Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Vrienden van God > Want zij zullen God zien > Punt 179
179

Er zijn hier en daar mensen die over kuisheid horen praten en dan glimlachen. Het is een lach, een grimas, zonder blijdschap, doods, een verwrongen gelaat. De grote meerderheid —zeggen zij bij herhaling— gelooft daar niet in! Tot de jongelui die mij —alweer zoveel jaar geleden— vergezelden in de wijken en ziekenhuizen aan de rand van Madrid, zei ik graag: bedenk eens dat er een rijk van de mineralen is; dat er verder het plantenrijk is —volmaakter— waarin aan het bestaan het leven is toegevoegd; daarna komt het dierenrijk, bestaande uit wezens met zintuigen die zich, bijna altijd, kunnen bewegen.

Op een misschien weinig academische maar beeldende wijze legde ik uit, dat wij een ander rijk moeten vormen, het 'mensenrijk': want het redelijk schepsel bezit een bewonderenswaardig, aan de goddelijke Wijsheid ontsproten verstand dat hem in staat stelt op eigen houtje te redeneren. Voeg daarbij die verbazingwekkende vrijheid waardoor hij naar eigen inzicht een of andere zaak kan aanvaarden of afwijzen.

In dit mensenrijk —verklaarde ik hun vanuit mijn overvloed aan ervaring als priester— komt bij een normaal persoon seksualiteit pas op de vierde of vijfde plaats. Op de eerste plaats komen de strevingen van het geestelijk leven die ieder van ons eigen zijn. Onmiddellijk daarna volgen de vele vraagstukken die een gewone man of vrouw aanbelangen: vader, moeder, gezin, kinderen. Pas daarna hun beroep. En dan op de vierde of vijfde plaats de seksuele geaardheid.

Wanneer ik dan ook te maken had met mensen die van dat punt het centrale onderwerp van hun gesprek en belangstelling maakten, dacht ik dat zij abnormaal waren; arme zielige en misschien wel zieke mensen. Daar voegde ik aan toe —en dat veroorzaakte een moment van gelach en pret onder de jongeren tot wie ik me richtte— dat die arme mensen mij evenveel medelijden inboezemden als een misvormd kind met een waterhoofd, een waterhoofd met de omtrek van een meter. Het zijn ongelukkige personen en van mijn kant kunnen zij —naast mijn gebeden— rekenen op een broederlijk medelijden, want wij willen dat zij van die trieste kwaal genezen worden. Maar zij zijn natuurlijk nooit méér man of méér vrouw dan mensen die niet geobsedeerd zijn door het geslachtsleven.

[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Zie hoofdstuk Volgende