Josemaría Escrivá Obras
8

De clericus, en met name de priester die door de sacramentele wijding in de priesterstand, de Ordo Presbyterorum wordt opgenomen, is krachtens goddelijk recht tot medewerker in het bisschopsambt aangesteld. Bij de diocesane priesters wordt deze bediening volgens een voorschrift van het kerkelijk recht nader omschreven. Ze omvat enerzijds de incardinatie van de priester, waardoor hij in dienst wordt gesteld van een plaatselijke kerk onder het gezag van de betreffende bisschop, en anderzijds de kerkelijke zending, die hem een concrete priesterlijke functie geeft binnen het ene presbyterium, waarvan de bisschop het hoofd is. Het is dus duidelijk dat de priester, middels een sacramentele en juridische band, van zijn bisschop afhankelijk is in alles wat betreft: de toewijzing van een concrete pastorale taak; de doctrinaire en disciplinaire richtlijnen die hij voor de uitoefening van zijn ambt krijgt; een rechtvaardige en passende bezoldiging en alle pastorale richtlijnen die de bisschop geeft om de zielzorg en de eredienst te regelen en om uitvoering te geven aan de algemene juridische voorschriften omtrent de rechten en plichten die voortvloeien uit de klerikale staat.

Maar naast al deze noodzakelijke banden van afhankelijkheid, die op juridisch vlak de gehoorzaamheid, de eenheid en de pastorale gemeenschap concretiseren waarin de priester op een fijngevoelige wijze met zijn ordinaris moet leven, bestaat er ook op legitieme wijze een privé-domein van autonomie, van persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid, waarbinnen de priester precies dezelfde verplichtingen en rechten heeft als alle andere leden van de Kerk. Aldus onderscheidt zijn rechtspositie zich zowel van die van de minderjarige als van die van de religieus, die krachtens zijn professie afstand doet van de uitoefening van alle of een deel van deze persoonlijke rechten.

De seculiere priester kan derhalve, binnen de algemene grenzen van de moraal en van zijn plichten van staat - als individu of als lid van de gemeenschap - vrij beschikken en beslissen - individueel of in groepsverband - over alles wat zijn persoonlijk, geestelijk, cultureel en financieel leven betreft. Het staat iedereen vrij zich naar eigen voorkeur en capaciteiten op cultureel terrein te ontplooien. Iedereen is vrij de sociale contacten te onderhouden die hij wil, en zijn leven zo in te richten als het hem goeddunkt, mits hij de plichten van zijn ambt op de juiste wijze vervult. Iedereen mag met zijn persoonlijke bezittingen doen wat hij in geweten passend vindt. En met nog meer recht staat het iedereen vrij in zijn geestelijk en ascetisch leven en in zijn vroomheidsuitingen de ingevingen van de Heilige Geest te volgen, en uit de vele middelen die de Kerk aanbeveelt of toestaat die te kiezen die hem in zijn eigen persoonlijke omstandigheden het meest geschikt lijken.

Juist met betrekking tot dit laatste punt heeft Vaticanum II, en nu opnieuw paus Paulus VI in zijn encycliek Sacerdotalis coelibatus, die verenigingen geprezen en aanbevolen die op diocesaan, interdiocesaan, nationaal of mondiaal niveau - met door het bevoegde kerkelijke gezag goedgekeurde statuten - de heiligheid van de priester in de uitoefening van zijn eigen ambt bevorderen. Het bestaan van deze verenigingen heeft inderdaad, zoals ik al zei, nooit een nadelige invloed, en kan die ook niet hebben, op de band van saamhorigheid en afhankelijkheid die elke priester met zijn bisschop bindt, noch op die van broederlijke eenheid met de andere leden van het presbyterium, noch op de doeltreffendheid van zijn werk ten dienste van de eigen plaatselijke kerk.

Vorige Zie hoofdstuk Volgende