Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Vrienden van God > Een leven van geloof > Punt 204
204

Het geloof is er niet om alleen maar gepreekt te worden. Het is er juist in het bijzonder om het in praktijk te brengen. Misschien ontbreekt ons telkens weer de kracht. Dan moet u —ik ga weer terug naar het evangelie— doen als de vader van die bezeten jongen. Hij had alles te winnen bij de redding van zijn zoon, hij hoopt dat Christus hem zal genezen en toch gaat hij niet zover, dat hij gelooft in zo'n groot geluk. En Jezus die altijd geloof vraagt, is hem —omdat Hij de twijfels van die man kent— voor: Wat dat kunnen betreft: alles kan voor wie gelooft (Mar 9, 23). Alles is mogelijk: wij kunnen àlles. Mits we geloven. Die man voelt het weifelen van zijn geloof. Hij is bang, dat zijn gebrek aan vertrouwen het welzijn van zijn zoon in de weg staat. Hij huilt. Over dat soort tranen moeten we ons niet schamen: het zijn de vruchten van Gods liefde, van berouwvol gebed, van nederigheid. Ogenblikkelijk riep de vader van de jongen uit: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp! (Mar 9, 24).

Laten we nu aan het einde van deze overweging dezelfde woorden tot Hem richten. Heer, ik geloof! Ik heb geleerd in U te geloven en ik heb besloten U van nabij te volgen. Telkens opnieuw heb ik in de loop van mijn leven uw Barmhartigheid ingeroepen. En toch heb ik telkens opnieuw gedacht, dat U niet zoveel wonderen in de harten van uw kinderen zoudt kunnen bewerkstelligen. Heer, ik geloof! Maar help mij geloven, meer geloven, beter geloven!

Bidden we tot slot tot de heilige Maria, Moeder van God en onze Moeder, toonbeeld van geloof: Zalig wie geloofd heeft, dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is (Luc 1, 45).

[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Zie hoofdstuk Volgende