Josemaría Escrivá Obras
63

Jezus heeft de duivel, de vorst van de duisternis, afgewezen. En onmiddellijk breekt het licht door: Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem hun diensten te bewijzen (Mt 4, 11). Jezus heeft de beproeving doorstaan, een echte beproeving. De heilige Ambrosius zegt daarover: Hij ging niet te werk als God door zijn macht te gebruiken (wat voor nut had zijn voorbeeld anders voor ons gehad?), maar Hij bediende zich als mens van de middelen die Hij met ons gemeen heeft [Expositio Evangelii secundum Lucam 1, 4, 20 (PL 15, 1525)].

De duivel haalde met een verwrongen bedoeling het Oude Testament aan: want aan zijn engelen heeft Hij last gegeven u op al uw wegen te beschermen (Ps 90, 11). Maar Jezus weigert zijn Vader op de proef te stellen en geeft aan deze Bijbelse passage zijn ware betekenis terug. En als de tijd daarvoor is gekomen, verschijnen de boden van God de Vader om Hem te dienen als beloning voor zijn trouw.

Het is de moeite waard om te kijken naar de manier waarop de satan tegen Christus optreedt: hij argumenteert met teksten uit de heilige Schrift en verdraait en vervormt lasterlijk hun betekenis. Maar Jezus laat zich niet bedriegen: het Woord dat vlees geworden is kent het Woord van God heel goed. Het is geschreven voor het heil van de mensen en niet om hen te misleiden en tot verdoemenis te brengen. Wie door de liefde met Jezus verbonden is, zo is onze conclusie, zal zich nooit door bedrieglijke manipulaties van de heilige Schrift laten misleiden. Hij weet dat het eigen aan de duivel is om te proberen het christelijk geweten in de war te brengen, en dat hij daarvoor listig dezelfde uitdrukkingen gebruikt als de eeuwige Wijsheid, in een poging duisternis te brengen waar licht is.

Laten we eens kijken naar de rol van de engelen in het leven van Jezus, wat ons kan helpen om hun zending in ieder mensenleven beter te begrijpen. De christelijke traditie stelt de engelbewaarders voor als grote vrienden die God aan ieder mens heeft gegeven om hem op zijn weg te begeleiden en moedigt de mens dan ook aan om met de engelbewaarder om te gaan en zijn toevlucht tot hem te nemen.

De Kerk laat ons deze passages uit het leven van Christus overwegen en brengt ons in herinnering dat er in de Veertigdagentijd, waarin wij erkennen dat we zondaars zijn die vol ellende zitten en zuivering nodig hebben, ook plaats is voor vreugde. Want de Veertigdagentijd is ook een tijd van sterkte en van blijdschap: we moeten weer moed vatten, want het zal ons niet ontbreken aan de genade van God. Hij zal ons bijstaan en ons zijn engelen als reisgenoten sturen, als verstandige raadgevers op onze weg, als onze medewerkers bij alles wat we ondernemen. In manibus portabunt te, ne forte offendas ad lapidem pedem tuum, zij zullen u op hun handen dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen zult stoten (Ps 90, 12).

We moeten leren om vol vertrouwen met de engelen om te gaan. Richt je tot hen, zeg je engelbewaarder dat het genadebrengende water van de Veertigdagentijd niet langs jouw ziel is afgegleden maar dat het, door je berouwvol hart, tot op de bodem is doorgedrongen. Vraag hun of zij onze goede wil, die de genade in ons heeft laten ontkiemen, naar de Heer willen brengen, als een lelie die opgebloeid is op een mestvaalt. Sancti Angeli, Custodes nostri, defendite nos in proelio, ut non pereamus in tremendo iudicio, heilige engelbewaarders, verdedig ons in de strijd, opdat wij niet omkomen bij het verschrikkelijke oordeel [Uit een gebed tot de h. MichaŽl (Missale Romanum, 1960: Mis ter ere van de h. MichaŽl)].

Vorige Zie hoofdstuk Volgende