Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Vrienden van God > Op weg naar heiligheid > Punt 310
310

Levend gebed

Ik sta op en doorkruis de stad, zoek op pleinen en in straten naar mijn zielsbeminde... (Hoogl 3, 2). En niet alleen de stad: ik zal me van het ene eind van de wereld naar het andere haasten —naar alle naties, alle volken; over paden en binnenwegen— om vrede te vinden voor mijn ziel. En die zal ik vinden in de dagelijkse bezigheden, die me daarbij volstrekt niet in de weg staan. Zij zijn juist het slingerpad van de steeds grotere liefde tot God, de drijfveer Hem meer en meer te beminnen, mij meer en meer met Hem te verenigen.

En wanneer we —hevig— bekoord worden door ontmoediging, weerstand, strijd, verwarring, door een nieuwe nacht in de ziel, legt de psalmist ons deze woorden in de mond, en in het verstand: Ik ben met hem in de nood (Ps 91, 15). Wat is, Jezus, mijn kruis waard tegenover het uwe? Wat stellen mijn schrammen voor tegenover uw wonden? Wat betekent tegenover uw onmetelijke, zuivere en grenzeloze liefde deze armzalige last die Gij op mijn schouders hebt gelegd? En uw hart, en het mijne, zullen vervuld worden door een heilig verlangen en —met daden— belijden wij, dat 'wij sterven van liefde' (vgl. Hoogl 5, 8).

Er ontstaat een dorst naar God, een hevig verlangen zijn tranen te begrijpen; zijn glimlach te zien, zijn aangezicht¼ Bedenk, dat de beste manier om dat onder woorden te brengen is het citeren van de woorden uit de Heilige Schrift: Gelijk het hert dat reikt naar waar het water stroomt, zo in verlangen reikt mijn ziel naar U, o God (Ps 42, 2). En de ziel raakt steeds meer vertrouwd met God, vergoddelijkt: de gedoopte is als een dorstige reiziger die zijn mond opent voor de wate- ren van de bron (vgl. Sir 26, 12).

[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Zie hoofdstuk Volgende