Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Vrienden van God > Onthechting > Punt 123
123

Heel wat jaren geleden, meer dan vijfentwintig jaar, ging ik nog wel eens naar een charitatieve instelling. De bedelaars in de eetzaal hadden de hele dag niets anders te eten dan de maaltijd die daar geserveerd werd. Het was een ruime zaal. De verzorging was in handen van een paar toegewijde dames. Nadat de eerste maaltijd uitgedeeld was, verdrongen andere bedelaars zich om de restjes. Een van de bedelaars uit die tweede groep trok mijn aandacht. Hij was in het bezit van een tinnen lepel! Die haalde hij voorzichtig en met graagte uit zijn zak. Hij bekeek hem vol genot. Toen hij zijn portie gegeten had, keek hij opnieuw naar de lepel. Het leek wel alsof zijn ogen het uitschreeuwden: die is van mij! Hij likte hem twee keer af om hem schoon te maken en stak hem toen geheel voldaan weer tussen de plooien van zijn lompen. Het was zijn lepel, echt helemaal van hem: de armoedzaaier, die zich tussen die mensen, tussen zijn armzalige lotgenoten, rijk voelde!

In diezelfde tijd kende ik een dame uit de hoogste adellijke kringen, een Grande van Spanje. Voor God telt dat niet. We zijn allemaal gelijk, allemaal kinderen van Adam en Eva, allemaal zwakke schepselen, met deugden en gebreken, tot de ergste misdaden in staat —als de Heer ons aan ons lot zou overlaten. Nu Christus ons vrijgekocht heeft, bestaat er geen verschil meer van ras, taal, huidskleur, afstamming, rijkdom¼: wij zijn allen kinderen van God. De persoon over wie ik u nu vertel, woonde in een voornaam huis, maar ze gaf nog geen twee stuiver per dag voor zichzelf uit. Haar personeel echter betaalde ze wel royaal en de rest besteedde ze om behoeftigen te hulp te komen, terwijl ze zichzelf allerlei dingen ontzegde. Deze dame had geen gebrek aan dingen waar anderen zo naar verlangen, maar zelf was ze arm, zeer offervaardig, aan alles volledig onthecht. Hebt u mij begrepen? We hoeven trouwens alleen maar naar het woord van de Heer te luisteren: Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen (Mat 5, 3).

Als u die geest wilt verwerven, moet u gierig zijn voor uzelf en heel royaal voor anderen. Geef niet te veel uit voor luxe, grillen,ijdelheid, gemakzucht¼ Praat uzelf geen behoeften aan. Kortom, leer met de heilige Paulus te weten wat armoede is en wat overvloed is. Ik ben volledig ingewijd. Ik kan volop eten en ik kan honger lijden, ik ben vertrouwd met overvloed en met gebrek. Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft (Fil 4, 12­13). En we zullen net als de Apostel als overwinnaars uit de geestelijke strijd te voorschijn komen voor zover we zorgen in ons hart onthecht en vrij van banden te zijn.

“Wij allen die het strijdperk van het geloof hebben betreden —zegt de heilige Gregorius de Grote— nemen het op ons te strijden tegen de boze geesten. De duivels bezitten niets in deze wereld. En omdat ze daardoor naakt in het krijt treden, moeten wij ook naakt strijden. Want als een kampvechter met kleren aan strijdt tegen een kampvechter zonder kleren, zal hij snel in het stof moeten bijten, want zijn vijand zal iets vinden om hem vast te grijpen. En wat zijn de dingen van deze wereld anders dan een soort kleding?” (H. Gregorius de Grote, Homiliae in Evangelia, 32, 2 (PL 76, 1233)).

[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Zie hoofdstuk Volgende