Josemaría Escrivá Obras
82

Vandaag en gisteren

De liturgie van Palmzondag legt de christenen dit gezang in de mond: Gij, poorten, gaat open:verheft u, gij oude poorten, opdat de Koning der heerlijkheid kan binnentrekken (Antifoon bij de uitdeling van de palmtakken). Wie zich in de burcht van zijn egoïsme verschanst zal het slagveld niet opzoeken. Maar als hij de poorten van het fort opent en de Koning van de vrede binnenlaat, zal hij samen met Hem naar buiten gaan om te vechten tegen alle ellende waardoor de blik verduisterd en het geweten afgestompt wordt.

Open de oude poorten. Deze oproep voor de strijd is niet nieuw in het christendom. Het is een eeuwige waarheid. Zonder strijd wordt er geen overwinning behaald, en zonder overwinning komt er geen vrede. Zonder vrede is menselijke vreugde slechts schijn en bedrog. Ze blijft onvruchtbaar, ze wordt niet vertaald in hulp aan de mensen of in werken van naastenliefde en rechtvaardigheid, van vergiffenis en barmhartigheid, of in het dienen van God.

Het lijkt wel dat velen binnen en buiten de Kerk, van hoog tot laag, de strijd hebben opgegeven — de strijd tegen hun eigen mankementen — en dat ze zich in volle wapenrusting aan een slavernij hebben overgeleverd die de ziel verlaagt. Dit is een dreigend gevaar dat altijd aanwezig zal zijn in het leven van de christen.

Het is daarom nodig voortdurend aan de allerheiligste Drie-eenheid te vragen zich over iedereen te ontfermen. Ik schrik bij de gedachte aan de gerechtigheid van God als ik over deze dingen spreek. Maar dan doe ik een beroep op zijn barmhartigheid, op zijn medelijden, en hoop ik dat Hij niet naar onze zonden kijkt, maar naar de verdiensten van Christus en van zijn heilige Moeder, die ook onze Moeder is, en naar die van de heilige aartsvader Jozef, die een vader voor Hem was, en naar die van de heiligen.

We lezen in de Mis van dit feest dat de christen er zeker van kan zijn dat God hem, als hij maar wil strijden, bij de hand neemt. Het is Jezus, de Vredevorst die Jeruzalem binnengaat op een arm ezeltje, die zegt: Het Rijk der hemelen breekt zich met geweld baan, en geweldenaars maken het buit (Mt 11, 12). Dit geweld uit zich niet in gewelddadigheid tegen anderen, maar het is de kracht om onze eigen zwakheden en ellende te bestrijden, de moed om onze trouweloosheid niet te verbloemen, de morele kracht om voor het geloof uit te komen, ook in een vijandige omgeving.

Ook vandaag wordt van een christen verwacht dat hij heldhaftig is; als het moet in grote gevechten, maar normaal gesproken in de kleine schermutselingen van elke dag. Als we uit liefde op deze schijnbaar onbeduidende wijze blijven strijden, dan zal de Heer zijn kinderen altijd als een liefdevolle herder behulpzaam zijn: Ik zal zelf mijn schapen weiden en ze een rustplaats wijzen. De verdwaalde schapen ga Ik zoeken, de verstrooide schapen bijeenbrengen, de gewonde dieren verbinden, het zwakke weer krachtig maken… Mijn volk zal wonen op zijn eigen grond en erkennen dat Ik Jahwe ben, als Ik het hout van zijn juk breek en het bevrijd uit de macht van zijn verdrukkers (Ez 34, 15-16; 27).

Vorige Zie hoofdstuk Volgende