Josemaría Escrivá Obras
240

De taferelen waarin Christus tot zijn Vader spreekt, zijn zo talrijk, dat het niet mogelijk is bij allemaal stil te staan. Maar we mogen, lijkt me, niet voorbijgaan aan de uren, de zo intense uren die voorafgaan aan zijn Lijden en Sterven, de uren waarin Hij zich voorbereidt op het voltrekken van het Offer waardoor wij verzoend zullen worden met de goddelijke liefde. In de intimiteit van het Cenakel loopt zijn hart over. Hij richt zich in een smeekgebed tot de Vader. Hij kondigt de komst van de Heilige Geest aan. Hij spoort de zijnen aan tot een niet aflatende ijver in liefde en geloof.

Deze gloedvolle overpeinzing van de Verlosser vindt haar voortzetting in Getsemane als Hij voelt dat zijn lijden vol vernederingen en smarten ophanden is; met dat harde Kruis —het schandhout van de boosdoeners— waarnaar Hij zo vurig verlangde. Vader, als Gij wilt, laat dan deze beker aan Mij voorbijgaan (Luc 22, 42). En Hij bidt verder: Maar toch: niet mijn wil, maar uw wil geschiede (Ibidem). Later, als Hij aan het kruishout genageld is, alleen, de armen gespreid, met het gebaar van de eeuwige priester, is het nog steeds hetzelfde gesprek met zijn Vader: in uw handen beveel ik mijn geest (Luc 23, 46).

Vorige Zie hoofdstuk Volgende