Josemaría Escrivá Obras
113

Homilie op de campus van de Universiteit van Navarra (8 oktober 1967)

Jullie hebben zojuist naar de plechtige lezing van twee teksten uit de heilige Schrift geluisterd, die bij de Mis van de 21ste zondag na Pinksteren horen. Door het luisteren naar het woord van God hebben jullie je al verplaatst in de sfeer waarin mijn woorden tot jullie zich zullen bewegen. Het zijn de woorden van een priester, gericht tot een grote familie van kinderen van God in Zijn heilige Kerk, woorden dus die bovennatuurlijk bedoeld willen zijn, die van de grootheid van God en van zijn barmhartigheid spreken en die jullie moeten voorbereiden op de indrukwekkende eucharistieviering die wij vandaag op de campus van de Universiteit van Navarra houden.

Laten we een moment stilstaan bij wat ik zojuist gezegd heb. Wij vieren nu de heilige Eucharistie, het sacramentele offer van het Lichaam en Bloed van de Heer, dit geheim van het geloof, dat alle geheimen van het christendom in zich verenigt. Wij vieren dus de meest heilige en verheven handeling die wij mensen, dankzij de genade van God, in dit leven kunnen verrichten. Want als wij het Lichaam en het Bloed van de Heer ontvangen, ontdoen wij ons in zekere zin al van de boeien van ruimte en tijd en verenigen wij ons met God in de hemel, waar Christus zelf elke traan uit onze ogen zal drogen, waar de dood niet meer zal zijn, noch het geweeklaag of de vermoeienis, want de oude wereld zal reeds voorbij zijn (vgl. Apok 21,4).

Deze zo diepe en troostvolle waarheid, de eschatologische zin van de Eucharistie zoals de theologen gewoonlijk zeggen, kan echter verkeerd begrepen worden. En dat gebeurt inderdaad steeds wanneer men tracht het christelijke bestaan als iets louter spiritueels of, beter gezegd, spiritualistisch op te vatten; als een leven dat alleen voor onbesmette, buitengewone mensen bedoeld is, die zich niet met de verachtelijke dingen van deze wereld inlaten of ze hooguit verdragen als iets wat, terwijl wij hier leven, noodzakelijk gepaard gaat met de geest.

Wanneer men de dingen zo ziet, wordt het kerkgebouw de plaats bij uitstek van het christelijk leven. Christen-zijn betekent dan naar de kerk gaan, deelnemen aan sacrale ceremonies en zich opsluiten in een kerkelijke sociologie, in een soort afgescheiden wereld die zichzelf presenteert als het voorportaal van de hemel, terwijl de gewone wereld zijn eigen gang gaat. De leer van het christendom en het leven van de genade zouden op die manier de jachtige loop van de menselijke geschiedenis hoogstens even raken, maar zonder er echt contact mee te krijgen.

Terwijl wij ons op deze oktobermorgen voorbereiden op de viering van de gedachtenis van dood en verrijzenis van de Heer, willen wij tegenover deze misvormde kijk op het christendom een duidelijk neen laten horen. Kijk eens naar het decor van onze Eucharistie, van onze dankzegging. Wij zijn in een heel speciaal godshuis. De campus van de universiteit, zou je kunnen zeggen, is het schip; de universiteitsbibliotheek het altaar, daarginds staan de machines voor de bouw van nieuwe gebouwen en boven ons de hemel van Navarra...

Door deze opsomming wordt toch op een beeldende en onvergetelijke wijze onderstreept, dat het dagelijkse leven de echte plaats is van jullie christelijk bestaan? Mijn kinderen, daar onder jullie broers en zussen, de mensen, in jullie idealen, jullie werk en jullie liefde, dáár is de plaats van jullie dagelijkse ontmoeting met Christus. Daar, te midden van de meest materiële dingen, moeten wij ons heiligen door God en alle mensen te dienen.

Vorige Zie hoofdstuk Volgende