Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Vrienden van God > Op weg naar heiligheid > Hst 18
294

Homilie gehouden op 26 november 1967

Wij zijn geraakt, ons hart slaat over bij het aandachtig beluisteren van de uitroep van de heilige Paulus: Want dit is Gods wil, uw heiliging (1 Tess 4, 3). Ik haal het me vandaag opnieuw voor de geest, en ook u en de hele mensheid herinner ik er aan: dit is de Wil van God, dat wij heilig mogen worden.

Om de zielen te vervullen van de rust van echte vrede, om de aarde te veranderen, om in deze wereld en door de dingen van de wereld God te zoeken, is uiteindelijk de persoonlijke heiligheid een conditio sine qua non. In mijn gesprekken met mensen uit tal van landen en uit allerlei sociale milieus wordt mij vaak gevraagd: ‹En wat hebt u ons, gehuwden, te zeggen, aan ons die op het land werken? Wat hebt u de weduwen te zeggen, wat de jongeren?›

Ik geef consequent als antwoord, dat ik maar 'één kookpot heb'. En ik onderstreep gewoonlijk, dat onze Heer Jezus Christus het goede nieuws aan allen, zonder enig onderscheid, verkondigd heeft. Eén enkele kookpot en één enkele spijs: Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft, en zijn werk te volbrengen (Joh 4, 34). Hij roept ieder individueel tot heiligheid en vraagt iedereen liefde: jongeren en grijsaards, alleenstaanden en gehuwden, gezonden en zieken, ontwikkelden en onwetenden, waar ze ook maar werken, waar ze ook maar wonen. Er is maar één manier om te groeien in vertrouwdheid en vertrouwen jegens God: met Hem omgaan in het gebed, met Hem spreken, Hem —van hart tot hart— onze genegenheid tonen.


295

Spreken met God

Als gij mij aanroept en tot Mij bidt, zal Ik u verhoren (Jer 29, 12). Wij roepen Hem aan en bidden al pratend, door ons tot Hem te richten. Dat is de reden waarom wij gehoor geven aan de aansporing van de Apostel: sine intermissione orate, bidt zonder ophouden (1 Tess 5, 17), wat er ook gebeurt. “Niet alleen van harte, maar van ganser harte” (H. Ambrosius, Expositio in Psalmum CXVIII, 19, 12 (PL 15, 1471)).

U zult denken, dat het leven niet altijd makkelijk is, dat er geen gebrek is aan onaangenaamheden, zorgen en verdriet. Met de apostel Paulus zal ik u antwoorden, dat noch de dood noch het leven, noch de engelen noch de boze geesten, noch wat is, noch wat zijn zal, en geen macht in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer (Rom 8, 38­39). Niets kan ons verwijderen van Gods genegenheid, van de Liefde zelf, van de ononderbroken verhouding met onze Vader.

Is het aanbevelen van een dergelijke voortdurende vereniging met God niet het voorhouden van een dusdanig verheven ideaal, dat het onbereikbaar zal blijken te zijn voor de meeste christenen? Het doel is inderdaad hoog gesteld, maar niet onbereikbaar. Het pad dat tot de heiligheid voert, is het pad van het gebed. En het gebed moet beetje bij beetje in de ziel toenemen, zoals het zaadje dat uitgroeit tot een lommerrijke boom.


296

We beginnen met mondgebeden die velen van ons van kindsbeen af gebeden hebben. Het zijn vurige en eenvoudige zinnen, gericht tot God en zijn Moeder, die onze Moeder is. Nog steeds herhaal ik, niet de ene dag wel en de andere niet, maar elke dag, 's ochtends en 's avonds het gebed dat mijn ouders mij leerden: ‹O lieve Vrouw, o Moeder mijn, laat mij geheel de uwe zijn; vandaag wijd ik als liefdeblijk u ogen, oren, tong gelijk¼› Is dat niet —op de een of andere manier— het begin van contemplatie, een onomstotelijk bewijs van vertrouwvolle zelfgave! Denk eens aan de zinnen van twee die elkaar beminnen. Wat doen ze? Alles wat ze zijn en hebben is voor hun beminde.

Eerst een schietgebed, dan nog een, en nog een¼ totdat deze godsvrucht onvoldoende lijkt, omdat woorden uiteindelijk maar pover zijn¼: men laat de goddelijke intimiteit haar gang gaan, in een beschouwen van God zonder rust of vermoeidheid. Wij leven dan verder als in boeien, in een kerker. Terwijl wij de werkzaamheden, die passen bij onze omstandigheden en ons beroep, ondanks onze vergissingen en beperkingen, zo volmaakt mogelijk verrichten, verlangt de ziel te ontsnappen. Zij gaat naar God, als een stuk ijzer dat door de magneet wordt aangetrokken. Zij begint Jezus op een effectieve manier lief te hebben, met een lieflijke ontroering.


297

U zal Ik uit uw gevangenschap verlossen, waar gij u ook maar bevindt (Jer 29, 14). Wij bevrijden ons uit de slavernij, door het gebed: wij ervaren dat wij vrij zijn en wij stijgen op in de huwelijkszang van de toegenegen ziel, een minnezang die ons doet verlangen nooit van God gescheiden te worden. Een nieuwe manier om deze aarde te bewandelen, een goddelijke, bovennatuurlijke, wonderbaarlijke manier. In het voetspoor van veel Spaanse auteurs uit de zestiende eeuw zouden wij misschien ook wel willen proeven hoe heerlijk het is, dat ikzelf niet meer leef. Christus is het die leeft in mij (vgl. Gal 2, 20).

Wij aanvaarden graag de noodzaak in deze wereld te werken, jarenlang, omdat Jezus hier beneden weinig vrienden heeft. Wij gaan de verplichting niet uit de weg te leven, op te branden —dat is de juiste uitdrukking— ten dienste van God en de Kerk. En wel in vrijheid: in libertatem gloriae filiorum Dei (Rom 8, 21), qua libertate Christus nos liberavit (Gal 4, 31); in de vrijheid van de kinderen Gods, voor welke vrijheid Christus ons heeft vrijgemaakt: door te sterven aan het kruishout.


298

Het is mogelijk, dat er van meet af aan stofwolken opgeworpen worden en dat vijanden van onze heiliging tegelijkertijd een zo hevige en goed georkestreerde techniek van psychologisch terrorisme —machtsmisbruik— aanwenden, dat zij ook mensen die er lange tijd een ander, logischer en juister gedrag op nahielden, in hun absurde richting meeslepen. Hun stem klinkt als een gebarsten klok die niet uit het goede metaal gegoten is; heel anders dan het gefluit van de herder. Zij halen het woord naar beneden dat een van de kostbaarste gaven is van God aan de mens, het allermooiste geschenk om de diepe gevoelens van liefde en vriendschap jegens God en zijn schepselen te doen blijken. Zij gaan daarin zover, dat op hen van toepassing is wat de heilige Jakobus zegt over de tong die naar zijn zeggen een wereld van ongerechtigheid (Jak 3, 6) is. De tong kan zoveel schade veroorzaken: leugens, beschimpingen, onteringen, bedrog, beledigingen, slinkse insinuaties.


299

De Allerheiligste Mensheid van Christus

Hoe kunnen wij die obstakels overwinnen? Hoe slagen wij er in standvastiger te worden in die beslissing die ons wel erg veel moeite lijkt te gaan kosten? Door het voorbeeld van de allerheiligste Maagd en onze Moeder tot bron van inspiratie te nemen: een prachtige, brede weg die ons noodzakelijkerwijs naar Christus voert.

Om dichter tot God te naderen moeten wij de juiste weg nemen en dat is de Allerheiligste Mensheid van Christus. Daarom raad ik altijd aan boeken te lezen over het lijden en sterven van onze Heer. Deze teksten vol oprechte vroomheid brengen ons de Zoon van God voor de geest, Mens zoals wij en werkelijk God, die liefheeft en naar het vlees lijdt voor de Verlossing van de wereld.

Beschouwt u eens een van de devoties die het diepst geworteld zijn in het christenvolk, het bidden van de rozenkrans. De Kerk spoort ons aan de geheimen ervan te overwegen, opdat door de blijdschap, de droefenis en de glorie van de heilige Maria in ons hoofd en in onze verbeelding het verbluffende voorbeeld ingeprent wordt van de Heer tijdens zijn dertig jaar verborgen leven, zijn drie jaar verkondiging, zijn smartelijk Lijden en zijn glorievolle Verrijzenis.

Christus volgen: dat is het geheim. Hem van zo nabij vergezellen, dat wij met Hem leven als de twaalf eersten; van zo nabij, dat wij ons met Hem vereenzelvigen. Laten wij niet langer dralen en, als wij de genade niets in de weg gelegd hebben, vaststellen dat wij bekleed zijn met de Heer Jezus Christus (vgl. Rom 13, 14). Ons gedrag geeft als een spiegel het beeld van de Heer weer. Als die spiegel deugdelijk is, zal hij het allerbeminnelijkste beeld van onze Verlosser weergeven zonder dit te misvormen, zonder lelijke trekken. De anderen zullen dan de mogelijkheid hebben Hem te bewonderen en te volgen.


300

In deze poging zich met Christus te vereenzelvigen heb ik altijd vier trappen onderscheiden: Hem zoeken; Hem vinden; met Hem omgaan; Hem beminnen. U zult misschien denken, dat u nog in de eerste fase bent. Zoek Hem vol honger, zoek Hem uit alle macht in uzelf. Als u met die inzet aan de slag bent gegaan, durf ik u te verzekeren, dat u Hem al ontmoet hebt en dat u al begonnen bent met Hem om te gaan en Hem te beminnen en dat u uw gesprek in de hemel voert (vgl. Fil 3, 20).

Ik smeek de Heer, dat wij zullen besluiten in onze ziel de enige edele ambitie te koesteren, de enige die de moeite waard is: een leven leiden naast Jezus zoals zijn gezegende Moeder en de heilige Patriarch deden, vol ijver, zelfverloochening, zonder iets te verwaarlozen. Wij zullen deel hebben in het geluk van de vriendschap met God —met een ingetogenheid die verenigbaar is met onze beroeps- en burgerplichten— en Hem danken voor de fijngevoeligheid en duidelijkheid waarmee Hij ons leert de Wil van onze Vader die in de hemel woont, te volbrengen.


301

Vergeet dan echter niet, dat het samenzijn met Christus, zeker wil zeggen, dat we zijn kruis tegenkomen. Als wij onszelf in Gods hand stellen, laat Hij ons regelmatig zorgen, eenzaamheid, tegenstand, laster, smaad en hoongelach ondergaan, zowel innerlijk als uiterlijk. Dat is omdat Hij ons wil vormen naar zijn beeld en gelijkenis. Hij laat zelfs toe, dat we dwazen genoemd worden en voor gek worden aangezien.

Dat is het moment om de passieve versterving te omhelzen die —misschien verdoken, of juist zonder masker en onbeschaamd— komt, als wij haar het minst verwachten. Het kan voorkomen dat schapen gewond raken door de stenen die bedoeld waren voor de wolven: wie Christus volgt, zal aan den lijve ervaren dat de mensen die van hem zouden moeten houden, tegenover hem een gedrag vertonen dat gaat van wantrouwen tot vijandigheid, van argwaan tot haat. Zij bekijken hem met achterdocht, alsof zij te doen hebben met een leugenaar, want zij geloven niet dat je een persoonlijke verhouding met God, een innerlijk leven, kunt hebben. Tegenover de atheïst en de onverschillige daarentegen, die gewoonlijk weerspannig en schaamteloos zijn, zijn ze vol vriendelijkheid en begrip.

De Heer laat misschien toe, dat zijn leerling zich aangevallen ziet met het wapen dat nooit eervol is voor wie het ter hand neemt, het wapen van de persoonlijke beledigingen; of een aanval met gemeenplaatsen die de tendentieuze en misdadige vrucht zijn van een massieve en leugenachtige campagne. Niet iedereen is immers begiftigd met goede smaak en niet iedereen weet maat te houden.

Het is niet te verwonderen dat zij die een wankelmoedige theologie en een lakse en ongebreidelde moraal aanhangen, zij die volgens de eigen grillen een twijfelachtige liturgie vieren met een 'hippiediscipline' en onder onverantwoorde- lijke leiding, zich afzetten met heftige jaloezie, verdachtmakingen, valse aanklachten, beledigingen, mishandelingen, vernederingen, lasterpraatjes en kwellingen van allerlei soort tegen diegene die alleen maar van Jezus Christus spreken.

Zo beitelt Jezus de zielen van de zijnen zonder na te laten hun innerlijk rust en vreugde te verschaffen. Zij weten immers, dat de duivels —met honderd leugens tegelijk— niet in staat zijn een waarheid te creëren. Hij grift in hun levens de overtuiging, dat zij zich alleen op hun gemak zullen voelen als zij besluiten het gemak niet meer te zoeken.


302

In het werkelijk bewonderen en beminnen van de Allerheiligste Mensheid van Jezus zullen wij een voor een zijn wonden ontdekken. En in die ogenblikken van lijdelijke loutering, moeizame harde momenten, met zoete en bittere tranen die wij trachten te verbergen, zullen wij ons genoopt voelen ons in elk van die allerheiligste wonden te nestelen: om ons te louteren, ons te verheugen in dat verlossende Bloed, ons te sterken. Als de duiven uit het Hooglied (vgl. Hoogl 2, 14), die bij de storm onderdak vinden in de rotsspleten, zullen wij onze toevlucht tot Hem nemen. Zijn wonden zullen onze wijkplaats zijn, daar zullen wij de intimiteit van Christus vinden. Wij zullen zien dat zijn wijze van spreken vredig is en zijn gelaat schoon (vgl. Ibidem). “Zij immers die weten dat zijn stem aangenaam en beminnelijk is, zij hebben de genade van het evangelie ontvangen, waardoor zij zeggen: Gij hebt woorden van eeuwig leven” (H. Gregorius van Nyssa, In Canticum Canticorum homiliae, 5 (PG 44, 879)).


303

Laten we niet denken, dat op dit pad van de contemplatie de hartstochten definitief tot zwijgen gebracht zijn. Wij zouden onszelf een rad voor ogen draaien, als wij zouden denken dat de vurige ijver om Christus te zoeken, de werkelijke ontmoeting en omgang met Hem en de zoetheid van zijn liefde ons veranderen in mensen die niet meer kunnen zondigen. Hoewel u geen gebrek aan ervaring hebt, wil ik u toch even hieraan herinneren. De vijand van God en de mens, Satan, geeft zich niet gewonnen en rust niet. Hij belegert ons, zelfs als de ziel ontbrand is in een vurige liefde tot God. Hij weet, dat het vervallen tot zonde dan moeilijker is, maar ook dat hij —als hij erin slaagt dat schepsel zijn Heer te laten beledigen, al is het maar een beetje— in die ziel de verleiding van de wanhoop kan opwekken.

Als u van de ervaring van een arme priester wilt leren die niets anders wil dan over God spreken, zou ik u de raad willen geven, dat u, als het vlees zijn verloren rechten wil terugvorderen, of als de hoogmoed —wat erger is— zich verzet en giftig wordt, u haast om u te verschuilen in die goddelijke wonden die, in het Lichaam van Christus, werden geopend door de spijkers die Hem aan het Kruis nagelden en door de lans die zijn zijde doorboord heeft. Ga, zoals uw hart het u ingeeft: stort in de Wonden van de Heer al deze menselijke liefde uit¼ en deze goddelijke liefde. Dat is verlangen naar eenwording, zich broer en zus van Christus voelen, kind van hetzelfde bloed, kind van dezelfde Moeder, want zij immers heeft ons naar Christus gevoerd.


304

Het heilig Kruis

Verlangen tot aanbidding, zucht tot eerherstel, kalmte en bereidheid tot lijden. Dan leeft in uw leven het woord van Jezus: wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig (Mat 10, 38). En de Heer zal elke keer meer blijken te eisen. Hij vraagt ons genoegdoening en boete tot Hij ons zover krijgt dat wij vurig verlangen voor God te leven, aan het kruis genageld met Christus (Gal 2, 19). Maar wij dragen deze schat in aarden potten, broos en breekbaar, opdat duidelijk blijkt, dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons (2 Kor 4, 7).

Wij worden aan alle kanten bestookt, maar raken toch niet klem; wij zien geen uitweg meer, maar zijn nooit ten einde raad; wij worden opgejaagd, maar niet in de steek gelaten; wij worden neergeveld, maar gaan er niet aan dood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee (2 Kor 4, 8­10).

Verder verbeelden wij ons, dat de Heer niet naar ons luistert, dat alleen de monoloog van onze stem opklinkt. Wij ontdekken, dat er geen aardse steun is en dat wij door de Hemel verlaten zijn. Toch hebben wij een werkelijke en feitelijke afkeer van de zonden, ook van de dagelijkse. Met de koppigheid van de Kananese vrouw knielen wij vol toewijding neer, zoals zij die Hem aanbad door te smeken: Heer, help mij (Mat 15, 25). De duisternis zal verdwijnen: het licht van de liefde zal zegevieren.


305

Dit is het ogenblik om uit te roepen: herinner U de beloften die Gij mij gedaan hebt om mij met hoop te vervullen; dat troost mij, want ik ben niets en het vervult mijn leven met kracht (vgl. Ps 119, 49­50). De Heer wil, dat wij op hem rekenen, in alles. Het is ons duidelijk dat wij zonder Hem niets vermogen (vgl. Joh 15, 5), maar dat met Hem geen zee ons te hoog gaat (vgl. Fil 4, 13). Ons besluit altijd voort te gaan in zijn tegenwoordigheid wordt bevestigd (vgl. Ps 119, 167).

Met de verlichting door God van ons schijnbaar inactieve verstand is het duidelijk, dat de Schepper die zorg heeft voor allen —ook voor zijn vijanden— de meeste zorg zal hebben voor zijn vrienden. Wij kunnen ervan overtuigd zijn, dat ons geen kwaad of tegenspoed kan overkomen, dat zich niet ten goede zal wenden. Blijdschap en vreugde worden in onze geest dusdanig versterkt, dat geen menselijk motief ons die kan ontrukken, omdat deze 'bezoekingen' steeds iets van Hem in ons achterlaten, iets goddelijks. Wij zullen God onze Heer loven, die grote ondoorgrondelijke dingen in ons verricht heeft (vgl. Job 5, 9), en begrijpen, dat wij geschapen zijn met het vermogen een onuitputtelijke schat te bezitten (vgl. Wijsh 7, 14).


306

De Allerheiligste Drie-eenheid

Wij waren begonnen met mooie en betoverende mondgebeden die wij leerden, toen wij klein waren en die wij ons leven lang niet graag zouden vergeten. Het gebed dat met zo'n kinderlijke onschuld begon, ontwikkelt zich nu tot een brede, kalme en gestage stroom, omdat deze gelijke tred houdt met Hem die zei: Ik ben de Weg (Joh 14, 6). Als wij Christus zo liefhebben, als wij met goddelijke vermetelheid onze toevlucht zoeken in de opening die de lans achterliet in zijn Zijde, zal de belofte van de Meester in vervulling gaan: Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen (Joh 14, 23).

Het hart heeft dan behoefte aan het onderscheiden en aanbidden van ieder van de drie goddelijke Personen afzonderlijk. Het is op een bepaalde manier een ontdekking die de ziel doet in het bovennatuurlijk leven, zoals een pasgeboren kind dat de ogen opent voor het leven. En de ziel onderhoudt zich liefdevol met de Vader en met de Zoon en met de Heilige Geest. En zij onderwerpt zich gemakkelijk aan de werking van de levendmakende Parakleet die zich, zonder dat wij het verdienen, aan ons overlevert: zijn gaven en de bovennatuurlijke deugden.


307

Gelijk het hert dat reikt naar waar het water stroomt (Ps 42, 2) zijn wij toegesneld; dorstig, met een mond die schreeuwt om water, droog en gevoelloos. Wij willen drinken uit deze bron met levend water. Deze bron droogt nooit op. Gedurende de dag vermeien wij ons in de frisse en overvloedige waterstromen die opborrelen ten eeuwigen leven (vgl. Joh 4, 14). Woorden schieten te kort, omdat dit niet in taal uitgedrukt kan worden; het verstand komt tot rust. Het redeneren verstomt, het aanschouwen begint. En de ziel barst opnieuw uit in zingen en heft een nieuw gezang aan, want zij voelt en weet, dat God haar met verliefde blik beziet, elk uur van de dag.

Ik heb het hier niet over uitzonderlijke omstandigheden. Het zijn, althans het kunnen heel goed zijn, de gewone verschijnselen van onze ziel: een liefderijke dwaasheid die ons leert lijden en leven, omdat God de Wijsheid verleent. Wat een hemelse rust, wat een vrede heerst er dan op de smalle weg die voert naar het leven! (Mat 7, 14).


308

Ascese? Mystiek? Daar maak ik me geen zorgen om. Laat het ascese zijn, ofwel mystiek; wat doet het er toe? Het is een gunst van God. Als u probeert te mediteren, zal God zijn hulp niet weigeren. Geloof en geloofsdaden: daden, want de Heer —u hebt het vanaf het begin kunnen vaststellen, en ik heb het op zijn tijd onderstreept— eist elke dag meer. Dit is al contemplatie en eenwording. Zo zou het leven van veel christenen moeten zijn, ieder vooruitgaand op zijn eigen geestelijke weg —en dat zijn er ontelbaar veel— tijdens de bezigheden in de wereld, ook al zijn zij zich dat niet bewust.

Een gebed en een gedrag die ons niet afhouden van onze gewone activiteiten, die ons te midden van deze nobele, aardse inspanning naar de Heer leiden. Alle doen en laten verheffen tot de Heer, zo vergoddelijkt het schepsel de wereld. Ik heb heel vaak de mythe van koning Midas verteld die alles wat hij aanraakte in goud veranderde. In het goud van bovennatuurlijke verdiensten kunnen wij alles veranderen wat wij aanpakken, ondanks onze persoonlijke missers.


309

Zo gaat onze God te werk. Als die zoon terugkomt, na zijn geld in een slecht leven verspild te hebben, na —en dat is het ergste— zijn vader vergeten te zijn, zegt de vader: Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan. Haalt het gemeste kalf; laten we eten en feestvieren (Luc 15, 22­23). Als wij met een rouwmoedig hart bij God onze Vader komen, brengt Hij uit onze armetierigheid rijkdom, uit onze zwakte kracht te voorschijn. Wat zal Hij ons niet bereiden, als wij Hem niet links laten liggen, als wij elke dag veelvuldig met Hem omgaan, als wij de liefde die wij in woorden uitspreken met daden bewijzen, als we overtuigd van zijn almacht en barmhartigheid alles aan Hem vragen? Alleen al omdat zijn zoon, na hem in de steek gelaten te hebben, terugkomt, bereidt hij een feest; waarmee zal Hij ons dan wel niet verblijden, als wij zorgen altijd aan zijn zijde te verkeren?

Laten we dus vooral niet blijven denken aan de beledigingen die we moesten incasseren, aan de vernederingen die we ondergaan hebben —hoe onterecht, onheus en onbehouwen ook— het past niet bij een kind van God een boekhouding bij te houden om een staat van beledigingen te kunnen tonen. Wij kunnen het voorbeeld van Christus niet vergeten, noch ons katholieke geloof uittrekken als een jas: het kan zwakker of sterker worden, of verloren raken. Met een dergelijk bovennatuurlijk leven wordt het geloof verstevigd, maar de ziel schrikt bij het zien van de ellendige menselijke naaktheid zonder het goddelijke. Dus vraagt zij vergeving en betoont haar dankbaarheid: God, als ik mijn povere leven beschouw, vind ik niets om me op te beroemen en nog minder om trots op te zijn. Ik zie alleen maar redenen om altijd nederig en boetvaardig te leven. Ik weet heel goed, dat de grootste adeldom bestaat uit dienen.


310

Levend gebed

Ik sta op en doorkruis de stad, zoek op pleinen en in straten naar mijn zielsbeminde... (Hoogl 3, 2). En niet alleen de stad: ik zal me van het ene eind van de wereld naar het andere haasten —naar alle naties, alle volken; over paden en binnenwegen— om vrede te vinden voor mijn ziel. En die zal ik vinden in de dagelijkse bezigheden, die me daarbij volstrekt niet in de weg staan. Zij zijn juist het slingerpad van de steeds grotere liefde tot God, de drijfveer Hem meer en meer te beminnen, mij meer en meer met Hem te verenigen.

En wanneer we —hevig— bekoord worden door ontmoediging, weerstand, strijd, verwarring, door een nieuwe nacht in de ziel, legt de psalmist ons deze woorden in de mond, en in het verstand: Ik ben met hem in de nood (Ps 91, 15). Wat is, Jezus, mijn kruis waard tegenover het uwe? Wat stellen mijn schrammen voor tegenover uw wonden? Wat betekent tegenover uw onmetelijke, zuivere en grenzeloze liefde deze armzalige last die Gij op mijn schouders hebt gelegd? En uw hart, en het mijne, zullen vervuld worden door een heilig verlangen en —met daden— belijden wij, dat 'wij sterven van liefde' (vgl. Hoogl 5, 8).

Er ontstaat een dorst naar God, een hevig verlangen zijn tranen te begrijpen; zijn glimlach te zien, zijn aangezicht¼ Bedenk, dat de beste manier om dat onder woorden te brengen is het citeren van de woorden uit de Heilige Schrift: Gelijk het hert dat reikt naar waar het water stroomt, zo in verlangen reikt mijn ziel naar U, o God (Ps 42, 2). En de ziel raakt steeds meer vertrouwd met God, vergoddelijkt: de gedoopte is als een dorstige reiziger die zijn mond opent voor de wate- ren van de bron (vgl. Sir 26, 12).


311

Met deze overgave ontbrandt de apostolische ijver en vermeerdert zich elke dag —en zij steekt de anderen aan met deze ijver—. Het goede heeft immers een sterke uitstraling. Het is niet mogelijk, dat onze arme natuur, zo dicht bij God, niet brandt van verlangen deze blijdschap in de hele wereld uit te zaaien, alles te bevloeien met de verlossende wateren die ontspringen aan de geopende Zijde van Christus (vgl. Joh 19, 34), alle taken aan te pakken en af te maken uit liefde.

Ik heb u eerder al gesproken over smart, lijden en tranen. En ik spreek mezelf niet tegen als ik vaststel dat voor een leerling, die de Meester liefdevol zoekt, verdriet, inspanningen en beledigingen anders smaken. Deze verdwijnen in de mate waarin men de Wil van God werkelijk aanvaardt, waarin men zijn plannen met graagte uitvoert, als trouwe kinderen, ook al lijkt het, dat de zenuwen het begeven, ook al lijkt de kwelling ondraaglijk.


312

Dagelijks leven

Ik hecht er aan nogmaals te verklaren dat ik niet spreek over een uitzonderlijke manier om christelijk te leven. Laat ieder van ons eens nadenken over wat God voor hem heeft gerealiseerd en wat het antwoord daarop is geweest. Als wij in dit persoonlijk gewetensonderzoek dapper zijn, zullen wij ontdekken wat er nog altijd aan schort. Gisteren was ik ontroerd, toen ik hoorde vertellen over een Japanse doopleerling die catechismusles gaf aan anderen die Christus nog niet eens kenden. En ik schaamde me. Wij hebben meer geloof nodig, meer geloof: en, met het geloof, contemplatie!

Overweeg nog eens in alle rust die goddelijke vermaning die de ziel vervult van onrust en, tegelijkertijd, de geneugten van suikerbrood en honing brengt: redemi te, et vocavi te nomine tuo: meus es tu (Jes 43, 1); ik heb u verlost, geroepen bij uw naam: gij zijt van Mij. Laten wij God niet ontstelen wat van Hem is. Een God die ons zozeer heeft liefgehad, dat Hij voor ons gestorven is, die ons van eeuwigheid, voor de schepping der wereld, uitverkoren heeft, opdat wij heiligen zullen zijn in zijn aanwezigheid (vgl. Ef 1, 4); en die ons zonder ophouden gelegenheden biedt tot loutering en overgave.

Als wij nog enige twijfel zouden hebben, krijgen wij nog een ander bewijs van zijn lippen: Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u, en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten voort te brengen die blijvend mogen zijn, vruchten van uw werk als contemplatieve zielen (vgl. Joh 15, 16).

Nu, geloof, bovennatuurlijk geloof. Als het geloof verslapt, krijgt de mens de neiging zich God voor te stellen alsof Hij ver verwijderd is, zonder Zich ook maar enigszins om zijn kinderen te bekommeren. Men beschouwt de godsdienst als iets extra's voor wanneer er geen andere keuze is en verwacht —zonder te weten waarom— zwierige uitingen, ongewone gebeurtenissen. Wanneer het geloof zindert in de ziel, ontdekt men daarentegen dat de schreden van de gelovige gelijk opgaan met het gewone dagelijkse leven. En dat deze grote heiligheid, die God van ons vraagt, hier en nu besloten ligt in de kleine dingen van elke dag.


313

Ik spreek graag over de weg, want wij zijn reizigers, op weg naar het hemelhuis, naar ons Vaderland. Let wel op, dat een weg, ook al doemen er op korte afstand bijzondere moeilijkheden op, al moeten wij nu eens een rivier doorwaden, dan weer een vrijwel ondoordringbaar bos doorkruisen, meestal iets gewoons is zonder verrassingen. Het gevaar zit in de routine: denken dat God niet hier, in elk moment aanwezig is, omdat het zo simpel en gewoon is.

Die twee leerlingen waren op weg naar Emmaüs. Hun gang was gewoon, zoals van zoveel anderen die die streek doorkruisten. Dan doemt, op heel natuurlijke wijze, Jezus voor hen op. Samen met Hem gaan zij verder, met een gesprek dat de vermoeidheid verdrijft. Ik stel mij dat tafereel voor: het begint al avond te worden. Er waait een vriendelijke bries. Rondom hun, akkers waarop de tarwe al uitschiet en verder oude olijfbomen, de bladeren zilverig door het gefilterde licht.

Jezus op weg. Heer, hoe groot zijt Gij altijd! U ontroert me echter, wanneer Gij U aan ons gelijk maakt om ons te volgen, ons te zoeken, in ons dagelijks gezwoeg. Heer, verleen ons de eenvoud van geest, de heldere blik, de klaarheid van verstand die het mogelijk maken U te begrijpen, als U zonder enig uiterlijk teken van uw heerlijkheid komt.


314

De tocht is ten einde als zij het dorp binnengaan. En die twee die —zonder dat zij het zich bewust zijn— diep in hun hart gewond zijn door het woord en de liefde van de Mensgeworden God, merken dat Hij weggaat, want Jezus deed alsof Hij verder moest gaan (Luc 24, 28). De Heer dringt zich nooit op. Hij wil, dat wij Hem uit vrije wil roepen, zodra wij een glimp hebben opgevangen van de zuiverheid van de liefde die ons in het hart gelegd is. Wij moeten Hem met kracht tegenhouden en aandringen: Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde (Luc 24, 29), het wordt nacht.

Zo zijn wij: altijd weinig stoutmoedig, misschien uit onoprechtheid, misschien uit schaamte. Uiteindelijk denken wij: blijf bij ons, omdat onze ziel geteisterd wordt door verduisteringen, en alleen Gij zijt licht, alleen Gij kunt het vuur bedaren dat ons verteert. “Tussen alle aangename, eerbare zaken is ons niet onbekend welke de eerste is: God altijd bezitten” (H. Gregorius van Nazianze, Epistolae, 212 (PG 37, 349)).

En Jezus blijft. Onze ogen openen zich zoals die van Kleofas en zijn metgezel, toen Christus het brood brak. En ook al zou Hij weer uit ons blikveld verdwijnen, dan zullen wij toch in staat zijn weer op pad te gaan —het donkert— om de anderen over Hem te spreken, want zoveel blijdschap laat zich niet in een borst opsluiten.

De weg naar Emmaüs. Door onze Heer heeft dat begrip een zoete klank gekregen. En Emmaüs is de hele wereld, want de Heer heeft de goddelijke wegen van de aarde ontsloten.


315

Met de heilige Engelen

Vraag de Heer dat wij, zolang wij op deze aardkloot verblijven, ons nooit afscheiden van deze goddelijke reiziger. Laten wij daartoe ook onze vriendschap met de heilige Engelbewaarders doen groeien. Wij hebben allemaal veel gezelschap nodig: gezellen van de hemel en van de aarde. Wees verknocht aan de heilige engelen. Vriendschap is zeer menselijk, maar ook zeer goddelijk, net als ons leven dat goddelijk en menselijk is. Bent u het eens met wat de Heer zegt: Ik noem u geen dienaars meer, maar vrienden (Joh 15, 15). Hij leert ons vertrouwen te hebben in de vrienden van God die al in de hemel vertoeven en met de schepselen met wie wij het leven hier delen, ook met hen die van de Heer afgescheiden lijken te zijn, om hen weer in het goede spoor te helpen.

Ik zal eindigen met de woorden van de heilige Paulus aan de christenen van Kolosse te herhalen: Wij houden dan ook niet op voor u te bidden. Wij smeken God u alle wijsheid en geestelijk inzicht te schenken, zodat gij zijn wil volledig verstaat (Kol 1, 9). Wijsheid die evenredig is met het gebed, de contemplatie, de instorting van de Parakleet in onze ziel.

Zodat u een leven leidt dat de Heer waardig is en Hem in alles behaagt. Moogt gij vruchten voortbrengen van actieve goedheid op allerlei gebied en tevens toenemen in de waarachtige kennis van God. Moge Hij u in zijn heerlijke kracht machtig sterken om alles uit te houden en alles te verdragen. Zegt met blijdschap dank aan de Vader die u in staat stelde te delen in de erfenis van de heiligen in het licht. Hij heeft ons ontrukt aan het domein van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon (Kol 1, 10­13).


316

Moge de Moeder Gods en onze Moeder ons behoeden, opdat ieder van ons in de volheid van het geloof de Kerk zal kunnen dienen, met de gaven van de Heilige Geest en met een contemplatief leven. Laat eenieder zijn persoonlijke verplichtingen nakomen. Laat eenieder in zijn ambt en beroep, in het nakomen van zijn plichten van staat de Heer vol vreugde eer brengen.

Bemin de Kerk, dien haar met blijdschap, wetend dat u uit liefde tot dit dienstwerk hebt weten te besluiten. En zo wij ooit zouden moeten zien dat er mensen zijn die zonder hoop voortgaan, zoals die twee van Emmaüs, laten wij hen dan tegemoet treden met geloof —niet op eigen titel, maar uit naam van Christus— om hen te verzekeren, dat de belofte van Christus altijd in vervulling zal gaan, dat Hij altijd waakt over zijn Bruid en Haar nooit in de steek zal laten. Laat de duisternissen maar komen, wij immers zijn de kinderen van het licht (vgl. Ef 5, 8) en zijn geroepen tot een leven zonder eind.

En Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij. En Hij die op de troon is gezeten sprak: Zie, Ik maak alles nieuw. —En ik hoorde zeggen: Schrijf deze woorden op, zij zijn onfeilbaar waar. Nog zei Hij tot mij: Het is gebeurd! Ik ben de Alfa en de Omega, de oorsprong en het einde. Wie dorst heeft, zal ik te drinken geven uit de bron van het water des levens, om niet. Wie overwint zal dit alles krijgen, om niet. Ik zal zijn God zijn en hij mijn zoon (Apok 21, 4­7).

??

(..vervolg)


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige