Josemaría Escrivá Obras
80

Maar laten we verdergaan met onze overweging over het wonder van de sacramenten. In de ziekenzalving, zoals het heilig oliesel tegenwoordig wordt genoemd, hebben we te maken met een liefdevolle voorbereiding op de reis die zal eindigen in het huis van de Vader. En in de heilige Eucharistie — we zouden deze het sacrament van de dwaasheid van de goddelijke liefde kunnen noemen — geeft God ons zijn genade en schenkt Hij zich aan ons. Jezus Christus is onder de geconsacreerde gedaanten werkelijk tegenwoordig met zijn Lichaam en zijn Bloed, met zijn Ziel en met zijn Godheid, en dat niet alleen tijdens de heilige Mis.

Ik denk vaak aan de verantwoordelijkheid van de priesters die ervoor moeten zorgen dat de goddelijke genadestroom van de sacramenten alle christenen bereikt. De genade van God komt iedere ziel te hulp; ieder schepsel heeft een concrete, persoonlijke ondersteuning nodig. Zielen kunnen niet en masse behandeld worden! Een priester zou de menselijke waardigheid en de waardigheid van een kind van God aantasten als hij niet voor iedereen persoonlijk zou zorgen met de nederigheid van iemand die weet dat hij een instrument is, een middelaar van de liefde van Christus: want elke ziel is een enorme schat, ieder mens is uniek en onvervangbaar, ieder mens is al het bloed van Christus waard.

Wij hebben het over strijd gehad. Maar strijd vereist training, een juiste voeding en het onmiddellijk behandelen van ziekten, blessures en verwondingen. De sacramenten, de belangrijkste medicijnen van de Kerk, zijn geen luxe. Wie er moedwillig geen gebruik van maakt, is niet in staat ook maar één stap te zetten op de weg waarlangs we Christus moeten volgen. We hebben ze even hard nodig als onze ademhaling, als onze bloedsomloop, als het licht, om op elk ogenblik te kunnen inschatten wat de Heer van ons wil.

De ascetische strijd van de christen vraagt sterkte, en die sterkte vindt hij in de Schepper. Wij zijn duisternis en Hij is het helderste licht. Wij zijn ziekte en Hij is de krachtige gezondheid. Wij zijn noodlijdend en Hij is de oneindige rijkdom. Wij zijn zwakte en Hij houdt ons overeind, quia tu es, Deus, fortitudo mea (Ps 42, 2), want altijd bent U, mijn God, onze sterkte. Niets op de wereld kan de ongeduldig bruisende stroom van het verlossende Bloed van Christus tegenhouden. Maar de menselijke beperktheid kan de ogen met een sluier bedekken waardoor ze de grootheid van God niet zien. Vandaar dat alle gelovigen de verantwoordelijkheid hebben, in het bijzonder degenen die de taak hebben om het volk van God geestelijk te leiden — te dienen — om de bronnen van de genade niet af te sluiten, zich niet voor het kruis van Christus te schamen.

Vorige Zie hoofdstuk Volgende