Josemaría Escrivá Obras
110

Homilie gehouden op 4 april 1955, maandag in de Goede Week

Wij staan aan het begin van de Goede Week. Het ogenblik waarop zich op de Calvarieberg de Verlossing van de hele mensheid zal voltrekken, is dichtbij. Dit is, lijkt me, een zeer geschikt moment voor u en voor mij om te overwegen hoe Jezus, onze Heer, ons heeft gered. Een moment ter overweging van zijn werkelijk onuitsprekelijke liefde voor die arme schepselen die uit stof, van de aarde genomen, gevormd zijn.

Memento, homo, quia pulvis es, et in pulverem reverteris (Ritus van de oplegging van de as op Aswoensdag; Vgl. Gen 3, 19): “Bedenk wel: stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren”. Op deze wijze vermaant onze Moeder, de heilige Kerk, ons bij het begin van de vasten om nooit te vergeten hoe armzalig we zijn; dat ons lichaam, dat nu vol levenskracht is, ooit uiteen zal vallen tot stof, zoals de fijne wolken die onze voeten bij het lopen opwerpen, als de nevel die door zonnestralen verdreven wordt (Wijsh 2, 4).

Het voorbeeld van Christus

Na deze realistische verwijzing naar de onbeduidendheid van ieder van ons zou ik u graag een andere en heerlijke realiteit willen voorhouden: de vrijgevigheid van God waardoor we gesteund en vergoddelijkt worden. Luister naar de woorden van de Apostel: De liefdedaad van onze Heer Jezus Christus hoef ik u niet in herinnering te brengen: hoe Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij rijk zoudt worden door zijn armoede (2 Kor 8, 9). Kijkt u in alle rust naar het voorbeeld van de Meester, dan begrijpt u onmiddellijk, dat we daarin een niet aflatende aansporing vinden om ons leven lang te mediteren en om onze oprechte voornemens tot grotere edelmoedigheid in praktijk te brengen. Want we mogen het doel dat we moeten bereiken niet uit het oog verliezen: ieder van ons moet gelijkvormig worden aan Christus die —u hebt het zojuist gehoord— voor u en voor mij arm geworden is en geleden heeft. Daarmee geeft Hij ons een voorbeeld, opdat wij in zijn voetstappen zullen treden (vgl. 1 Petr 2, 21).

Vorige Zie hoofdstuk Volgende