die man Gods. - Wij hebben hem maanden- en jarenlang zien vechten aan het ontbijt (wat een precieze “boekhouding” was zijn bijzonder gewetensonderzoek!). De ene dag was hij overwinnaar, de andere verslagene... Hij schreef op: “Geen boter genomen..., boter genomen!”

Hadden wij, jij en ik, ook maar ons dagelijks... “boterdrama”.


206

De heldhaftige minuut. - Het tijdstip, het exacte tijdstip van opstaan. Zonder aarzeling: een bovennatuurlijke gedachte en... eruit! - De heldhaftige minuut: daar heb je nu een versterving die je wil versterkt en je lichaam niet verzwakt.


207

Wees voor die heilige afkeer van jezelf dankbaar, als voor een bijzondere gunst.


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende