Josemaría Escrivá Obras
73

Homilie gehouden op 6 september 1941

De heilige Lucas vertelt in het zevende hoofdstuk van zijn evangelie dat een FarizeeŽr Hem bij zich te eten vroeg. Hij trad het huis van de FarizeeŽr binnen en ging aanliggen (Luc 7, 36). Toen kwam er ook een vrouw binnen die publiekelijk als zondares bekend stond. Zij trad naar voren om de voeten te wassen van Jezus die volgens de gebruiken van die tijd aanlag om te eten. Tranen zijn het water van deze ontroerende voetwassing; als droogdoek gebruikt ze haar haren. Met balsem die zij in een rijke, albasten vaas meebracht, zalft zij de voeten van de meester. En kust ze.

De FarizeeŽr denkt daar kwaad van. Het komt niet in zijn hoofd op, dat Jezus in zijn hart zoveel barmhartigheid herbergt. Als dit een profeet was —zei de FarizeeŽr bij zichzelf— zou hij weten wie en wat voor een vrouw het is die Hem aanraakt (Luc 7, 39). Jezus leest zijn gedachten en legt hem uit: Ge ziet die vrouw daar? Ik kwam uw huis binnen; gij hebt niet eens water over mijn voeten gegoten, maar mijn voeten zijn nat geworden door haar tranen en zij heeft ze met haar haren afgedroogd. Gij hebt mij niet eens een kus gegeven, maar zij hield, sinds Ik binnenkwam, niet op mijn voeten te kussen. Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd, maar zij heeft mijn voeten gezalfd met balsem. Daarom zeg ik u: haar zonden zijn haar vergeven, al waren ze vele, want zij heeft veel liefde betoond (Luc 7, 44-47).

Wij kunnen nu niet stilstaan bij de goddelijke wonderen van het barmhartige Hart van onze Heer. Laten we eens kijken naar een ander aspect van het tafereel: hoe Jezus al die kleine blijken van hoffelijkheid en menselijke fijngevoeligheid moet missen die de FarizeeŽr Hem niet heeft kunnen betonen. Christus is perfectus Deus, perfectus homo (Symbolum Quicumque), God, Tweede Persoon van de Allerheiligste Drie-eenheid, en volmaakte mens. Hij brengt het heil en niet de vernietiging van de natuur. Laten wij van Hem leren dat het niet christelijk is ons slecht te gedragen tegenover de mens, schepsel van God, gemaakt naar zijn beeld en gelijkenis (vgl. Gen 1, 26).

Vorige Zie hoofdstuk Volgende