Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Vrienden van God > De omgang met God > Hst 9
142

Homilie gehouden op 5 april 1964, Beloken Pasen

Beloken Pasen doet me altijd denken aan een oude en vrome traditie uit mijn geboortestreek. Op die dag waarop de liturgie oproept te verlangen naar het geestelijk voedsel —rationabile, sine dolo lac concupiscite (1 Petr 2, 2 (Introïtus van de Mis)), weest begerig naar de onvervalste geestelijke melk—, was het vroeger gewoonte de Heilige Communie naar de zieken —niet alleen naar de ernstige gevallen— te brengen, opdat zij hun paasplicht zouden kunnen vervullen.

In enkele grote steden organiseerde elke parochie een sacramentsprocessie. Ik herinner me uit mijn studentenjaren aan de universiteit hoe het vaak voorkwam dat er wel drie stoeten passeerden over de hoofdstraat van Zaragoza waarin alleen mannen meeliepen —duizenden mannen— met grote brandende kaarsen. Een robuust volk dat de Heer in het Allerheiligste begeleidde met een geloof dat groter was dan die enorme kaarsen die kilo's wogen.

Toen ik vannacht een paar keer wakker werd, heb ik bij wijze van schietgebed telkens herhaald quasi modo geniti infantes (Ibidem), als pasgeboren kinderen. Ik dacht dat die aansporing van de Kerk goed van pas komt voor allen die zich de werkelijkheid van het kindschap Gods bewust zijn. Het zou mooi zijn als wij heel robuust zouden zijn, heel sterk, met een wilskracht die in staat is onze omgeving te beïnvloeden. Maar toch, wat is het goed ons tegenover God te beschouwen als kleine kinderen.

Wij zijn kinderen van God

Quasi modo geniti infantes, rationabile, sine dolo lac concupiscite (1 Petr 2, 2 (Introïtus van de Mis)): weest als pasgeboren kinderen begerig naar de onvervalste geestelijke melk. Dit is een prachtig vers van Petrus en ik begrijp heel goed, dat de liturgie er op laat volgen: exsultate Deo adiutori nostro: iubilate Deo Jacob (Ps 81, 2 (Introïtus van de Mis)), jubelt voor God, onze Sterkte; juicht de God van Jacob ter eer, die ook onze Heer en Vader is. Toch zou ik willen dat wij, u en ik, vandaag niet het heilig sacrament des altaars, dat zo makkelijk aan ons hart de meest verheven lofzangen voor Jezus ontlokt, tot voorwerp van onze overwegingen maken; maar de zekerheid van het kindschap Gods, en ook een paar gevolgen daarvan voor allen die ernaar streven hun christelijk geloof serieus te beleven.


143

Om redenen die hier niet ter zake zijn —maar welke Jezus die ons leidt vanuit het Tabernakel, heel goed kent— heeft mijn leven me ertoe gebracht op bijzondere wijze te weten dat ik kind van God ben. En ik heb de vreugde gesmaakt me aan het hart van mijn Vader te vlijen, ter betering, om me van smetten te bevrijden, om Hem te dienen, om allen te begrijpen en te verontschuldigen, op grond van zijn liefde en mijn vernedering.

Daarom wil ik nu met nadruk wijzen op de noodzaak dat u en ik ons vermannen, dat we ontwaken uit die slaap van de zwakte die ons zo gemakkelijk doet insluimeren. En dan zullen we op een dieper en tegelijk directer manier besef krijgen van wat het betekent kind van God te zijn.

Het voorbeeld van Jezus, heel het leven van Christus in Palestina helpt ons dieper in die waarheid door te dringen. Als wij het getuigenis van mensen aannemen, lezen we in het Epistel, Gods getuigenis is meer waard (1 Joh 5, 9). En waarin bestaat het getuigenis van God? Opnieuw is Sint Jan aan het woord: Hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft. Wij worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook¼ Veelgeliefden, nu reeds zijn we kinderen van God (1 Joh 3, 1­2).

In de loop der jaren heb ik getracht mij zonder onderbreking op deze blijde realiteit te verlaten. Mijn gebed is —in alle omstandigheden— altijd hetzelfde geweest, in verschillende toonaarden. Ik heb gezegd: Heer, U hebt mij hier neergezet; U hebt mij dit of dat toevertrouwd en ik heb vertrouwen in U. Ik weet dat U mijn Vader bent en ik heb steeds gezien, dat kleine kinderen altijd een onvoorwaardelijk vertrouwen in hun ouders hebben. Mijn ervaring als priester heeft me bevestigd, dat deze overgave in Gods hand de zielen aanzet zich een sterke, grote en serene vroomheid te verwerven die hen ertoe brengt altijd te werken met een zuivere bedoeling.


144

Het voorbeeld van Jezus Christus

Quasi modo geniti infantes¼ Het heeft mij vreugde verschaft overal deze mentaliteit van kleine kinderen van God te verspreiden. Door deze mentaliteit kunnen we meer genieten van de woorden die we ook in de liturgie van de Mis vinden: al wat uit God geboren is, is overwinnaar van de wereld (1 Joh 5, 4), komt alle moeilijkheden te boven, behaalt de overwinning in die grote slag om vrede in de zielen en in de samenleving.

Onze wijsheid en onze kracht bestaan juist in het besef van onze kleinheid en ons niets zijn voor het aangezicht van God. Tegelijkertijd moedigt Hij ons aan met vertrouwvolle zekerheid te handelen en Jezus Christus, zijn Eniggeboren Zoon, ondanks onze fouten en persoonlijke gebreken te verkondigen, mits er naast onze zwakte geen gebrek is aan strijd met het doel om te winnen.

U hebt mij vaak deze raad uit de Heilige Schrift horen aanhalen: discite benefacere (Jes 1, 17), leert het goede te doen, want het is zeker dat wij moeten leren en onderrichten het goede te doen. Laten we bij onszelf beginnen. We leggen ons erop toe te ontdekken wat het goede is, dat we moeten nastreven, voor ieder van ons, vooral voor onze vrienden, voor iedereen. Ik ken geen betere weg om de grootheid van God te overwegen dan door te leren Hem te dienen vanuit het onzegbare en eenvoudige oogmerk dat Hij onze Vader is en wij zijn kinderen zijn.


145

Slaan we opnieuw onze ogen op naar de Meester. Misschien hoort u nu ook het verwijt aan het adres van Tomas: Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig, maar gelovig (Joh 20, 27). En, net als bij de apostel, zal uit uw ziel met oprecht berouw deze kreet opwellen: mijn Heer en mijn God (Joh 20, 28). Ik erken u definitief als mijn Meester en nu en altijd zal ik uw lessen als een schat bewaren en mij inspannen deze trouw te volgen.

Een paar bladzijden eerder in het evangelie beleven we opnieuw het tafereel waarin Christus zich teruggetrokken heeft om te bidden. En de leerlingen staan om Hem heen en kijken waarschijnlijk naar Hem. Als het gebed beëindigd is, besluit er één Hem te vragen: Heer, leer ons bidden, zoals Johannes het ook aan zijn leerlingen geleerd heeft. Hij sprak tot hen: wanneer ge bidt, zegt dan: Vader, uw Naam worde geheiligd (Luc 11, 1­2).

Let op het verrassende in dit antwoord: de leerlingen delen het leven van Jezus Christus en terwijl Hij met hen praat, duidt de Heer hun hoe ze moeten bidden. Hij openbaart hun het grote geheim van de goddelijke barmhartigheid: wij zijn kinderen van God en kunnen vol vertrouwen met Hem omgaan, zoals een kind praat met zijn vader.

Ik zie hoe sommigen het beoefenen van de vroomheid —de omgang van een christen met zijn Heer— benaderen. Ik krijg dan een onaangenaam beeld, theoretisch, vol formules, altijd dezelfde onbezielde liedjes die meer de anonimiteit bevorderen dan het persoonlijk gesprek, het tête-à-tête met God onze Vader. Een authentiek mondeling gebed is echter nooit anoniem. Ik herinner me dan die raad van de Heer: Als gij bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden; want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden. Volgt hun voorbeeld dus niet na, want vóórdat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt (Mat 6, 7­8). In het commentaar van een Kerkvader lezen we: “Ik denk dat Christus ons vraagt het uitgebreide gebed te vermijden; en uitgebreid niet gerekend naar de tijd, maar naar de eindeloze hoeveelheid woorden¼ De Heer zelf heeft ons de weduwe ten voorbeeld gesteld die door haar aanhoudende smeekbeden de weerstand van de onrechtvaardige rechter overwon. En ook het voorbeeld van de vriend die ongelegen komt, midden in de nacht en die meer door zijn koppigheid dan door vriendschap bereikt dat zijn vriend het bed uit komt (vgl. Luc 11, 5­8; 18, 1­8). Met die voorbeelden spoort Hij ons aan volhardend te vragen, niet met gebeden zonder eind, maar door Hem onze noden eenvoudig voor te leggen” (H. Johannes Chrysostomus, In Matthaeum homiliae, 19, 4 (PG 57, 278)).

En als het u ondanks alles aan het begin van uw gebed niet lukt uw aandacht te concentreren om met God te spreken, als u zich dor voelt, als uw hoofd geen enkele gedachte kan formuleren en uw hart ongevoelig blijft, dan raad ik u aan, wat ik in dergelijke omstandigheden altijd doe: Stel u in de aanwezigheid van uw Vader en zeg Hem tenminste ‹Heer, ik weet niets te bidden, er schiet me niets te binnen om aan U te zeggen¼›. En u kunt er zeker van zijn, dat u op datzelfde moment begonnen bent met bidden.


146

Vroomheid, de houding van een kind

De vroomheid die uit het goddelijk kindschap voortkomt is een grondhouding van de ziel die uiteindelijk het hele bestaan vervult. Vroomheid is aanwezig in alle gedachten, alle verlangens, in alles waar ons hart naar uitgaat. Hebt u nooit opgemerkt dat kinderen —zonder dat ze het zich bewust zijn— in gezinnen hun ouders imiteren? Ze herhalen hun gebaren, nemen gewoonten over, ze vereenzelvigen zich in hun gedrag op heel wat manieren met hen.

Hetzelfde kan gebeuren met het gedrag van een goed kind van God. Het ondergaat ook —zonder te weten hoe of langs welke weg— die geweldige 'vergoddelijking' die ons helpt de gebeurtenissen te zien met de bovennatuurlijke dimensie van het geloof. Men houdt van alle mensen, zoals onze Vader in de Hemel van hen houdt. En —dat is wat telt— we krijgen er een nieuw elan door in onze dagelijkse poging bij de Heer te komen. Onze kleine gebreken —ik zeg het met nadruk— zijn niet van belang, want hier zijn de liefhebbende armen van Onze Vader om ons op te beuren.

Let eens op het grote verschil tussen een jongetje dat valt en een volwassen man die valt. Voor jongetjes is vallen meestal niet belangrijk. Zij struikelen zo vaak. Als er al een paar tranen rollen, krijgen ze van hun vader te horen: mannen huilen niet. En het incident is gesloten, met de poging van het kind te voldoen aan de verwachtingen van zijn vader.

Kijk anderzijds eens naar wat er gebeurt als een volwassen man zijn evenwicht verliest en voorover op de grond valt. Het is dat we medelijden hebben, anders zouden we ons vrolijk maken en lachen. Maar de val kan in niet geringe mate tot ernstige gevolgen leiden en bij oude mensen zelfs tot ongeneeslijke breuken. In het innerlijk leven is het dan ook beter voor iedereen te zijn quasi modo geniti infantes, zoals die kleintjes die wel van rubber lijken en zelfs plezier hebben in hun duikelingen, want ze zijn direct weer op de been om verder rond te rennen. Ze weten ook dat ze door hun ouders getroost zullen worden, als het nodig is.

Als we ervoor zorgen ons zo te gedragen als zij, zullen de struikelingen en mislukkingen —die trouwens onvermijdelijk zijn— van ons innerlijk leven ons niet verbitteren. We zullen verdriet hebben, maar niet ontmoedigd worden. En met een glimlach die, als helder water, opwelt vanuit de vreugde om ons kindzijn van die Liefde, die grootheid, die oneindige wijsheid, die barmhartigheid die onze Vader in de Hemel is. Tijdens mijn jaren in dienst van de Heer heb ik geleerd een klein kind van God te zijn. En dit vraag ik ook van u, dat u zult zijn quasi modo geniti infantes, kinderen die verlangen naar het woord van God, het brood van God, het voedsel van God, de sterkte van God om ons voortaan als christelijke mensen te gedragen.


147

Wees helemaal kind. Hoe meer hoe beter. Dat zegt u de ervaring van deze priester die heel wat keren overeind is moeten komen in de loop van die zesendertig jaar —wat lang en wat kort lijkt dat nu— bij het vervullen van de nauw omschreven Wil van God. Een ding heeft me altijd geholpen: dat ik altijd door kind ben en voortdurend bij mijn Moeder op schoot kruip en me opsluit in het Hart van Christus, mijn Heer.

Grote valpartijen, die ernstige schade toebrengen aan de ziel en soms schijnbaar ongeneeslijke gevolgen hebben, zijn altijd het resultaat van hoogmoed van wie zich volwassen acht, zelfgenoegzaam is. In die gevallen overheerst in de persoon als het ware het onvermogen tot het vragen van hulp aan iemand die hulp geven kan. Niet alleen aan God maar ook aan een vriend, een priester. En die arme ziel, alleen in haar ongenade, vervalt tot verwarring, tot dwaling.

Laten we God vragen, nu op dit moment, dat Hij nooit toelaat dat we met onszelf tevreden zijn, dat Hij ons verlangen naar zijn hulp, zijn woord, zijn Brood, zijn raad, zijn sterkte doet groeien: rationabile, sine dolo lac concupiscite. Koester uw honger, het streven als kinderen te zijn. Wees ervan overtuigd dat dit de beste manier is om hoogmoed te overwinnen. Wees ervan doordrongen dat dit het enige geneesmiddel is om onze manier van doen goed, groot, goddelijk te laten zijn. Voorwaar Ik zeg u: als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen, zult gij het rijk der hemelen zeker niet binnengaan (Mat 18, 3).


148

Opnieuw duiken er in mijn hoofd herinneringen aan mijn jeugd op. Wat een blijk van geloof, toen. Ik hoor nu nog de liturgische gezangen, ruik nog de geur van wierook, zie duizenden en duizenden en duizenden mensen, ieder met zijn grote waskaars —symbool voor zijn nietigheid— maar kind van hart. Een schepsel dat zijn vader misschien niet recht in de ogen durft te kijken. Besef dus, hoe slecht en bitter het is, nu gij uw God verlaten hebt (Jer 2, 19). Laten we opnieuw definitief besluiten ons nooit van God te verwijderen omwille van de zorgen van deze wereld. Laten we, door het maken van concrete voornemens voor ons gedrag, onze dorst naar God vergroten, zoals schepsels die hun eigen onwaardigheid erkennen en zonder ophouden zoeken, roepen naar hun Vader.

Maar ik kom terug op wat ik eerder besproken heb: het zijn-als-kinderen moet aangeleerd worden; het kind van God zijn moet aangeleerd worden. En, terloops, moeten we aan de anderen deze mentaliteit overdragen die ons te midden van de natuurlijke zwakheden sterk door het geloof (1 Petr 5, 9) maakt, vruchtbaar in onze werken en zeker van onze weg, zodat we, welk soort fouten we ook kunnen maken, zelfs de afschuwelijkste, nooit zullen aarzelen er iets aan te doen en terug te keren naar deze grote weg van het kindschap Gods die uitkomt bij de wijd geopende en wachtende armen van God onze Vader.

Wie van u herinnert zich de armen van zijn vader niet? Misschien waren ze niet zo teder, niet zo zacht en fijn als die van uw moeder. Maar die stevige, sterke armen omklemden ons met warmte en zekerheid. Heer, bedankt voor die harde armen. Bedankt voor die sterke handen. Bedankt voor dat liefdevolle en onstuimige hart. Ik zou U ook willen danken voor mijn fouten! Nee, die wilt U niet! Maar U begrijpt ze, U verontschuldigt ze, U vergeeft ze.

Dat is de wijsheid waarvan God verwacht dat we die in de omgang met Hem beoefenen. Het getuigt van goede wiskundekennis, als wij toegeven, dat we een nul in het kwadraat zijn¼ Maar God onze Vader houdt van ieder van ons zoals we zijn. Zoals we zijn! Ik —niets meer dan een pover mens— bemin u zoals u bent. Stel u eens voor hoe de Liefde van God dan wel niet moet zijn! Voor zover we tenminste strijden, voor zover we de moeite doen ons leven in overeenstemming te brengen met ons geweten, een goed gevormd geweten.


149

Leefplan

Bij het vergelijken van onze vroomheid zoals die is en zoals die had moeten zijn, bij het onderzoek naar de bepaalde punten in onze persoonlijke relatie met God die verbetering behoeven, moet u —als u me goed begrepen hebt— de verleiding weerstaan u luchtkastelen te bouwen, want u zou ontdekken dat de Heer tevreden is als we Hem elk moment kleine blijken van liefde aanbieden.

Zorg ervoor u aan een leefplan te houden, met volharding: een paar minuten inwendig gebed, de Mis bijwonen —dagelijks, als het mogelijk is— en veelvuldig de Communie ontvangen; regelmatig het sacrament van de biecht ontvangen, ook als je volgens je geweten geen doodzonde begaan hebt; bezoek brengen aan Jezus in het tabernakel, de geheimen van de Rozenkrans bidden en overwegen en al die wonderschone oefeningen die je kent of kunt leren.

Het moeten geen strenge normen worden, geen waterdichte schotten; ze moeten een flexibele weg aangeven, aangepast aan uw situatie van mens in de wereld, met een intensief beroepsleven en met maatschappelijke verplichtingen en relaties die u niet mag veronachtzamen, want in al die bezigheden vindt uw ontmoeting met God haar voortzetting. Uw leefplan moet als een rubber handschoen zijn die zich volmaakt voegt naar de hand die hem gebruikt.

Vergeet evenmin, dat de essentie niet zit in het doen van veel dingen. Beperk u grootmoedig tot die dingen die u elke dag kunt waarmaken, met zin of zonder zin. Deze oefeningen voeren u, zonder dat u zich dat realiseert, naar het beschouwend gebed. Er zullen in uw ziel meer akten van liefde, schietgebeden, dankgebeden, oefeningen van eerherstel en geestelijke communies opbloeien. Allemaal bij het vervullen van uw plichten: het opnemen van de telefoon, het nemen van de auto of de trein, het open- of dichtdoen van een deur, het passeren van een kerk, het beginnen aan een nieuwe taak, het uitvoeren en afmaken ervan dat alles zult u betrekken op God uw Vader.


150

Verkwik u door het kindschap Gods. God is een Vader vol tederheid, vervuld van oneindige liefde. Noem Hem door de dag vaak ‹Vader› en zeg Hem —tussen Hem en u alleen, in uw hart— dat u Hem bemint, dat u Hem aanbidt: dat u zich trots en sterk voelt nu u zijn kind bent. Dit veronderstelt een schema voor het inwendig leven dat al uw vroomheidsbetuigingen aan God —nogmaals, niet veel, maar wel constant— moet kanaliseren, dat u in staat zal stellen u de gevoelens en manieren van een goed kind eigen te maken.

Ik moet u nog wel waarschuwen tegen het gevaar van de sleur —echt de dood voor de vroomheid— die zich vaak aandient onder het mom van het verlangen grote dingen te realiseren of aan te pakken, terwijl men uit gemakzucht de dagelijkse plichten verwaarloost. Als u deze neiging ontdekt, plaats u dan oprecht van hart voor het aanschijn van de Heer. Bedenk of de verveling van almaar dezelfde strijd niet ontstaat, omdat u God te weinig zoekt. Kijk of —uit gebrek aan edelmoedigheid, aan offervaardigheid— de stipte volharding bij het werk niet verzwakt is. Dan lijken uw vrome gewoonten, uw kleine verstervingen, uw apostolische arbeid die niet direct resultaat oplevert, verschrikkelijk steriel. We voelen ons leeg en we beginnen misschien te dromen over nieuwe plannen om de stem van de hemelse Vader te smoren die volstrekte trouw vraagt. En met een nachtmerrie van grootheidswaan in de ziel raken we de meest zekere realiteit kwijt, de weg die ons rechttoe rechtaan tot de heiligheid voert. Dit is het duidelijkste teken dat we de bovennatuurlijke visie kwijt zijn, de overtuiging dat we kleine kinderen zijn, de stellige wetenschap dat onze Vader in ons wonderen bewerkstelligt als we met nederigheid opnieuw beginnen.


151

De rode palen

Diep in mijn kinderhoofd is de herinnering aan die palen gegrift die —in de bergen van mijn geboorteland— langs de randen van de weg waren geplaatst; die hoge, meestal rood geverfde palen trokken mijn aandacht. Men heeft mij toen uitgelegd, dat die palen, als de sneeuw viel en paden, akkers, weiden, bossen, rotsen en afgronden bedekte, er bovenuit staken als een signaal, zodat iedereen altijd met zekerheid wist waar de weg liep.

In het innerlijk leven gebeurt iets dergelijks. Er zijn lentes en zomers, maar ook winters, dagen zonder zon en nachten zonder een sprankje maan. We kunnen het ons niet permitteren, dat onze omgang met Jezus Christus afhankelijk zou zijn van onze gemoedstoestand, van de wisselingen van ons hart. Een dergelijke houding loopt uit op egoïsme, gemakzucht en gaat niet samen met liefde.

Daarom zijn, in perioden van sneeuw of wind, een paar flinke godvruchtige oefeningen —niet sentimenteel, maar diepgeworteld en aangepast aan ieders persoonlijke omstandigheden— zoals die rode palen die de richting blijven aangeven tot de Heer besluit de zon opnieuw te laten schijnen, de sneeuw te laten smelten. Het hart gaat weer sneller slaan, in vlam gezet door een vuur dat eigenlijk nooit is uitgeblust. Het restje was alleen bedekt onder de as van een tijd van beproeving, of van minder inzet, of gebrek aan offervaardigheid.


152

Ik maak er voor u geen geheim van dat er in de loop der jaren mensen bij mij gekomen zijn die vol verdriet met me begonnen te praten. ‹Vader, ik weet niet wat me overkomt. Ik voel me lusteloos en kil. Mijn godsvrucht die vroeger zo zeker en ongecompliceerd was, lijkt me nu een toneelstuk¼› Mensen die in een dergelijke toestand terechtgekomen zijn en u allen zeg ik: Een toneelstuk? Geweldig! De Heer speelt met ons, zoals een vader met zijn kinderen.

In de Schrift kan men lezen ludens in orbe terrarum (Spr 8, 31), dat Hij speelt over het hele aardoppervlak. God laat ons echter niet in de steek, Hij voegt er onmiddellijk aan toe: deliciae meae esse cum filiis hominum (Ibidem), mijn vreugde bestaat er in bij de kinderen der mensen te zijn. De Heer speelt met ons! En als we ooit het gevoel hebben een rol in een toneelstuk te spelen, omdat we ons ijzig en apathisch voelen, wanneer we misnoegd en willoos zijn; wanneer het ons zwaar valt ons werk te doen en de geestelijke doeleinden die we ons gesteld hebben te realiseren; dan heeft het uur geslagen om te gaan denken dat God met ons speelt en dat Hij verwacht dat we onze rol in het toneelstuk met bravoure spelen.

Ik mag u wel vertellen, dat de Heer mij bij gelegenheden veel genaden verleend heeft, maar gewoonlijk moet ik tegen de stroom op roeien. Ik volg mijn weg, niet omdat ik daar zo'n zin in heb, maar omdat ik die gaan moet, uit liefde. ‹Maar, Vader, kan men met God komedie spelen? Is dat geen schijnheiligheid?› Stil maar: nu is voor u het moment gekomen mee te spelen in een menselijk toneelstuk met een goddelijke toeschouwer. Houd moed. De Vader en de Zoon en de Heilige Geest kijken naar deze opvoering van jou. Doe alles uit liefde tot God, om Hem te behagen, ook als het je moeite kost.

Wat is het mooi Gods troubadour te zijn! Wat heerlijk dat toneelstuk te spelen uit Liefde, offervaardig, zonder enige persoonlijke voldoening, om God onze Vader te behagen die met ons speelt. Kijk God in de ogen en vertrouw Hem toe: ik heb helemaal geen zin dit te doen, maar ik zal het opdragen voor U. En dan ook echt aan de slag, ook al denkt u dat het een toneelstuk is. Zalig toneelstuk! Ik verzeker u dat dit geen schijnheiligheid is, want schijnheiligen hebben publiek nodig bij hun pantomimes. De toeschouwers bij dit toneelstuk van ons daarentegen —laat me het nog eens zeggen— zijn de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; de allerheiligste Maagd, Sint Jozef en alle Engelen en Heiligen in de Hemel. Ons innerlijk leven kent geen ander schouwspel dan dit: Christus die voorbijgaat quasi in occulto (vgl. Joh 7, 10).


153

J@#ubilate Deo. Exsultate Deo adiutori nostro (Ps 81, 2 (Introïtus van de Mis)). Juicht God ter eer. Jubelt voor God, onze enige Sterkte. Wie dit niet begrijpt, Jezus, weet niets van liefde, zonde of ellende. Ik ben een armzalig mens en ik ken zonde, liefde en ellende. Weet u wat het is opgeheven te worden naar het hart van God? Begrijpt u dat een ziel voor het aanschijn van de Heer treedt, zijn hart voor Hem opent, Hem zijn klachten voorlegt? Ik beklaag me bijvoorbeeld als Hij jonge mensen tot Zich roept die Hem op aarde nog vele jaren hadden kunnen dienen en beminnen; omdat ik het niet begrijp. Het zijn echter verzuchtingen vol vertrouwen. Ik weet dat ik, als ik me losmaak uit de armen van God, direct zal struikelen. Daarom voeg ik er onmiddellijk, terwijl ik de plannen van de Hemel aanvaard, langzaam aan toe: Moge hij gedaan en vervuld worden, laat hij geloofd en eeuwig geprezen zijn, de allerrechtvaardigste en allerbeminnelijkste Wil van God boven alle dingen. Amen. Amen.

Dat is de wijze van doen die het evangelie ons leert, de zeer heilige spitsvondigheid en de bron van succes in de apostolische arbeid. Het is de oorsprong van onze liefde en onze vrede: de liefde en vrede van de kinderen Gods. Het is het pad waarlangs we genegenheid en hemelse rust naar de mensen kunnen doorgeven. Onze dagen zullen alleen in Liefde hun voleinding vinden als we ons werk geheiligd hebben en daarin het verborgen geluk gezocht hebben van de zaken van God. We zullen ons gedragen met de heilige schaamteloosheid van kinderen en we zullen de schaamte —de schijnheiligheid— van de volwassenen afwijzen die bang zijn naar hun Vader terug te keren, als hun het fiasco van een val overkomen is.

Ik eindig met de groet van de Heer die het evangelie ons overlevert: pax vobis. Vrede zij met u¼ En de leerlingen werden vervuld met vreugde bij het zien van de Heer (Joh 20, 19­20), van de Heer die ons naar de Vader voert.


[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Volgende