Josemaría Escrivá Obras
 
 
 
 
 
 
  Vrienden van God > Werk van God, werk voor God > Punt 60
60

Vergeef me deze uitweiding en laten we, ook al zijn we niet helemaal van het onderwerp afgedwaald, de hoofdlijn van het betoog weer opnemen. Wees ervan overtuigd, dat de roeping tot een beroep wezenlijk en onscheidbaar deel uitmaakt van ons christen-zijn. De Heer wil dat u heilig bent op de plaats die u inneemt, in het beroep dat u gekozen hebt, om welke reden dan ook. Ik acht ze allemaal goed en eerbaar —voorzover ze tenminste niet in strijd zijn met de wet van God— en geschikt om tot een bovennatuurlijk plan te verheffen, dat wil zeggen ingebed in die stroom van Liefde die het leven van een kind van God bepaalt.

Ik kan het niet helpen, maar ik voel een zekere ongerustheid, als ik iemand over zijn werk hoor praten op de toon van een slachtoffer, als hij beweert er ik weet niet hoeveel uur per dag mee bezig te zijn, terwijl hij in feite nog niet de helft doet van wat veel van zijn collega's doen, die het uiteindelijk ook alleen maar doen om zelfzuchtige of —in het beste geval— puur menselijke motieven. Wij allen die hier aanwezig zijn en in een persoonlijk gesprek met Jezus gewikkeld zijn, vervullen een nauw omschreven taak: arts, advocaat, econoom¼ Denk eens even aan uw collega's die zich onderscheiden door hun beroepsaanzien, hun achtenswaardigheid, hun toegewijde dienstbaarheid. Besteden zij niet vele uren van de dag —en soms ook van de nacht— aan die taak? Kunnen we niet iets van hen leren?

Zo sprekend beoordeel ik ook mijn eigen gedrag en ik beken u, dat ik, nu ik me deze vraag stel, schaamte voel en het onmiddellijk verlangen God vergeving te vragen, want ik ken het antwoord: zwak, ver verwijderd van de opdracht die God ons in deze wereld heeft toevertrouwd. “Christus”, schrijft een Kerkvader, “heeft ons achtergelaten om lampen te zijn; om leermeester voor anderen te worden; om als engelen tussen de mensen te leven, als volwassenen tussen de kinderen; als geesten tussen zuiver rationele mensen; om zaad te worden; om vrucht te dragen. Het is niet nodig de mond open te doen, als ons leven op die wijze zou schitteren. Woorden zijn overbodig, als onze daden spreken. Er zou geen heiden overblijven als wij echte christenen zouden zijn” (H. Johannes Chrysostomus, In Epistolam I ad Thimotheum homiliae, 10, 3 (PG 62, 551)).

[Print]
 
[Verzend]
 
[Palm]
 
[Bewaar]
 
Vertaal het punt naar:
Vorige Zie hoofdstuk Volgende