Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Vrienden van God > Opdat alle mensen gered worden > Hst 16
256

Homilie gehouden op16 april 1954

De roeping van de christen, dat persoonlijke appel van de Heer, brengt ons ertoe ons met Hem te vereenzelvigen. Maar we moeten niet vergeten, dat Hij op de wereld is gekomen om alle mensen vrij te kopen, omdat Hij wil, dat alle mensen gered worden (1 Tim 2, 4). Er is geen ziel ter wereld waarin Christus geen belang stelt. Elke ziel heeft Hem de prijs van zijn bloed gekost (vgl. 1 Petr 1, 18­19).

Nu ik dat overweeg, schiet me het gesprek van de apostelen met de Meester te binnen, vlak voor het wonder van de broodvermenigvuldiging. Een grote menigte heeft Christus vergezeld. De Heer slaat de ogen op en vraagt Filippus: Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten? (Joh 6, 5). Filippus antwoordt na een snelle rekensom: Wil ieder ook maar een klein stukje krijgen, dan is voor tweehonderd denariën brood nog te weinig (Joh 6, 7). Ze hadden dat geld niet en moesten hun toevlucht nemen tot een noodoplossing: Een van zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, merkte op: Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen, maar wat betekent dat voor zo'n aantal? (Joh 6, 8­9).


257

De gist en het deeg

Wij willen de Heer volgen en zijn Woord verbreiden. Menselijk gesproken is het logisch, dat we ons dan ook afvragen: met zijn hoevelen zijn we voor zo'n groot aantal? Al waren we met miljoenen, dan nog zouden we met weinigen zijn in verhouding tot het aantal bewoners van de aarde. Daarom moeten we onszelf zien als een beetje zuurdesem, klaar en bereid om heel de mensheid een goede dienst te bewijzen. Daarbij moeten we de woorden van de Apostel in gedachten houden: Ge weet toch dat een beetje zuurdesem genoeg is om het hele deeg te laten gisten? (1 Kor 5, 6). We moeten leren gist en zuurdesem te zijn om de massa om te vormen en geheel te veranderen.

Is gist van nature beter dan deeg? Nee. Maar gist geeft de mogelijkheid op het deeg in te werken en het in eetbaar en gezond voedsel om te zetten.

Denken we eens, al is het maar in grove trekken, aan het effect van gist bij het maken van brood: basisvoedsel, heel eenvoudig en binnen ieders bereik. Hier en daar —misschien bent u er wel eens bij geweest— is het ovenklaar maken van het deeg een hele plechtigheid die ons tenslotte een verbazingwekkend, smakelijk resultaat voor ogen tovert.

Men neemt goed meel, zo mogelijk het beste. Men kneedt het deeg in de kom om de gist er doorheen te werken. Een langdurig karwei dat geduld vraagt. Dan een tijdje rust, nodig om het desem zijn werk te laten doen en het deeg te laten rijzen.

Intussen brandt in de oven het vuur, gestookt met hout dat verteerd wordt. En door de werking van de hitte van de vlammen krijgen we een vers, luchtig brood van grote klasse. Dat resultaat zouden we nooit bereikt hebben zonder de werking van de gist —er is maar een beetje nodig— die in een doeltreffend, onzichtbaar proces tussen de andere bestanddelen opgenomen en verdwenen is.


258

Als we deze passage van de apostel Paulus met gevoel voor het bovennatuurlijke overdenken, zullen we inzien dat er geen andere mogelijkheid is dan ten dienste van alle zielen te werken. Anders gedragen we ons als egoïsten. Als we ons leven nederig beschouwen, zullen we helder zien, dat de Heer ons behalve de genade van het geloof ook nog talenten en goede eigenschappen gegeven heeft. Niemand van ons is een serieprodukt: onze Vader heeft ons een voor een geschapen en Hij heeft verschillende goederen onder zijn kinderen verdeeld. Wij moeten die talenten en eigenschappen ten dienste van iedereen stellen: die gaven van God gebruiken als hulpmiddelen om anderen Christus te laten ontdekken.

Zie dat niet als een extra, als een randversiering van ons christelijk bestaan. Als de desem niet gist, gaat hij verloren. Hij kan verdwijnen zonder het deeg te laten rijzen, maar hij kan ook verspild worden in nutteloosheid en egoïsme. We bewijzen God Onze Heer geen gunst, als we aan anderen over Hem vertellen. Dat ik het evangelie predik, is voor mij geen reden om te roemen; ik kan niet anders, als gevolg van het gebod van Jezus Christus: Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig! (1 Kor 9, 16).


259

Vissers

Ik stuur een groot aantal vissers uit om hen te vangen — godsspraak van Jahwe (Jer 16, 16). Daarmee wijst Hij ons concreet op onze taak: vissen. Als men over de wereld spreekt of schrijft, gebruikt men soms het beeld van de zee. Er zit wel iets waars in die beeldspraak. In het mensenleven zijn er, zoals op zee, perioden van stilte en perioden van storm, van luwte en van stormwinden. Mensen zwemmen te midden van hoge golven door het zilte nat. Ze zoeken het hart van de storm, arme zwemmers, al lijken ze vrolijk, zelfs door het dolle heen. Ze proberen met hun lachsalvo's hun momenten van zwakte te verbergen; en hun teleurstelling, hun leven zonder liefde, zonder begrip voor de ander. Ze vreten elkaar op als vissen.

Het is een taak voor de kinderen van God, dat iedereen, in vrijheid, de netten van de Heer binnenzwemt om elkaar daar in liefde te vinden. Als we christen zijn, moeten we worden als die vissers die de profeet Jeremia met dezelfde beeldspraak beschrijft als Christus meer dan eens gebruikt: Volgt Mij; Ik zal u vissers van mensen maken (Mat 4, 19), zegt Hij tot Petrus en Andreas.


260

Laten we Christus vergezellen bij deze goddelijke visvangst. Jezus staat aan de oever van het Meer van Gennésaret. De mensen drongen op Hem aan om het woord Gods te horen (Luc 5, 1). Net zoals vandaag! Ziet u dat niet? Mensen willen de boodschap van God horen, ook al lijkt dat uiterlijk niet zo. Sommigen hebben misschien de leer van Christus vergeten. Anderen hebben —buiten hun schuld— Hem nooit leren kennen en beschouwen de godsdienst als iets dat er niet voor hen is. Maar wij moeten zelf overtuigd zijn van een realiteit die altijd geldt: vroeg of laat zal de ziel zich overgeven, zullen de gebruikelijke verklaringen hem niet meer voldoen, zullen de leugens van de valse profeten hem niet meer tevreden stellen. En ook als ze het nog niet zullen willen toegeven, zullen ze zich van hun onrust willen ontdoen, hun honger naar waarheid willen stillen: met wat de Heer leert.

Laten we het woord geven aan Sint Lucas: Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten. Hij stapte in een van de boten, die van Simon en vroeg hem een eindje van wal te steken. Hij ging zitten en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk (Luc 5, 2­3). Toen Hij klaar was met zijn onderricht beval Hij Petrus: Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst (Luc 5, 4). Christus is de heer van de boot. Hij zorgt voor de vangst en daarvoor is Hij op de wereld gekomen: om zijn broeders en zusters de weg van de heerlijkheid en de liefde van de Vader te wijzen. Het apostolaat van de christen is niet door ons uitgevonden. Nee, door ons gebrek aan geloof vormen we er hoogstens een obstakel voor.


261

Simon antwoordde: Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd zonder iets te vangen (Luc 5, 5). Het antwoord lijkt hout te snijden. Urenlang hebben ze gevist zoals altijd en precies die nacht zonder iets te vangen. Daarna nog overdag gaan vissen? Ondanks alles gelooft Petrus: maar op uw woord zal ik de netten uitgooien (Ibidem). Hij besluit Christus te volgen. Hij zet zich aan het werk. Hij vertrouwt op het Woord van de Heer. Wat gebeurt er dan? Ze deden het en vingen zulk een massa vissen in hun netten dat deze dreigden te scheuren. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Toen zij gekomen waren, vulden zij beide boten tot zinkens toe (Luc 5, 6­7).

Jezus had, toen Hij met zijn leerlingen van wal stak, niet alleen die vangst op het oog. Daarom antwoordde Hij, toen Petrus Hem te voet viel en nederig beleed: Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens: Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen (Luc 5, 8 en 10). En bij deze nieuwe soort visvangst zal het goddelijk resultaat opnieuw blijken: de apostelen zullen vruchtbare werktuigen zijn, ondanks hun eigen kleinheid.


262

Wonderen zullen zich herhalen

Ik durf te stellen, dat de Heer ook van ons werktuigen zal maken, als we elke dag slag leveren om de heiligheid te bereiken in ons gewone leven, op onze eigen plaats midden in de wereld en in de uitoefening van ons beroep; werktuigen die wonderen kunnen verrichten, ook de meest uitzonderlijke als daar behoefte aan is. Wij zullen blinden laten zien. Wie zou er niet duizend voorbeelden kunnen opnoemen van de manier waarop mensen die bijna vanaf hun geboorte blind zijn, weer ziende worden en de volle glans van het licht van Jezus in zich opnemen? Een ander was doof, een derde stom, ze konden niet horen, geen enkel verstaanbaar woord uitbrengen, althans niet als kinderen van God¼ Hun zintuigen werden gezuiverd en ze horen en ze uiten zich meteen als mensen en niet als dieren. In nomine Jesu! (Hand 3, 6). in de naam van Jezus gaven de apostelen aan een man die vanaf zijn geboorte lam was en niet in staat was één enkele nuttige handeling te verrichten, zijn krachten terug. Zo gold voor een luiaard, die zijn plicht kende maar niet nakwam: In de naam van Jezus, surge et ambula (Ibidem), sta op en wandel.

Een ander, gestorven, vergaan, riekend naar lijken, heeft de stem van God gehoord, zoals bij het wonder van de zoon van de weduwe van Naïn: Jongeman, Ik zeg je: sta op! (Luc 7, 14). Wonderen als die van Christus; wonderen als die van de eerste apostelen. Misschien hebben die wonderen zich voltrokken in u, in mij. Misschien waren we blind, of doof, of lam, of riekten we naar de dood, toen het woord van de Heer ons uit onze krachteloosheid opgeheven heeft. Als we Christus liefhebben, als we Hem zonder reserve volgen, als we niet onszelf zoeken, maar Hem alleen: dan kunnen we in zijn naam gratis uitdelen wat we gratis gekregen hebben.


263

Zonder ophouden heb ik over die tegelijkertijd bovennatuurlijke en menselijke mogelijkheid gepreekt, die God Onze Vader zijn kinderen ter hand stelt: delen in de Verlossing die Christus bewerkt heeft. En het heeft me verheugd die leer in de teksten van de Kerkvaders te ontdekken. De heilige Gregorius de Grote stelt met overtuiging: “Het is als het verdrijven van slangen, wanneer christenen met hun aansporingen het goede te doen het kwaad uit de harten van anderen uitrukken¼ Het is als zieken de hand opleggen om hen te genezen, wanneer ze de naaste op duizend manieren te hulp snellen —wanneer ze merken dat die verzwakt in het nastreven van het goede— en hem sterken met hun voorbeeld. Die wonderen zijn groter naarmate ze meer op de geest betrekking hebben en zo niet het lichaam, maar de geest doen herleven. Ook gij kunt, als gij uzelf maar dwingt, deze wonderen bewerkstelligen met de hulp van God” (H. Gregorius de Grote, Homiliae in Evangelia, 29, 4 (PL 76, 1215­1216)).

God wil, dat alle mensen gered worden. Die uitdaging en verantwoordelijkheid rust op ieder van ons. De Kerk is niet een veilige wijkplaats voor de bevoorrechten. “De grote Kerk, omvat die maar een zeer gering deel van de aarde? De grote Kerk is de gehele wereld” (H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos, 21, 2, 26 (PL 36, 177)). Dat schreef de heilige Augustinus, en hij voegde er aan toe: “waar ge ook gaat, Christus is daar. Gij bezit als erfgenaam de grenzen der aarde. Kom, bezit haar helemaal met mij” (Ibidem, 21, 2, 30 (PL 36, 180)). Herinnert u zich nog hoe de netten waren? Zo vol, dat ze dreigden te scheuren. Er zou geen vis meer bij hebben gekund. God verlangt vurig, dat zijn huis zich zal vullen (vgl. Luc 14, 23). Hij is Vader. Hij wil leven met al zijn kinderen om zich heen.


264

Apostel zijn in het gewone leven

Kijken we nu naar een andere visvangst, de vangst die volgde op het Lijden en de Dood van Jezus Christus. Driemaal heeft Petrus de Meester verloochend. En hij heeft van nederige smart geweend. Het gekraai van de haan heeft hem weer doen denken aan de waarschuwing van de Heer en hij heeft vanuit het diepst van zijn ziel om vergiffenis gesmeekt. En terwijl hij vol wroeging op de vervulling van de belofte van de Verrijzenis wacht, doet hij zijn gewone werk: hij gaat vissen. “Men heeft ons met betrekking tot die visserij vaak gevraagd, waarom Petrus en de zonen van Zebedeüs het beroep weer opgenomen hebben dat ze hadden voor de Heer hen geroepen had. Ze waren namelijk vissers toen de Heer tot hen sprak: ‹volg Mij, Ik zal van u mensenvissers maken›. Als iemand zich verwondert over dat gedrag, moet u antwoorden dat het de apostelen niet verboden was hun beroep uit te oefenen, omdat het een legitiem en eerbaar beroep was” (H. Augustinus, In Ioannis Evangelium tractatus, 122, 2 (PL 35, 1959)).

Apostel zijn, het vurige verlangen dat het hart van iedere christen verteert, is in de kern niets anders dan het werk van elke dag. Het vormt een eenheid met dat werk dat de kans biedt Christus zelf te ontmoeten. Als we onze krachten bundelen, schouder aan schouder met onze collega's die dezelfde idealen hebben, met onze vrienden en onze familieleden, zullen we hen bij het doen van ons werk kunnen helpen te naderen tot Christus die op ons wacht aan de oever van het meer. Eerst visser zijn, dan apostel. Apostel geworden weer visser zijn. Voor en na hetzelfde beroep.


265

Wat verandert er dan wel? De ziel ziet —omdat Christus daar binnenkomt, zoals Hij in de boot van Petrus stapt— nieuwe horizonten opengaan, weidser, een grotere zucht naar dienstbaarheid, en een onweerstaanbaar verlangen om alle schepsels de magnalia Dei (Hand 2, 11) te verkondigen, de grote werken die de Heer verwezenlijkt, als wij het laten gebeuren. Ik kan niet voor me houden, dat de 'beroepsarbeid' van de priester, om het maar eens zo te noemen, een 'goddelijke en openbare bediening' is, die al zijn activiteiten beslaat en zo veeleisend is, dat in het algemeen de priester, die tijd voor niet strikt priesterlijk werk overheeft, er zeker van kan zijn dat hij zijn taak als priester niet goed vervult.

Er waren bijeen: Simon Petrus, Tomas die ook Didymus genoemd wordt, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn leerlingen. Simon Petrus zei tot hen: Ik ga vissen. Zij antwoordden: Dan gaan wij mee. Zij gingen dus op weg en klommen in de boot, maar ze vingen die nacht niets. Toen het reeds morgen begon te worden, stond Jezus aan het strand (Joh 21, 2­4).

Hij ging langs zijn apostelen, langs die zielen die zich aan Hem gegeven hadden: en ze waren zich er niet van bewust. Hoe vaak is Christus niet alleen vlak bij ons, maar zelfs in ons! En het leven dat we leiden is zo menselijk! Christus is vlak bij, maar van zijn kinderen krijgt hij geen blik vol genegenheid, geen woord van liefde, geen nauwgezette arbeid.


266

De leerlingen, schrijft Johannes, wisten niet dat het Jezus was. Jezus sprak hen aan: Vrienden, hebben jullie soms wat vis? (Joh 21, 4­5). Dat familietafereel met Christus vervult me met blijdschap. Dat het juist Jezus Christus, God, is die dat zegt. Hij, die al een verheerlijkt lichaam heeft! Werpt het net uit rechts van de boot, daar zult ge iets vangen. Nadat ze dit gedaan hadden, waren ze niet meer bij machte het net op te halen vanwege het grote aantal vissen (Joh 21, 6). Nu begrijpen ze het. Wat ze bij zoveel gelegenheden uit de mond van de Meester gehoord hebben, speelt de leerlingen weer door de geest: mensenvissers, apostelen. En ze begrijpen, dat alles mogelijk is omdat Hij aan de visvangst leiding geeft.

Daarop zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus: Het is de Heer! (Joh 21, 7). Liefde, liefde ziet van verre. De liefde begrijpt zo snel als mogelijk is die fijne trekjes. Die jonge Apostel, met de diepe genegenheid die hij voor Jezus voelt, omdat hij Christus met de zuiverheid en tederheid van een onschuldig hart liefheeft, roept het uit: het is de Heer!

Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was, trok hij zijn bovenkleed aan —want hij droeg slechts een onderkleed— en sprong in het meer (Ibidem). Petrus is het geloof. Hij springt in het meer, vervuld van een wonderlijke moed. Hoever zouden wij met de liefde van Johannes en het geloof van Petrus niet komen?


267

Zielen behoren aan God

De andere leerlingen kwamen met de boot, want ze waren niet ver uit de kust, slechts ongeveer tweehonderd el (Joh 21, 8). Ze leggen meteen de vangst aan de voeten van de Heer, want die is van Hem. Zo kunnen we leren dat de zielen aan God toebehoren, dat niemand op deze aardbol zich dat eigendom kan aanmatigen, dat het apostolaat van de Kerk —haar boodschap en heilswerkelijkheid— niet op het prestige van een paar mensen berust, maar op de goddelijke genade.

Jezus stelt Petrus driemaal dezelfde vraag, alsof hij hem met deze herhaling de kans wil geven zijn drievoudige verloochening goed te maken. Petrus heeft zijn lesje al gehad, hij heeft lering getrokken uit zijn eigen ellende. Hij kent zijn eigen zwakheid en is er dus volledig van overtuigd dat het geen nut heeft met vermetele verklaringen te komen. Daarom legt hij alles in Christus' handen. Ja Heer, Gij weet, dat ik U bemin¼ Heer, Gij weet alles; Gij weet, dat ik U liefheb (Joh 21, 15 en 17). En wat antwoordt Christus? Weid mijn lammeren¼ Weid mijn schapen (Ibidem). Niet die van u, niet die van jullie: de zijne! Omdat de mens door Hem geschapen is, door Hem is vrijgekocht, heeft Hij alle zielen vrijgekocht, de een na de ander —ik herhaal het— met zijn Bloed als losprijs.

Toen de donatisten in de vijfde eeuw hun aanvallen op de katholieken richtten, verdedigden zij de stelling, dat het onmogelijk was, dat Augustinus, bisschop van Hippo, de waarheid onderwees, omdat hij een groot zondaar was geweest. En de heilige Augustinus deed zijn broeders in het geloof het volgende antwoord aan de hand: “Augustinus is bisschop van de Katholieke Kerk; hij draagt zijn last waarover hij aan God rekenschap moet afleggen. Ik heb hem onder de goede mensen leren kennen. Als hij slecht is, dan weet hij dat. Als hij goed is, heb ik zelf mijn hoop niet op hem gevestigd. Het eerste wat ik immers in de Katholieke Kerk geleerd heb, is mijn hoop niet op een mens te vestigen” (H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos, 36, 3, 20 (PL 36, 395)).

Het is niet 'ons apostolaat' dat we doen. Als dat het geval was, wat zouden we dan te zeggen hebben? Wij oefenen Christus' apostolaat uit, omdat God het wil, omdat Hij het ons heeft opgedragen: Gaat over heel de wereld en preek het evangelie (Mar 16, 15). De dwalingen en fouten zijn van ons, de vruchten komen de Heer toe.


268

De durf om over God te spreken

Hoe verwerkelijken we nu dat apostolaat? Allereerst door ons voorbeeld, door te leven in overeenstemming met de Wil van de Vader, zoals Christus ons door zijn leven en onderricht geopenbaard heeft. Het ware geloof is het geloof dat geen tegenspraak tussen daden en woorden duldt. We moeten de authenticiteit van ons geloof afmeten aan de hand van het onderzoek van ons eigen gedrag. We zijn geen oprechte gelovigen, als we geen moeite doen in praktijk te brengen wat we met de lippen belijden.


269

Nu is het juiste moment aangebroken om een andere episode in herinnering te brengen waardoor de opmerkelijke apostolische ijver van de eerste christenen aan de dag zal treden. Er was nog geen kwart eeuw verlopen sinds Christus ten Hemel was opgestegen, toen zijn faam zich al in veel steden en dorpen verspreid had. Een man met de naam Apollos komt aan in Éfeze, een welsprekend man, die doorkneed was in de Schriften. Hij had onderricht ontvangen in de weg des Heren, sprak vol geestdrift en gaf in bijzonderheden onderricht over alles wat Jezus betrof, hoewel hij alleen het doopsel van Johannes kende (Hand 18, 24­25).

Het licht van Christus was al binnengedrongen in de geest van die man. Hij had over Hem horen spreken en hij verkondigde Hem aan anderen. Maar hij moest nog een stukje weg afleggen om zich verder te informeren, om te komen tot het geloof in al zijn volheid, om werkelijk van de Heer te houden. De christelijke echtgenoten, Aquila en Priscilla, horen zijn betoog. Zij blijven niet passief of onverschillig. Het komt niet in hun hoofd op te denken: 'Hij weet al genoeg, niemand heeft ons opdracht gegeven hem te onderwijzen'. Omdat hun ziel vervuld was van een ware apostolische ijver gingen ze naar Apollos toe, namen hem mee en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit (Hand 18, 26).


270

Ook de houding van de apostel Paulus is te bewonderen. Hij zit gevangen, omdat hij de leer van Christus verkondigd heeft, maar hij laat geen gelegenheid voorbijgaan of hij gaat verder met het verkondigen van het evangelie. In aanwezigheid van Festus en Agrippa verklaart hij zonder aarzeling: Met Gods hulp houd ik stand tot op deze dag en leg getuigenis af voor klein en groot. Ik zeg niets anders dan wat ook de profeten en Mozes hebben verklaard dat gebeuren zou, namelijk dat de Christus moest sterven en dat Hij als eerste uit de opstanding der doden het licht zou verkondigen aan het volk en aan de heidenen (Hand 26, 22­23).

De apostel zwijgt niet, hij verbergt zijn geloof niet, noch zijn apostolisch optreden dat de oorzaak was van de haat van zijn vervolgers: hij blijft bezig aan iedereen het heil te verkondigen. En met een wonderbaarlijke durf gooit hij Agrippa voor de voeten: Koning Agrippa, gelooft gij in de profeten? Ik weet dat gij aan hen gelooft (Hand 26, 27). Het gesprek gaat verder. Agrippa: Bijna zoudt ge mij door uw overtuigende woorden christen maken. Daarop sprak Paulus: Ik zou God willen bidden dat vroeg of laat niet alleen gij, maar allen die mij heden aanhoren, zouden worden als ik ben, afgezien dan van deze boeien (Hand 26, 28­29).


271

Waar haalde de heilige Paulus die kracht vandaan? Omnia possum in eo qui me confortat! (Fil 4, 13). Alles kan ik in Hem die mij versterkt. Ik kan alles, want God alleen geeft me dit geloof, deze hoop, deze liefde. Het is mij bijna onmogelijk geloof te hechten aan het bovennatuurlijk succes van een apostolaat dat zijn fundament niet heeft in en volledig gericht is op een leven van intieme omgang met de Heer. En dan te midden van het werk, thuis en op straat, met alle al dan niet belangrijke problemen waarmee we elke dag geconfronteerd worden. Daar en niet ergens anders, maar met het hart bij God. Onze woorden, onze daden —zelfs onze ellende— zullen zo de bonus odor Christi (2 Kor 2, 15), de goede geur van Christus in de wereld zijn, die noodzakelijkerwijs door andere mensen opgemerkt zal worden als ze bij zichzelf zeggen: kijk, een christen.


272

Als u voor de verleiding zou bezwijken u af te vragen ‹wie zegt me, dat ik me daarmee moet bemoeien?›, dan zou ik u zeggen ‹Christus in eigen persoon beveelt het u›. Hij vraagt het u: De oogst is groot, maar werklieden zijn er weinig. Bidt daarom de Heer van de oogst dat Hij werklieden zendt in zijn wijngaard (Mat 9, 37­38). Wees geen lafaard en denk niet: ‹Wat kan ík daar nu voor een bijdrage leveren, er zijn al anderen die dat doen. Voor dat soort activiteiten ben ik niet in de wieg gelegd›. Nee, er is niemand anders. Als u dat zou kunnen zeggen, zou iedereen dat met evenveel recht kunnen zeggen. Dit verzoek van Christus is aan alle christenen en aan elk van hen afzonderlijk gericht. Niemand is ervan vrijgesteld, noch door leeftijd, noch door gezondheid, noch door werk. Er is geen enkel excuus denkbaar. Ofwel ons apostolaat brengt vrucht voort, of ons geloof is onvruchtbaar.


273

Bovendien, wie heeft bepaald dat het nodig is merkwaardige en vreemde dingen te doen om over Christus te spreken en om zijn leer te verbreiden? Leef uw gewone leven; werk waar u bent, zorg ervoor daar uw plichten van staat te vervullen, de verplichtingen van uw beroep of werk na te komen, steeds beter, elke dag uzelf verbeterend. Wees trouw en vol begrip voor anderen en veeleisend voor uzelf. Wees offervaardig en blijmoedig. Dat zal uw apostolaat zijn. En zonder dat u —door uw eigen armzaligheid— het kunt verklaren, zullen ze uit uw omgeving naar u toe komen en in een vanzelfsprekend gesprek, gewoon na het werk, bij een familiebijeenkomst, in trein of bus, tijdens een wandeling, waar dan ook, met u praten over de onrust die ieder in zijn binnenste heeft, hoewel sommigen dat niet duidelijk beseffen. Ze zullen die onrust pas begrijpen, als ze op weg gaan om God echt te zoeken.

Vraag aan Maria, Koningin der Apostelen, de vaste wil deel te hebben aan het verlangen naar 'oogst en vangst' dat zindert in het Hart van haar Zoon. Ik verzeker u, dat u —als u begint— net als de vissers uit Galilea zult zien, dat uw boot tot over de rand gevuld zal worden. En u zult ook Christus zien die op het strand op u wacht. Want de vangst is van Hem.


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende