Josemaría Escrivá Obras
260

Laten we Christus vergezellen bij deze goddelijke visvangst. Jezus staat aan de oever van het Meer van Gennésaret. De mensen drongen op Hem aan om het woord Gods te horen (Luc 5, 1). Net zoals vandaag! Ziet u dat niet? Mensen willen de boodschap van God horen, ook al lijkt dat uiterlijk niet zo. Sommigen hebben misschien de leer van Christus vergeten. Anderen hebben —buiten hun schuld— Hem nooit leren kennen en beschouwen de godsdienst als iets dat er niet voor hen is. Maar wij moeten zelf overtuigd zijn van een realiteit die altijd geldt: vroeg of laat zal de ziel zich overgeven, zullen de gebruikelijke verklaringen hem niet meer voldoen, zullen de leugens van de valse profeten hem niet meer tevreden stellen. En ook als ze het nog niet zullen willen toegeven, zullen ze zich van hun onrust willen ontdoen, hun honger naar waarheid willen stillen: met wat de Heer leert.

Laten we het woord geven aan Sint Lucas: Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten. Hij stapte in een van de boten, die van Simon en vroeg hem een eindje van wal te steken. Hij ging zitten en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk (Luc 5, 2­3). Toen Hij klaar was met zijn onderricht beval Hij Petrus: Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst (Luc 5, 4). Christus is de heer van de boot. Hij zorgt voor de vangst en daarvoor is Hij op de wereld gekomen: om zijn broeders en zusters de weg van de heerlijkheid en de liefde van de Vader te wijzen. Het apostolaat van de christen is niet door ons uitgevonden. Nee, door ons gebrek aan geloof vormen we er hoogstens een obstakel voor.

Vorige Zie hoofdstuk Volgende