Josemaría Escrivá Obras
108

Hecht niet het minste geloof aan mensen die de deugd van nederigheid voorstellen als menselijke verlegenheid, of als een veroordeling tot levenslange droefenis. Zich voelen als een met krammen gerepareerd stuk aardewerk is een bron van voortdurende vreugde. Het is erkennen tegenover God, dat we niet veel voorstellen: kind, zoon, dochter. Bestaat er een groter vreugde dan armzalig en zwak te zijn, in de wetenschap dat men toch kind van God is? Waarom worden wij mensen bedroefd? Omdat het leven hier op aarde niet verloopt zoals wij het zelf zouden hopen, omdat er obstakels opgeworpen worden die het ons verhinderen of moeilijk maken onze persoonlijke wensen in vervulling te doen gaan.

Niets daarvan zal gebeuren als de ziel in de bovennatuurlijke werkelijkheid van zijn kindzijn van God leeft. Als God vóór ons is, wie zal er dan tegen ons zijn? (Rom 8, 31). Laat hen treurig zijn die zichzelf niet toestaan te erkennen dat ze een kind van God zijn. Ik herhaal het keer op keer.

Tot slot ontdekken we in de liturgie van vandaag twee smeekbeden die als een pijl uit ons hart en onze mond te voorschijn moeten schieten. Wij bidden U, almachtige God, geef dat wij, door zonder ophouden de goddelijke Geheimen te voltrekken, verdienen mogen uw hemelse gaven te verkrijgen (Postcommunie van de Mis). En wij smeken U, Heer, dat Gij ons gewaardigt U zonder ophouden volgens uw wil te dienen (Gebed over het volk). Dienen, dienen, mijn kinderen, dat is onze taak; dient alle mensen, opdat in onze dagen het gelovige volk in verdienste en aantal moge toenemen (Ibidem).

Vorige Zie hoofdstuk Volgende