Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Vrienden van God > Het gewone leven is groots > Punt 15
15

Oprechtheid bij de geestelijke leiding

U kent al te goed de verplichtingen van uw weg als christen die u zonder uitstel en met kalmte naar de heiligheid voeren. U bent ook op bijna alle moeilijkheden voorbereid, omdat u ze al aan het begin van de weg ontwaart. In uw eigen belang dring ik er nu op aan dat u zich laat helpen, laat leiden, door een geestelijk leidsman, aan wie u al uw verlangens naar heiligheid en dagelijkse zorgen die uw innerlijk leven raken, de mislukkingen die u incasseert en al uw overwinningen toevertrouwt.

Weest altijd heel oprecht bij die geestelijke leiding: veroorlooft u zich niets zonder het te zeggen, legt uw ziel geheel bloot, zonder angst en zonder schaamte. Bedenkt, dat als u dit niet doet die vlakke, goed begaanbare weg lastiger wordt en wat in het begin niets voorstelde blijkt uiteindelijk een verstikkende strik te zijn. “Denkt niet dat degenen die zich in het verderf storten slachtoffer van een plotselinge mislukking zijn; ieder van hen is in het begin van de voor hem uitgestippelde route afgeweken, of heeft zijn ziel lange tijd verwaarloosd, zodat hij, met het in versneld tempo verminderen van de kracht der deugden en het daartegenover steeds meer toenemen van de ondeugden, erbarmelijk is ingestort¼ Een huis stort niet ineens in elkaar als gevolg van een onvoorzien voorval: ofwel er mankeerde al iets aan de fundamenten, ofwel het gebrek aan zorg van de mensen die er in wonen heeft te lang geduurd, waardoor het bederf, heel weinig in het begin, in steeds hoger tempo de stevigheid van de balken aantast; als het onweer is losgebarsten of als de stortregen zich verdubbeld heeft, is het huis in één klap onherstelbaar vernield, waardoor duidelijk wordt, dat de verwaarlozing niet van vandaag of gisteren was” (Johannes Cassianus, Collationes, 6, 17 (PL 49, 667-668)).

Kent u dat verhaal van die zigeuner die ging biechten? Dit is alleen maar een verhaal, een grappige anekdote, want men spreekt nooit over een biecht. Buiten beschouwing gelaten dat ik veel achting heb voor zigeuners¼ De arme kleine! Hij had een oprecht berouw. ‹Meneer pastoor, ik beken dat ik een stuk touw heb gestolen¼› —als dat nu alles is?— ‹en daar zat een muilezel aan vast¼ daaraan zat nog een stuk touw vast¼ en daaraan nog een muilezel›. Dat ging zo door tot aan de twintigste. Kinderen, met ons gedrag is het precies hetzelfde. Als we het met onszelf op een akkoordje gooien wat betreft het stuk touw, volgt de rest vanzelf; een hele rij van slechte neigingen, zwakheden die schande en schaamte veroorzaken, komt daarna. En hetzelfde gebeurt in onze betrekkingen met anderen: u begint met een kleine belediging en aan het eind draait u elkaar met ijskoude onverschilligheid de rug toe.

[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Zie hoofdstuk Volgende