Josemaría Escrivá Obras
81

De verantwoordelijkheid van de herders

In de Kerk van God heeft iedereen de plicht om met een steeds grotere trouw naar de leer van Christus te leven. Niemand is daarvan vrijgesteld. Als de herders niet persoonlijk zouden strijden om een zuiver aanvoelend geweten te krijgen en trouw te zijn aan het geloof en de moraal — die de geloofsschat en het gemeenschappelijk erfgoed vormen — dan zouden de profetische woorden van EzechiŽl werkelijkheid worden: Mensenkind, gij moet een profetie laten horen tegen de herders van IsraŽl, gij moet een profetie laten horen en aldus tot hen, de herders, spreken: zo spreekt God de Heer: Wee de herders van IsraŽl, die alleen maar voor zichzelf zorgen! Moeten de herders niet voor de schapen zorgen? Gij drinkt hun melk, gij kleedt u in hun wolÖ Het verzwakte dier versterkt gij niet, het zieke geneest gij niet, het gewonde verbindt gij niet, het verdwaalde brengt gij niet terug en naar het verlorene gaat gij niet zoeken. Gij beheert de dieren met hardheid en geweld (Ez 34, 2-4).

Dat zijn harde verwijten, maar wat veel zwaarder weegt is hoezeer God beledigd wordt wanneer personen die de taak hebben over het geestelijk welzijn van de zielen te waken, deze slecht behandelen en hun het zuivere water van het doopsel onthouden dat de ziel weer gezond zou maken; hun de balsemende olie van het vormsel onthouden dat sterkt; van de rechtspraak die vergeeft; en van het voedsel dat eeuwig leven geeft.

Wanneer dat gebeurt? Zodra de oorlog voor de vrede wordt gestaakt. Wie niet strijdt, stelt zich bloot aan alle mogelijke soorten slavernij die het hart van vlees en bloed in boeien slaan: de slavernij van een uitsluitend menselijke kijk op de dingen, de slavernij van het hongerig streven naar macht en aanzien, de slavernij van de ijdelheid, de slavernij van het geld, de slavernij van de zinnelijkheidÖ

Mocht je ooit in aanraking komen met herders die deze naam niet verdienen — een beproeving die God kan toelaten — neem er dan geen aanstoot aan. Christus heeft zijn Kerk onfeilbare en permanente hulp beloofd, maar Hij heeft niet de garantie gegeven dat de mensen die tot de Kerk behoren trouw zullen zijn. Het zal hen niet ontbreken aan een overvloed van genade als zij het weinige doen dat God van hen vraagt: waakzaamheid en een volledige inzet om met de hulp van Gods genade de hindernissen op de weg naar de heiligheid uit de weg te ruimen. Als iemand niet strijdt kan hij in de ogen van God heel laag staan, hoe hoog wij hem ook mogen inschatten. Ik ken uw daden: gij hebt de naam dat gij leeft maar gij zijt dood. Word wakker, herstel wat u rest aan leven en dreigt te sterven. Geen van uw daden heb ik volwaardig bevonden voor het oog van mijn God. Denk aan het Woord dat gij ontvangen en gehoord hebt; bewaar het en kom tot inkeer (Apok 3, 1-3).

Met deze vermaningen richtte de apostel Johannes zich in de eerste eeuw tot degenen die de verantwoordelijkheid voor de Kerk van de stad Sardes hadden. Het is geen nieuw verschijnsel dat het verantwoordelijkheidsbesef bij enkele herders kan verdwijnen. Dat gebeurde al in de tijd van de apostelen, in de eeuw waarin onze Heer Jezus Christus op aarde leefde. Niemand kan zich veilig wanen zodra hij de strijd tegen zichzelf stopt. Niemand kan zich op eigen krachten redden. Iedereen in de Kerk is op de concrete middelen aangewezen die ons sterken: de nederigheid die ons toegankelijk maakt voor hulp en goede raad; verstervingen die ons hart op orde brengen zodat Christus er kan heersen; de studie van de altijd geldende leer, waardoor we het geloof kunnen bewaren en verspreiden.

Vorige Zie hoofdstuk Volgende